6 minuten

Hulp is politiek

Kritiek op het WRR-advies over ontwikkelingshulp

Het advies van de WRR over ontwikkelingshulp is apolitiek. De WRR gaat voorbij aan fundamentele belangentegenstellingen die ontwikkeling in de weg staan.

Het rapport met de titel Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt is een doortimmerd verhaal. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) komt met een heldere analyse van wat internationale samenwerking – of in hun woorden: ontwikkelingshulp – beoogt en wat het kan bereiken. De WRR stelt vast dat de ontwikkelingsopdracht ‘onontkoombaar’ is en brengt daarmee het debat over de hulp terug naar de vraag waar de discussie over zou moeten gaan. Namelijk niet óf hulp wel zin heeft, maar de vraag wélke hulp zin heeft. En wat Nederland met zijn hulpinspanning wil bereiken. Dit alleen al is een bewonderenswaardige prestatie, gezien de toon van het debat over internationale samenwerking de afgelopen jaren.

Wat echter opvalt is dat de WRR kiest voor een apolitieke benadering van het verschijnsel ontwikkeling en sterk focust op economische ontwikkeling. De WRR lijkt daarmee voorbij te gaan aan een essentieel politiek element: fundamentele belangentegenstellingen die ontwikkeling in de weg staan.

Groei

De WRR constateert terecht dat groei noodzakelijk is voor ontwikkeling. Daarbij maakt zij een onderscheid met rijke landen, waar ontwikkeling nog plaats kan vinden door de beschikbare middelen beter te verdelen. Voor arme landen zijn volgens de Raad onder meer banengroei en de versterking van specifieke economische sectoren belangrijke graadmeters voor ontwikkeling. De WRR focust sterk op een technisch-economische benadering van het genereren van ontwikkeling en heeft minder waardering voor directe armoedebestrijding, zoals het bieden van onderwijs en gezondheidszorg. Onderzoek laat zien dat juist een goed werkende publieke sector die basisonderwijs, drinkwater, gezondheidszorg levert, onmisbaar is voor economische groei die leidt tot welvaart, redelijke verdeling en banen.

Ook democratie en good governance (met strijd tegen corruptie) zijn zonder een state civil security kansloos. Derhalve zijn milleniumdoelen en economische ontwikkeling veeleer complementair dan strijdig. De goede mix is contextueel en altijd afhankelijk van beschikbare lokale actoren. Die actoren verdienen het om hun inzet voor de millenniumdoelen gehonoreerd te zien. Er beginnen resultaten zichtbaar te worden, zo laten de jaarlijkse Social Watch-rapporten zien. Solidariteit met die sociale beweging vergroot de kans op economische, sociale en culturele ontwikkeling.

Conflicterende belangen

Ieder land is anders, maar ook de WRR onderkent dat veel landen in met name Sub-Sahara Afrika regeringen hebben die weinig rekening houden met het algemene belang van hun land, en vooral geïnteresseerd zijn in het veiligstellen van de belangen van een kleine elite. In deze landen gaat ontwikkeling over wie de macht heeft, over wie toegang heeft tot opleidingen, tot werk, tot grondstoffen. Het gaat om wie kansen heeft en wie wordt buitengesloten. In deze landen betekent ontwikkelingshulp het conflict aangaan met gevestigde belangen ten gunste van verwaarloosde belangen van een grote groep mensen. Dat maakt ontwikkeling per definitie een uitermate politiek proces, meestal een rommelig proces en soms een zeer smoezelig proces (de Raad spreekt zelf van dirty business). Daarbij zijn het vooral maatschappelijke organisaties en opinieleiders die hun eigen leiders bij de les kunnen houden: de vakbeweging in Zimbabwe, de kerken in Malawi of mensenrechtenorganisaties in Rwanda. Vanuit een samenleving moet tegenmacht worden georganiseerd.

De Nederlandse regering heeft in dezen uiteraard een eigen verantwoordelijkheid en zij moet regeringen van ontwikkelingslanden zonodig aanspreken. Bilaterale betrekkingen kennen in dit opzicht echter beperkingen. Het ondersteunen van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden in het bieden van tegenwicht is bij uitstek een rol voor maatschappelijke organisaties uit rijke landen. Dit zijn bijvoorbeeld professionele hulporganisaties, maar ook vakbonden en kerken die via hun partnerorganisaties kennis hebben van en diep geworteld zijn in een samenleving. Bovendien kan (het bieden van) onderwijs of gezondheidszorg van groot belang zijn in emancipatieprocessen. De WRR vraagt aan hulporganisaties hun meerwaarde te formuleren – wel, mijns inziens is deze rol essentieel en de WRR doet hier te weinig recht aan.

Mondiale elite

Niet alleen nationale, ook internationale gevestigde belangen staan de ontwikkeling van veel arme landen in de weg. Terecht pleit de WRR voor een sterke Nederlandse ‘globaliseringsagenda’. Groei in ontwikkelingslanden wordt vaak in de kiem gesmoord door handelsverdragen, belastingregels, migratie- en visserijbeleid, en landbouwsubsidies die vooral gunstig uitpakken voor westerse landen. Dat is ronduit pervers. Bovendien presenteerde zich het afgelopen decennium een aantal mondiale crises (klimaat, voedsel, energie, grondstoffen, de financiële crisis) die werden veroorzaakt door de rijke landen, maar waarvan de gevolgen verreweg het hardst aankomen in ontwikkelingslanden. Ruim één miljard mensen op de wereld leeft onder de armoedegrens en door de crises neemt dit aantal eerder toe dan af. De onderliggende oorzaak van deze crises is dat burgers in rijke landen zich meer welvaart toemeten dan mondiaal bezien mogelijk en rechtvaardig is.

Op de globaliseringsagenda van de WRR staat naast een goed beheer van mondiale publieke goederen, zoals een stabiel klimaat, kennis en financiële stabiliteit, ook het belang van ‘coherentie van beleid’. Dit betekent bijvoorbeeld dat het handels- en landbouwbeleid van rijke landen niet langer ontwikkelingsinspanningen moeten frustreren. Hier erkent de WRR overigens wel dat het realiseren van meer coherentie een zeer politiek proces is, waar veelal conflicterende belangen spelen. Bovendien constateert de WRR dat de huidige samenstelling van mondiale en regionale organisaties onvoldoende zijn toegerust om goed met mondiale publieke goederen om te gaan. Deels omdat ontwikkelingslanden te weinig macht hebben binnen de fora die er toe doen (Veiligheidsraad, IMF, Wereldbank).

Moed

De globaliseringsagenda waar de WRR voor pleit zal daarom snel tot ingewikkelde politieke keuzen leiden. Om ontwikkelingslanden tot ontplooiing te laten komen, zullen rijke landen arme landen de ruimte moeten bieden. Doorgaans betekent dit dat rijke landen een stapje terug moeten doen, dat burgers wat van hun welvaart moeten inleveren en dit zal op mondiaal politiek niveau moeten worden bevochten. Dit is echter geenszins een makkelijke politieke boodschap. Ook hier is de rol van maatschappelijke organisaties essentieel. In de rijke landen moet de politiek bij de les worden gehouden om zaken als een rechtvaardige verdeling van de toegang tot grondstoffen en het belang van duurzaamheid bovenaan de politieke agenda te houden. Ook op het mondiale niveau, net als eerder op het nationale niveau, besteedt de WRR te weinig aandacht aan het politieke aspect van ontwikkeling. Het oprichten van een Nederlands Global Issue centrum of de minister-president meer verantwoordelijk maken voor die globaliseringagenda, zijn suggesties die de moeite waard zijn om te overwegen, maar zullen een regering niet bewegen tot de noodzakelijke stappen richting een duurzame en rechtvaardige mondiale verdeling. Daar is veel maatschappelijke druk voor nodig.

0,8

De bijdrage van Nederland aan ontwikkelingssamenwerking is vastgesteld op 0,8 procent. De WRR stelt vast dat wetenschappelijk gezien de hoogte van dit percentage arbitrair is. De Raad moet zich bewust zijn geweest dat deze vaststelling aanleiding zou worden tot een hernieuwde roep dit percentage naar beneden bij te stellen. Naar boven bijstellen is gezien het huidige politieke klimaat geen reële optie, maar gezien de ambities die de Raad formuleert wellicht wel wenselijk. Natuurlijk is ‘de 0,8’ een politieke keuze, maar daarom niet minder relevant. Het percentage is bovendien gebaseerd op een internationale verplichting. Het is de uiting van het besef dat rijke landen hun welvaart hebben te danken aan een mondiaal systeem dat hen bijzonder gunstig gezind is, en anderen op deze wereld bijzonder ongunstig. Een situatie die leidt tot onaanvaardbare ongelijkheid die een beetje verzacht kan worden door jaarlijks een klein bedrag opzij te zetten voor mondiaal minder bedeelden. Dat zou geen gunst van de rijke aan de armen moeten zijn, maar een recht waar armen aanspraak op kunnen maken. Welbegrepen eigenbelang en solidariteit gaan hier prima samen.

Uiteindelijk gaat ontwikkeling dus in belangrijke mate om het doorbreken van bestaande machts- en belangenposities. En om de emancipatie van achtergestelde groepen burgers, op nationaal niveau binnen ontwikkelingslanden, maar ook op mondiaal niveau. Het gaat om eerlijk delen en gelijke kansen. Daarmee is ontwikkelingshulp uitermate politiek. Begrippen als eerlijk delen en solidariteit zijn actueler dan ooit.

Gerelateerde artikelen