6 minuten

Hype

Opkomst van het conservatisme is een hype

De opkomst van het conservatisme is een hype gebleken: veel columns maar weinig bruikbare ideeën.

Toen in april de Socrates-wisselbeker voor ‘het meest prikkelende filosofieboek van 2005’ werd toegekend aan een werk van de oerconservatieve Leidse hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging, wist ik het zeker: het conservatisme is op zijn retour. De jury hoopte een moedige en controversiële daad te stellen, maar in feite werpt haar beslissing juist een schril licht op de intellectuele verdorring van het hedendaagse conservatisme. Het conservatieve gepraal van mensen als Bart Jan Spruyt, Arend Jan Boekestijn en Andreas Kinneging had nog iets aandoenlijks zolang het zich beperkte tot ijdele mediaoptredens, schamperende columns en alarmistische opiniebijdragen. Maar een filosofische prijs uitreiken betekent dat we het conservatisme serieus zouden moeten gaan nemen als stroming in het hedendaagse politieke denken. Dan echter zakt het conservatisme onmiddellijk door haar modieuze lemen benen. Er is helemaal geen hedendaagse conservatisme.

Sterker nog, de hele conservatieve revival was voor het overgrote deel fake. Links ideeënarmoede aanwrijven werd na Paars een populair tijdverdrijf – en, laten we eerlijk zijn, niet geheel zonder grond. Het valt niet mee vandaag de dag nog de lijnen voor linkse politiek uit te zetten in een postnationale, globaliserende wereld. De filosoof René Boomkens bijvoorbeeld meent in zijn nieuwe boek De nieuwe wanorde dat de maakbaarheidsgedachte door de globalisering definitief is achterhaald [zie voor bespreking pag. … in dit nummer]. Maar iets heel anders is de merkwaardige gedachte dat het conservatisme hier iets substantieels tegenover zou kunnen stellen. Die gedachte is, zoals zoveel hypes in de Nederlandse politieke cultuur van de laatste vijf jaar, ontstaan met de opkomst van Pim Fortuyn. Opeens bleek er een links ‘establishment’ te bestaan en werden, min of meer bij implicatie, rechts-conservatieve geluiden tot politieke zingeving verklaard. De kogel kwam van links, maar de cultuurkritiek van rechts, zogezegd.

Kitsch

De intellectuele waarde van de conservatieve cultuurkritiek is mij echter van begin af aan een raadsel gebleven. Het begin, dat was voor mij de ontmoeting met Bart Jan Spruyt een jaar of vijf geleden in het Utrechtse filosofisch café Hofman. Samen met de historicus (en thans Eerste-Kamerlid voor de SP) Ronald van Raak discussieerde ik daar met Spruyt over de betekenis van ‘het nieuw conservatisme’. Vreemd genoeg had Spruyt daar toen nog nauwelijks over nagedacht. ‘We zijn nog maar een paar maanden bezig met denken’, zei hij ter excusering van de ideeënarmoede van de pas opgerichte Burke stichting. Tja, wij zijn al twintig jaar bezig, dachten Ronald en ik toen; dat had jij ook kunnen zijn. Wel had Spruyt een exemplaar bij zich van Tocquevilles De la démocratie en Amérique dat hij pontificaal voor zich op tafel legde. Dat wil zeggen, één van de twee delen van het werk; of hij wist dat er nog een deel twee bestaat, werd niet duidelijk. Sowieso bleef ondoorgrondelijk waarom hij dit boek had meegebracht; het bleef de hele avond ongeopend op tafel liggen. Verder dan een betoog dat het aantal echtscheidingen toenam, kwam Spruyt die avond niet. Maar zelfs op de vraag waarom dat nou eigenlijk een probleem is, moest hij het antwoord schuldig blijven.

Heel veel intellectuele kracht kwam er in de jaren daarna in het conservatieve kamp niet bij. Paul Cliteur transformeerde van liberale, onorthodox-burgerlijke en niet ongeestige rechtsfilosoof tot een arrogante mediaverschijning die het net ontdekte linkse establishment er iedere week van langs gaf. Afshin Ellian dook op, een moedige, intelligente man, die echter zijn potentieel zinnige kritiek op links multiculturalisme in de conjunctuur van het Fortuynisme heeft laten wegzinken in drammerij en tirades tegen linkse aanvoerders. Gerry van der Lists lijzige Volkskrant-columns verveelden zelfs zijn potentiële sympathisanten; gelukkig is hij naar Elsevier verhuisd en horen we sindsdien nooit meer iets van hem. Tenslotte is er dan nog Ad Verbrugge, een academisch filosoof die is bezweken voor de verleiding om de zoveelste Heideggeriaanse cultuurkritiek plompverloren uit te gieten over allerlei actuele politieke en maatschappelijke dilemma’s. Met als enig resultaat een klein-christelijke visie en, vooral, veel kitsch.

Geestig

Dat is jammer allemaal, wat mij betreft vooral omdat conservatieve intellectuelen best heel geestig kunnen zijn. De oerconservatieve rechter Robert Bork in de Verenigde Staten bijvoorbeeld kon geweldig leuk schrijven, in elk geval voordat hij als kandidaat voor het Supreme Court werd gewipt, eind jaren tachtig. Of neem tegenwoordig Theodore Dalrymple, de Britse psychiater die in zijn boek Life at the bottom briljant beschrijft hoe allerlei losers op zijn spreekuur de schuld leggen bij alles en iedereen behalve zichzelf. Bekrompen is wel dat Dalrymple meent dat alleen de ‘onderklasse’ aan dit sociaal autisme lijdt en bovendien de schuld karikaturaal legt bij, alweer, het vermeende linkse establishment dat opvoeding en onderwijs na de jaren zestig en zeventig om zeep zou hebben geholpen. Voor een veel betere uitwerking en onderbouwing van een vergelijkbare visie kunnen we in Nederland overigens terecht bij Gabriël van den Brink. Allesbehalve een onversneden conservatief maar wel iemand die, ironisch genoeg, wat er van waarde is in het conservatisme beter kan benoemen en verwerken dan de zelfbenoemde conservatieven zelf.

Tja, en nu dan dus die Socrates-prijs voor ‘het meest prikkelende filosofieboek’. Kinnegings Geografie van goed en kwaad, ook al zo’n kitscherige titel, is bepaald niet slecht geschreven, maar wel bijzonder oubollig en onorigineel. De boodschap is eenvoudig: de mens, toch al geneigd tot het kwade, is met de Verlichting helemaal het spoor bijster geraakt en heeft de krachten van chaos, dissonantie en ontbinding vrij spel gegeven. Enige serieuze discussie over modernisme, kapitalisme, of desnoods bureaucratisering of zelfs maar democratisering, is in het dikke boek echter niet te vinden. Net zomin als ook maar een begin van een systematische discussie over het belang van Kant en Hegel, de grootste moderne filosofen. Ook de thema’s waar het conservatisme nog wel enig intellectueel gezag over zou kunnen proberen te claimen, zoals bijvoorbeeld het belang van de canon in literatuur en wetenschap, en de betekenis van historisch besef voor het staatsburgerschap, schitteren door afwezigheid.

Prikkelend

In zijn angst om door de besmettelijke moderniteit te worden bedorven, trekt het conservatieve denken zich terug in de Innere Emigration. Haar enige therapie voor moderne kwalen is de zuivere, onbedorven lectuur van de grote geesten uit het verleden – dead white males, in een ander jargon. Kinneging beperkt zich, geheel in de stijl van deze traditie, tot het prijzen van wijze conservatieve denkers, zoals Montesquieu (hoewel, ook dat is een halve liberaal…), Burke en natuurlijk Tocqueville (al leg je het louter maar voor je op tafel…). Of liever nog, de oude Grieken, en vooral Cicero, zowel stilistisch als inhoudelijk Kinnegings grote voorbeeld.

Het meest prikkelende filosofieboek? ‘Prikkelend’ is werkelijk wel de laatste typering die mij bij lezing van Kinneging te binnen schiet. Sterker nog, mij dunkt dat een werkelijk conservatief betoog helemaal niet prikkelend bedoelt te zijn. Integendeel. Hij zoekt de kalme, gedistantieerde evenwichtigheid van de klassieke denker die niets vernieuwt, prikkelt of ontmaskert. De prikkeling is juist de moderne vloek, die leidt tot ‘chaos, dissonantie en ontbinding’. Vandaar mijn zekerheid dat de toekenning van de Socrates-prijs het begin van het einde van het nieuwe conservatisme betekent: zodra het conservatisme als prikkelend wordt beschouwd, is haar einde nabij. En dat terwijl zij nog nauwelijks op gang was gekomen.

Gerelateerde artikelen