14 minuten

In gesprek met de islam #1

Het omstreden WRR-advies

De WRR adviseerde onlangs om contacten aan te gaan met het islamitisch activisme. 'Naïef', zo luidde de kritiek. De auteurs lichten toe waarom toenadering zoeken verstandiger is dan uitsluiten.

In menige beschouwing over actuele beleidsthema's behoren termen als 'globalisering' en 'toenemende internationale verwevenheid' tot het standaardrepertoire, ook al is lang niet altijd duidelijk wat de relevantie van die termen is. Maar bij een onderwerp als 'islamitisch activisme' is een verwijzing naar de verbinding tussen wat zich binnen en buiten de grenzen afspeeltevident en heel concreet. Internetsites roepen op tot gewelddadige terroristische acties, onder verwijzing naar wat zich afspeelt in Afghanistan, Irak of de Palestijnse gebieden. Meer algemeen kunnen gebeurtenissen elders die zijn te interpreteren in termen van 'moslims', 'islam' of 'Westen' weerslag hebben op de verhoudingen tussen moslims en niet-moslims hier. Dit gegeven is niet gemakkelijk te bagatelliseren. In Nederland wonen inmiddels 950.000 moslims, en ze zijn ten dele ook als moslim herkenbaar. Ook in andere Europese landen vormen moslims een aanzienlijke minderheid. Met Joegoslavië nog kort achter ons is er weinig fantasie voor nodig om in te zien dat de spiraal van actie en reactie van vooral na '11 september' levensgevaarlijk is. Dit betreft niet alleen de 'grote' confrontaties, maar ook de 'kleine'. Individuele terroristische acties of intimidaties hebben een disproportioneel effect op angstgevoelens. En zoals conflicten ver weg hier gevolgen kunnen hebben, geldt het omgekeerde ook. De cartoonrel maakte het onlangs weer duidelijk: wat hier gebeurt, blijft elders bepaald niet onopgemerkt. De spiraal kan dus beide kanten op draaien. Het getuigt van realiteitszin als niet alleen het binnenlandse maar ook het buitenlandse beleid hierop anticipeert.

'Islamitisch activisme' is het centrale onderwerp van het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat in april uitkwam. Het is een paraplubegrip voor al die manifestaties van zelfbewuste en strijdbare moslims die hun religie hanteren als inspiratiebron voor het inrichten van politiek, staat, recht en samenleving. Van de onmiskenbare opleving hiervan in de laatste decennia vallen vanzelfsprekend de harde en gewelddadige uitingen het meest op, met '11 september' als triest dieptepunt. De implicaties hiervan zijn enorm, zowel voor de wereldpolitieke verhoudingen als voor moslimlanden als voor de radicalisering en verscherping van de verhoudingen in eigen land. Europa is veel gevoeliger voor negatieve gevolgen van het islamitisch activisme dan de VS. Niet alleen door het grotere aandeel van moslims in de bevolking, maar ook omdat ze veel moslimlanden als buren heeft. Dit betekent dat de EU – en dus ook Nederland – er groot belang bij heeft dat de internationale en nationale verhoudingen op het gebied van islamitisch activisme in een rustiger vaarwater terechtkomen.

Explosief

Welke strategie dient hiertoe te worden gevolgd? Mikken op behoud van de status quo is voor de langere termijn geen aantrekkelijke optie, zo dat al mogelijk zou zijn. Het voortduren van een toestand van preoccupatie met veiligheid, verscherpte waakzaamheid en grote argwaan tussen bevolkingsgroepen is een weinig aanlokkelijk perspectief. Radicalisering wordt er ook eerder door gevoed dan afgezwakt. De huidige situatie in omringende moslimlanden geeft weinig hoop op vermindering van de interne spanningen. De jonge bevolking en de lage economische groei in deze regio zal de komende jaren de bestaande, schamele publieke voorzieningen steeds meer aantasten, en de druk op de veelal autoritaire regimes verder doen toenemen. Dit vormt een explosief mengsel. Handhaving van de politieke status quo in moslimlanden lijkt in deze omstandigheden wel de minst gelukkige optie om de spanningen in die samenlevingen te verminderen.

Tegen deze achtergrond is de WRR uitdrukkelijk op zoek gegaan naar aanknopingspunten voor constructieve toenadering. Dit heeft niets te maken met een ontkenning of bagatellisering van de negatieve kenmerken van het islamitisch activisme, noch met pogingen tot verzoening of appeasement. Juist de ernst van de huidige situatie en de kans op verdere escalatie maken het tot een zaak van welbegrepen eigenbelang te bezien of de negatieve spiraal doorbroken kan worden. De veronderstelling hierbij is dat participatie van islamitisch gemotiveerde krachten of bewegingen aan het politieke proces op de lange duur meer kansen bieden op het tegengaan van radicalisering dan blijvende uitsluiting daarvan. Let wel, het gaat dus om kansen: zekerheden en blauwdrukken zijn hierover niet voorhanden. De ervaring van de afgelopen dertig jaar leert echter wel dat alle, vaak krachtdadige pogingen van regeringen van moslimlanden om islamitisch-politieke bewegingen buiten de politieke arena te houden niet hebben geleid tot hun teloorgang. Die bewegingen vormen nu vaak de enige oppositiekracht van betekenis. De hamvraag is dan of islamitische politiek en recht zich positief kunnen verhouden tot democratie en mensenrechten. Velen in het Westen en ook in moslimlanden vrezen dat dit in principe niet mogelijk is. Die vrees is gevoed door radicale retoriek en de ervaringen met bijvoorbeeld de islamitische revolutie in Iran, het kortstondige Talibanbewind in Afghanistan en de theocratie in Saoedi-Arabië. Maar zijn er ook meer hoopvolle, constructieve uitingen van islamitisch activisme?

Het WRR-rapport onderzocht die vraag voor drie dimensies van het islamitisch activisme, namelijk het hervormingsdenken, politieke bewegingen en het islamitisch recht. Steeds ging het om de vraag of een toenadering tot concepten van democratie en mensenrechten zichtbaar is. De drie dimensies moeten niet gezien worden als elkaar opvolgende fasen in een proces van verandering. Liberale denkers kunnen invloed uitoefenen op het optreden van bewegingen, maar dat is zeker geen vanzelfsprekendheid. Het kan ook zijn dat vernieuwende intellectuele denkbeelden geen invloed hebben, of pas nadat de politieke context is gewijzigd. Evenzo kunnen islamitisch-politieke bewegingen veranderingen in het recht voorstaan die de staat juist blokkeert omwille van het belang van handhaving van de status quo. Of staten kunnen op papier wel veranderingen in wetgeving doorvoeren, maar ze in de praktijk niet uitvoeren. In het rapport zijn de drie aspecten nevengeschikt behandeld; het idee is dat het al interessant genoeg is indicaties voor toenadering tot democratisering en mensenrechten op ieder van de drie dimensies naast elkaar te leggen.

Denkers

Onmiskenbaar zijn er veel denkers die belangrijke principes voor de inrichting van de staat, zoals de scheiding van kerk en staat, democratie, rechtsstaat en mensenrechten, afwijzen als strijdig met de letter van de heilige bronnen (de koran en de soenna: handelingen van de profeet) en de suprematie van het islamitisch recht (de sharia). Maar in de luwte van deze beeldbepalende opvattingen manifesteren zich ook denkers die deze principes juist op islamitische gronden nastreven. Zij zoeken naar een verbinding tussen islam en moderniteit. Zij keren zich tegen dogmatische benaderingen die stellen dat de voorschriften van de heilige bronnen naar de letter moeten worden nageleefd. De betekenis van die teksten kan alleen maar begrepen worden uit de context waarbinnen deze tot stand kwamen. Dan pas blijkt de geest van deze teksten en de zeggingskracht ervan voor andere omstandigheden dan de toenmalige. Door het aldus erkennen van de eigen betekenis van de historische context ontstaat tevens de mentale ruimte voor waardering van menselijke innovaties als democratie en mensenrechten. Sommige denkers aanvaarden dergelijke innovaties door ze te funderen op specifiek islamitische concepten, zoals bijvoorbeeld het concept van 'shura' (raadpleging door de leider). Deze positie is te typeren als 'islamisering van de moderniteit'. Anderen denkers, zoals de voormalige Indonesische president Abdurrahman Wahid en de Iraniërs Mohammed Shabestari en Abdulkarim Sorush, zien democratie en mensenrechten als waardevolle producten van de menselijke rede die zich positief verhouden tot de intenties van de koran. Die positie is te typeren als 'modernisering van islamitisch denken'.

Deze opvattingen staan niet alleen haaks op orthodoxe en radicale zienswijzen, maar zijn vanwege hun nadruk op democratie en mensenrechten ook bedreigend voor zittende regimes. Het is daarom moeilijk zicht te krijgen op de publieke aanhang ervoor. Maar de betrokken denkbeelden maken wel duidelijk dat de heilige bronnen op zeer uiteenlopende manieren kunnen worden gelezen en geïnterpreteerd. De strijd over de juiste interpretatie – ofwel de 'zuivere islam' – is met de opkomst van het islamitisch activisme dan ook sterk geïntensiveerd. Eerder dan een clash tussen beschavingen lijkt dan ook sprake te zijn van een clash binnen de moslimwereld.

Bewegingen

'De' islamitische politieke beweging bestaat niet. Anders dan velen in het Westen veronderstellen en ook autoritaire regimes nog altijd willen laten geloven, vormen dergelijke bewegingen geen homogene, onveranderlijk fundamentalistische en/of gewelddadige bedreiging. Die bedreiging gaat natuurlijk wel uit van het transnationale terrorisme dat zich in allerlei vaste en losse verbanden toelegt op jihadische acties. Maar hiernaast zijn er binnen moslimlanden talloze bewegingen en coalities, met evenzoveel aspiraties. Deze worden minder bepaald door religieuze dogma's dan door de nabije politieke context en de mogelijkheden die hun worden geboden. De meest op de politieke arena gerichte bewegingen en partijen zijn het verst opgeschoven in de richting van democratische beginselen en normen. Zij spreken zich inmiddels meestal ook uit voor versies van islamitische wetgeving die meer zijn aangepast aan de moderne samenleving. Een voorbeeld hiervan is de Egyptische Hizb al-Wasat al-Gedid. Deze noemt zich nadrukkelijk een politieke partij die niet is verbonden aan het islamitische geloof maar aan 'de islamitische beschaving' op basis van burgerschap. Met dit concept benadrukt de partij het streven naar een samenleving waarin moslims en christenen als Egyptische burgers op voet van gelijkheid een plaats hebben. Ze distantieert zich zo ook van de islamiseringspolitiek van de Egyptische Moslim Broederschap en probeert, naar analogie van moderne, formeel erkende islamitisch georiënteerde partijen in Turkije, Jordanië, Jemen en Maleisië, een brede partij te worden met een gematigde, democratische en hervormingsgezinde koers en een bereidheid allianties te vormen. Daardoor heeft ze tevens steun gekregen van een aantal vooraanstaande seculiere oppositieleiders. De Egyptische regering weigert tot dusver echter deze partij te erkennen.

Veel revolutionaire activisten van het eerste uur hebben aan het einde van de jaren negentig gekozen voor een constructievere politieke opstelling binnen de constitutionele grenzen van de nationale staat. In plaats van het aanvankelijke streven om desnoods met geweld de vaak seculiere nationale staat te vervangen door een (moslimwereldbrede) islamitische staat, ambiëren ze inmiddels hervormingen via participatie binnen het reguliere politieke bestel en deelname aan verkiezingen. Ze hebben (nog) geen fundamenteel verlichtings- of reformatieproces doorgemaakt. Bovenal putten ze uit een forse dosis politiek pragmatisme. Om voldoende politieke invloed te krijgen en effectief te kunnen opereren, moeten ze juist wel ondogmatisch zijn, zich aanpassen aan politieke spelregels, coalities vormen en politieke programma's formuleren. Al doende nemen ze afstand van absolute waarheden en ongedefinieerde vormen van 'oppositie-islam' die vooral radicalen en extremisten aanspreken. Zo is bijvoorbeeld Turkije mede dankzij de ambities van de islamitisch geïnspireerde AKP de weg van verdere democratisering, rechtsstatelijkheid en EU-lidmaatschap ingeslagen. En opeenvolgende verkiezingsronden in Indonesië, Maleisië en Bangladesh hebben laten zien dat religieuze politieke partijen zich minder exclusief en meer pragmatisch zijn gaan opstellen. Soortgelijke ontwikkelingen dienen zich aan in Jordanië, Marokko, Koeweit en Jemen, waar islamitische partijen zich onder voorwaarden politiek mogen manifesteren. Daardoor hebben niet-religieuze partijen op hun beurt meer oog gekregen voor de wens van de kiezer om conservatieve religieuze waarden (bijvoorbeeld op het terrein van de zedelijkheid) terug te zien in politieke programma's.

Deze koersverandering, van revolutionair naar evolutionair, is overigens ook opgemerkt door denktanks als de RAND-Corporation en de Carnegie Endowment for International Peace en de onafhankelijke Internationale Crisis Group die zich richt op conflictbestrijding. Evenals de WRR adviseren zij regeringen islamitische politieke partijen en bewegingen waar mogelijk te incorporeren in het reguliere politieke bestel, als een belangrijke stap naar verdere ontradicalisering van islamitisch activisme.

Islamitisch recht

Net zoals 'de' islamitische beweging niet bestaat, bestaat ook 'de' sharia niet. De sharia kan het metafysische beginsel uitdrukken van het goddelijk plan voor mens en maatschappij. De sharia kan echter ook slaan op het geheel van door rechtsgeleerden en theologen ontwikkelde klassieke islamitische rechtsregels. En het kan slaan op de interpretatie van deze rechtsregels door de huidige, moderne staten of op de 'geleefde' (rechts)regels of het gewoonterecht van een specifieke geloofsgemeenschap. Ook als we kijken naar het huidige formele op de sharia gebaseerde recht, zien we geen vaststaand geheel van rechtsregels dat voor alle moslims geldt. Er bestaan namelijk grote verschillen tussen landen in zowel op de sharia gebaseerde rechtsregels als de toepassing ervan. Hoewel de meeste moslims aan het begrip sharia een sacrale, positieve lading toekennen, hebben de pleidooien van islamitisch activisten sinds de jaren zeventig voor (her)invoering van de sharia (islamisering van recht) dus ook veel uiteenlopende betekenissen. Vaak vertegenwoordigen ze niet zozeer een wens terug te keren tot orthodoxe rechtsregels maar zijn ze een reactie op het klakkeloos volgen van de traditionele, door de rechtsgeleerden voorgeschreven regels, zoals bijvoorbeeld het verbod voor vrouwen in Saoedi-Arabië om een auto te besturen.

De islamisering van het recht onder invloed van het islamitisch activisme sinds de jaren zeventig heeft in de meeste moslimlanden tot dusver een beperkte reikwijdte gehad. De eerste golf van islamisering is bovendien niet gevolgd door een tweede. Extreme islamisering (in de betekenis van het invoeren van het klassieke islamitische strafrecht) heeft alleen plaatsgehad in Iran, Afghanistan onder de Taliban, een tijdlang in Pakistan en Soedan en in een aantal deelstaten in Nigeria. In de meeste andere moslimlanden heeft de islamisering van het recht een gematigder karakter. De sharia speelt daar op de meeste rechtsgebieden geen of slechts een geringe rol; er is daar sprake van een feitelijke scheiding van moskee en staat. De voornaamste uitzonderingen op deze regel betreffen het familierecht. Maar ook dit deelgebied van het islamitisch recht is niet immuun gebleken voor modernisering en verbetering van onder meer de positie van vrouwen. Nieuwe, door de staat ter hand genomen interpretaties van de heilige bronnen leidden bijvoorbeeld in Tunesië tot een verbod op polygamie, in Egypte, Pakistan, Iran en Algerije tot verruiming van de echtscheidingsmogelijkheden voor vrouwen.

Het 20-ste eeuwse islamitisch activisme is gelijktijdig opgekomen met het mensenrechtenactivisme. Aanvankelijk wezen de meeste islamitische activisten het concept van universele mensenrechten op theologische gronden van de hand. Net zoals er volgens hen geen sprake kon zijn van op volkssoevereiniteit gebaseerde democratie, aangezien alleen God soevereiniteit toekomt, zo kon er ook geen sprake zijn van rechten van mensen: de mens kent tegenover zijn geloofsgenoten en God immers alleen plichten. De beperking tot plichten voor geloofsgenoten impliceerde in deze optiek eveneens dat van universaliteit geen sprake kon zijn. Toch heeft geleidelijk aan een proces van toenadering plaatsgehad tussen het concept van universele en islamitische mensenrechten en heeft het mensenrechtenconcept ingang gekregen in het islamitisch-juridisch denken. In de jaren tachtig ontwikkelde de 47 landen tellende Organisatie van de Islamitische Conferentie het concept van islamitische mensenrechten. Dit gaat uit van door regeringen te respecteren individuele mensenrechten maar wijkt op belangrijke terreinen nog af van de universele mensenrechten, zoals de positie van vrouwen en niet-moslims, de vrijheid van godsdienst en de integriteit van het menselijke lichaam. Sinds de jaren negentig hebben veel moslimlanden hun principieel afwijzende houding tegenover de universele mensenrechtenverdragen van de VN echter laten varen. Dat neemt niet weg dat van volledige acceptatie ervan (nog) geen sprake is; rechten en vrijheden worden niet zelden gefilterd door een islamitische bril. Maar gebleken is ook dat zo'n eigen cultureel en religieus frame geleidelijke toenadering tot universele mensenrechten op den duur niet hoeft uit te sluiten, en de legitimering van mensenrechten zelfs kan vergemakkelijken. De nieuwe familiewetgeving in Marokko illustreert dit; onder de vlag van de sharia heeft een aanzienlijke verbetering plaatsgevonden van de rechten van vrouwen.

Prikkels

Nederland en de EU kunnen zich een afzijdige houding tegenover de moslimwereld niet permitteren. Een verdeelde, in zichzelf gekeerde Unie die afziet van externe ambities creëert slechts een illusie van veiligheid die de bestaande kwetsbaarheid niet wegneemt. Bovendien betekent afzijdigheid dat kansen onbenut blijven die er wel degelijk zijn voor het ondersteunen van veelbelovende ontwikkelingen. In het verleden heeft de EU met pleidooien voor democratisering en verbetering van mensenrechten in naburige moslimlanden vooral de hoop gevestigd op niet-religieuze bewegingen en partijen, ook als die groepen nauwelijks legitimiteit hadden onder de eigen bevolking.

Maar het blijven negeren van de politieke en juridische agenda van religieus activisme biedt op de duur geen oplossing en kan zelfs averechts uitwerken. Zo'n houding ontmoedigt immers islamitische groepen met een grote achterban die bereid zijn water in de wijn te doen en binnen het bestaande politieke stelsel te streven naar geleidelijke politieke liberalisering. Bovendien voedt zo'n houding de toch al wijdverbreide opvatting in moslimlanden dat secularisme en (westerse) democratie per definitie antireligieuze belangen dienen. De roep om islamisering dreigt zo alleen maar luider te worden, doordat radicale religieuze opvattingen aan populariteit winnen of doordat machthebbers in de moslimwereld zelf om conservatieve motieven islamisering gaan doorvoeren ter versterking van hun legitimiteit.

Nederland en de EU moeten islamitische bewegingen niet langer op voorhand uitsluiten als potentiële gesprekspartners, maar zich laten leiden door de concrete politieke daden van deze groepen. Europa moet groepen die opschuiven naar acceptatie van democratie en mensenrechten waar mogelijk ondersteunen, en stromingen die zich daarvan verwijderen krachtig veroordelen. Het moet enerzijds meer positieve prikkels ontwikkelen om hervormingen te kunnen stimuleren en belonen, bijvoorbeeld verbeterde toegang voor landbouw- en textielproducten tot de Europese interne markt, en anderzijds bij ernstige mensenrechtenschendingen bereid zijn ook echt sancties te treffen.

Lange adem

Constructieve externe verhoudingen met de moslimwereld kunnen op de lange termijn alleen gedijen bij constructieve interne verhoudingen tussen moslims en niet-moslims en onderling tussen de gelovigen van de vele verschillende islamitische denominaties die Nederland en Europa rijk zijn. Enerzijds vergt dat meer aandacht voor concreet aanwezige islamitische geloofsopvattingen en gedragingen van moslims die positief staan tegenover de democratische rechtsstaat. Het stigmatiseren van de islam en moslims als 'radicaal', fundamentalistisch of ondemocratisch is immers krenkend voor de overgrote meerderheid van moslims die de hier geldende democratische spelregels en mensenrechten als vanzelfsprekend aanvaarden en steunen. Anderzijds vergt het dat concrete gedragingen die zich beroepen op 'de' islam maar indruisen tegen de geldende rechtsstatelijke beginselen, niet aanvaardbaar zijn.

Moslimlanden voldoen in veel opzichten nog niet aan de huidige internationale maatstaven op het terrein van democratie en mensenrechten. Daarin verschillen ze overigens niet van veel (andere) ontwikkelingslanden. Maar juist dan is de vraag van belang of er krachten in deze landen zijn die streven naar serieuze hervormingen in de richting van die maatstaven, en op welke manier wij die kunnen steunen. Het WRR-onderzoek laat zien dat die krachten er wel degelijk zijn, en dat een strategisch beleid moet proberen hier op in te spelen. Het stelt tegelijkertijd vast dat zo'n beleid lange adem vergt en kwetsbaar is. Daadwerkelijke toenadering kan immers gemakkelijk worden gedwarsboomd door oplaaiend geweld of acties van radicale, gewelddadige enkelingen, en zich ook vertalen in toenemende interne spanningen. Het huidige accent op veiligheid zal dus nog lange tijd gehandhaafd moeten blijven. Maar voor de veiligheid op de langere termijn is er veel aan gelegen de kansen voor ondersteuning van democratisering en verbetering van mensenrechten – hoe klein soms ook – krachtig te ondersteunen.

Wendy Asbeek en Jan Schooneboom zijn auteurs van het rapport Dynamiek in islamitisch activisme, april 2006.

Gerelateerde artikelen