7 minuten

Incidentenland

Ian Buruma over zijn nieuwe boek

Ian Buruma doet in zijn laatste boek een poging de Nederlandse verwarring na de moord op Van Gogh te duiden. In een interview vertelt hij over haat, angst en onbegrip in de wereld en in Nederland in het bijzonder.

Ian Buruma is een bevoorrechte kosmopoliet, schrijver, reiziger en Nederlander woonachtig in de Verenigde Staten. Zijn laatste boek heet ‘Dood van een gezonde roker’, een bewerking van ‘Death in Amsterdam. The Limits of Tolerance’, en omvat een nuchtere beschrijving van de rumoerige periode in Nederland tussen 11 september 2001 en mei 2006. Buruma sprak alle hoofdrolspelers in het debat rondom Fortuyn, Van Gogh en Hirsi Ali en schreef een helder journalistiek verslag. “Er was iets ontwricht in Nederland in die winter van 2004, en dat wilde ik beter begrijpen. Hysterie is immers wel het allerlaatste dat mensen associëren met een land dat doorgaans door gemakzuchtige buitenlandse verslaggevers als ‘flegmatisch’ betiteld wordt,” schrijft Buruma in zijn boek. Hij spreekt zoals hij schrijft: bedachtzaam. “In het buitenland was Nederland het land van Anne Frank, een gidsland. Nu lijkt Nederland vooral een incidentenland te zijn geworden. Een merkwaardig zelfvoldaan land, waar eerst tolerantie was, maar waar haat, chaos en onbegrip de overhand kregen. Nederland leek wel in lichterlaaie.”

Gereformeerden

In hun boek Occidentalisme (2004) onderzochten Ian Buruma en Avishai Margalith de haat in het Oosten jegens het Westen. Volgens Buruma en Margalith ligt de bron hiervan in het Westen zelf en is die terug te voeren op de Duitse romantiek. Daar ontstond het idee van de stad als poel van verderf, van prostitutie en vervreemding tegenover het platteland als symbool van puurheid, spiritualiteit en goedheid. Het idee van de verloederde, misdadige, materialistische en goddeloze westerse samenleving voedt nu jonge jihadisten die opgroeien in West-Europa. Buruma plaatst de moord van Theo van Gogh in dit historisch perspectief. “Jongeren met een islamitische achtergrond, die hier geen aansluiting vinden en het diepverlangde respect moeten ontberen vinden in het knip-en-plak jihadisme een kant en klare revolutionaire ideologie,” aldus Buruma. “Dat verklaart deels waarom radicale ideeën niet bij de eerste generatie, maar juist bij tweede opgang vinden. Deze jongeren zien hun ouders slecht behandeld, voelen zichzelf niet geaccepteerd en worden geconfronteerd met een harde taal die hen oproept tot assimilatie. Ze zijn op zoek naar identiteit en vinden dat in de ‘ware Islam’. Omdat zij het Arabisch niet of onvoldoende beheersen, zijn zij afhankelijk van vertalingen en interpretaties van niet altijd koosjere geestelijke leiders die via het internet hun ideeën verspreiden.” Toch zijn deze jongeren juist vernederlandst, stelt Buruma. Hij plaatst Mohammed B., maar ook Ayaan Hirsi Ali en Afshin Ellian, in de traditie van rechtlijnigheid en botheid die gereformeerden kenmerkt. “Zoals gereformeerden niets moesten hebben van het beleefde draaien van katholieken, moeten zowel radicaliserende jongeren als Hirsi Ali en Ellian, niets hebben van de verzoenende taal van Cohen en Aboutaleb.”

Revolutionaire islam

De problemen van de tweedegeneratie migranten in Nederland maar ook de conflicten in het Midden-Oosten, zijn niet het gevolg van de islam, stelt Buruma. “De integratie van jonge Marokkanen in Nederland kost gewoon tijd. Culturele verschillen zullen op den duur verdwijnen of marginaal worden. In het Midden-Oosten zijn jongeren gefrustreerd omdat seculiere regeringen, meestal strenge dictaturen, falen. Uit rebellie wordt de moskee bezocht. Net zoals in Polen het verzet tegen het totalitaire regime vanuit de kerk werd gemobiliseerd. Het islamisme is niet in de eerste plaats tegen het Westen of tegen de modernisering gericht, maar vooral tegen de eigen regimes. Jongeren beschuldigen hun regeringen terecht van corruptie en materialisme. Al Quaida is dan een kant en klare revolutionaire missie waar jongeren zich gemakkelijk bij kunnen aansluiten. De geschiedenis van de natiestaat in de Arabische wereld is nog maar kort en de verkeerde ideeën zijn overgenomen uit het Westen. Het is het echec van wereldlijke dictaturen en dogmatisch secularisme waartegen jihadistische revolutionairen ageren. Het is van belang te kijken naar de historische oorzaken van geweld. Je moet niet alleen maar stemming maken in Nederland.”

Het is een vaak herhaalde opvatting dat de orthodoxe islam zich niet zou verenigen met de westerse liberale democratie. Buruma constateert echter dat een orthodoxe geloofsovertuiging en de beginselen van de rechtstaat elkaar kunnen verdragen. “Het dogmatisch secularisme wordt in West-Europa gezien als verlichting. Maar Ataturk en Nasser hebben grote schade aangericht door voorgoed af te willen rekenen met religie. India heeft dat beter gedaan: daar is religie beter ingebed in de seculiere staat.” Buruma doet in zijn boek verslag van een ontmoeting met een orthodoxe moslima. Ze is géén jihadi en verklaart zich goed te kunnen vinden in de ruimte die de Nederlandse Grondwet haar biedt. Buruma verbindt aan dit soort uitspraken de algemene conclusie dat de orthodoxe islam en de liberale rechtstaat samen kunnen gaan, zoals de rechtstaat ook de SGP verdraagt. “Je zou moeten stimuleren dat iedereen zich als burger gedraagt en zich loyaal verklaart aan het politieke rechtssysteem, waar de stem en de vrijheid van allen beschermd worden.”

Nationaal zelfbeeld

Buruma spreekt over de gewonde eigenliefde en de verongelijkte volksaard in Nederland. Het gekoesterde multiculturele ideaal leek aan diggelen, tolerantie bleek weinig meer dan onverschilligheid, de samenleving polariseerde volledig na de dood van Van Gogh. Buruma spreekt daarom bewondering uit voor Cohen, die het hoofd koel en de boel bij elkaar hield, terwijl columnisten, politici en deskundigen op televisie en in de kranten polemiek bedreven in de dagen na 2 november 2004. Fortuyn en Van Gogh vindt hij lastige figuren om te duiden. “Xenofoob waren ze niet. Opportunisme was Fortuyn niet vreemd. Zowel Fortuyn als Van Gogh hadden een hang naar aandacht. Fortuyn wilde vooral populair zijn, dat kan naar links of naar rechts uitslaan. Fortuyn was een rechtse exponent. Hij speelde de hoofdrol in zijn eigen fantasiewereld. Hij was een politieke buitenstaander die de zelfbenoemde leider werd van een imaginair volk van politiek onderdrukten. Onder hoger opgeleiden bestaat het idee dat het tijdens de paarse kabinetten allemaal beter was, maar dat betwijfel ik. Discriminatie op de arbeidsmarkt bestond toen ook al.”

Buruma stelt dat Nederland niet slechter, maar vanuit democratisch oogpunt juist opener is geworden. “In de samenleving is duidelijk behoefte aan een partij die het maatschappelijk ongenoegen over integratie opvangt en uitdraagt en de niche op conservatief rechts vult. De versplintering op rechts is echter te groot, dat is een gemiste kans. Pastors had de kans moeten benutten om een serieuze rechtse partij op te richten. Het is ook onzin om te menen dat het zelfvertrouwen weg zou zijn in Nederland of dat de nationale identiteit in crisis is. Nederlanders weten onderling heel goed wat zij verstaan onder Nederlanderschap en kennen de stille codes. In Nederland heerst echter een besloten clubcultuur en zijn die codes moeilijk te kraken voor buitenstaanders. Het is niet gemakkelijk voor hen om toe te treden, er is de harde eis dat men eerst bepaald cultureel gewenst gedrag moet vertonen. Om dat voor elkaar te krijgen, zou iedereen eigenlijk het zelfde onderwijs moeten krijgen, dat werkt uniformerend. Dat vereist afschaffing van zowel het islamitische als het christelijke onderwijs.” Toch hoeft cultuurverschil geen wezenlijk probleem te zijn, volgens Buruma. “In de VS gaan ze daar niet zo angstig mee om. Er zijn talloze buurten in de Verenigde Staten en in Engeland waar mensen leven alsof ze nog in Bangladesh zijn. In de Nederlandse analyses van het integratieprobleem worden klassenverschillen bovendien over het hoofd gezien. Het verschil tussen Hirsi Ali en de meeste vrouwen in de blijf-van-mijn-lijf huizen is dat Hirsi Ali afkomstig is van een hogere sociale klasse. Ze heeft aristocratische trekken. Het was makkelijker voor haar om zich los te maken van opgelegde tradities dan voor iemand die uit een dorp komt.”

Een Europese godsdienst

Buruma: “Het is te simpel om te denken dat met het oplossen van de conflicten in het Midden-Oosten de dreiging die uitgaat van de politieke islam zal verdwijnen. Een veel groter probleem dan de oorlog in Irak of het conflict in Palestina is de dreigende mislukking van de integratie van moslims in Europa. Veel in Europa geboren moslims hebben niet het gevoel dat ze erbij horen. Een frontale aanval op religie kan daarom geen oplossing zijn. Voor grote groepen moslims biedt het geloof houvast en gedragsregels. Het geloof biedt hen ook waardigheid. Het gaat erom dat deze grote groepen gematigde moslims zich thuis voelen in Europa. De Franse islamgeleerde Olivier Roy stelt dat de islam een Europese godsdienst is geworden die zich moet aanpassen aan de uitgangspunten van vrije democratie. Alleen dan is er kans op een vreedzame toekomst. Ook gematigde moslims kunnen in de toekomst kiezen voor geweld, maar die keuze hangt ten dele af van de manier waarop zij door het land waar ze geboren zijn behandeld zullen worden. En die keuze houdt weer verband met de keuze of men in Europa orthodoxe moslims accepteert als landgenoten.”

Gerelateerde artikelen