8 minuten

Jongeren & seks

Debat kinderporno en pedofilie

Niels Spierings reageert op het artikel van Erik van Ree over kinderporno, pedofilie en de tijdgeest in de zomereditie van de Helling

Een discussie over seks en jongeren aanzwengelen is gewaagd. In een tijdsgeest van ‘conservatief fatsoen en repressieve bescherming’ krijgen progressieve standpunten weinig ruimte in het debat. Terecht stelt Erik van Ree dan ook dat de redelijkheid in de discussie over de zedelijkheidswetgeving en kinderporno in het gedrang is (zomereditie De Helling 2008). Hieronder zou de wetgeving lijden en Van Ree ziet alleen reden om de productie van kinderporno strafbaar te stellen. Ik denk dat het bezit van kinderporno redelijkerwijs deels wel strafbaar te stellen is. Ook spreekt Van Ree over kinderen als seksuele wezens en hoe zij beperkt worden in hun ontplooiing door de huidige zedelijkheidswetgeving. Inderdaad, kinderen zijn seksuele wezens. Voor hun ontwikkeling lijkt echter niet zozeer de huidige zedelijkheidswetgeving het probleem, maar juist het repressieve discours en de taboes. Dit is te doorbreken door meer aandacht te besteden aan seksuele vorming.

Gestolen integriteit

Van de jongeren tussen de 15 en 17 heeft 42% geslachtsgemeenschap gehad en sinds Freud weten we dat kinderen zich al heel vroeg seksueel beginnen te ontwikkelen. Toch associëren we seks niet met jongeren. We houden de seksualiteit van jongeren liever onzichtbaar. Zo is volgens de huidige wetgeving het maken van een afbeelding van een jongere onder de achttien jaar in een ‘onnatuurlijke’ pose of ‘seksueel getinte houding’ strafbaar. Volgens Van Ree werkt dit soort wetgeving taboeïsering in de hand en is uiteindelijk alleen maar schadelijk: taboeïsering leidt tot frustratie en het belemmert de ontwikkeling van jongeren. Van Ree pleit daarom voor minder verboden op kinderporno. Bescherming zou ook te waarborgen zijn als het produceren van kinderporno alleen verboden is als het gepaard gaat met schade, misleiding of dwang.

Hoe zit het dan met de verspreiding en het bezit van kinderporno? Laten we aannemen, zoals Van Ree beargumenteert, dat de verspreiding niet bijdraagt aan misbruik. In dat geval verdwijnt de praktische reden om de verspreiding en het bezit van kinderporno te verbieden. Ook wijst Van Ree terecht op de onwenselijkheid van het bestraffen van gedachten en fantasieën. Hieronder zal ik echter laten zien dat de productie en ook het bezit van sommige kinderporno wel degelijk strafbaar te stellen is.

Welke kinderporno strafbaar te stellen zou niet moeten afhangen van het eindproduct (Hirsch Ballin) of het doel van de productie (Van Ree), maar van de ontstaansgeschiedenis. Aan welke afbeelding ligt een strafbaar feit direct ten grondslag, dat is de hamvraag. Daarbij is het onbelangrijk of we te maken hebben met kunst, of de afbeelding een educatief of privé doel heeft, of dat de pose onnatuurlijk is. Alleen het vastleggen van een bij wet verboden handeling of pose zou strafbaar moeten zijn. Het maken van een voorstellingen voortkomend uit fantasie of verbeelding valt binnen een democratie buiten het domein van staatsinterventie: burgers zijn vrij hun gedachten en gevoelens te uiten.

Bij strafbare kinderporno wordt de lichamelijke integriteit geschonden. Als jij (of je camera) daarbij aanwezig bent en je daarvan een schilderij, foto, video of tekening maakt, dan neem je deel aan het proces waarbij de integriteit van de jongere wordt geschonden. In de meeste gevallen weet je (of had je kunnen weten) dat er iets niet in de haak was. Het lijkt me dan absoluut niet onredelijk om het vastleggen van een schending van lichamelijke integriteit strafbaar te stellen (met uitzondering van bewakingscamera’s). Je neemt namelijk deel aan het proces van schending.

Als we deze gedachtelijn volgen is het strafbaar om een foto te maken van een seksuele handeling met een minderjarige, dit is namelijk in de zedelijkheidswetgeving verboden. Het maken van een foto met daarop een minderjarige in een seksuele houding die vrijwillig poseert zou echter niet strafbaar moeten zijn. Het schilderen van een seksuele handeling met een minderjarige vanuit de verbeelding is niet strafbaar. Wordt een minderjarige misleid tot het poseren in een seksuele houding, resulterend in een schilderij, dan zou er wel sprake zijn van een strafbaar feit. Met andere woorden, de zedelijkheidswetgeving bepaalt wat strafbaar is en daar vinden we de waarborgen tegen misbruik. Wetten omtrent kinderporno moeten gegrond zijn in de zedelijkheidswetgeving, niet nog eens extra belemmeringen aan jongeren opleggen.

Als bij de productie van een bepaald stukje kinderporno de lichamelijke integriteit van iemand wordt afgenomen (eventueel aangevuld met inbreuk op de privacy en het portretrecht), dan is het verspreiden, aanschaffen en gebruik daarvan vergelijkbaar met heling. Een consument die had kunnen vermoeden dat het strafbare kinderporno betrof is strafbaar te stellen. Die consument ‘koopt’ met de afbeelding namelijk een stukje integriteit waarover de verkoper wel het bezit, maar niet het eigendom heeft.

Behalve dit theoretisch ‘heling van integriteit’-argument, is er ook praktisch gesproken iets te zeggen voor dit beperkte verbod. In tegenstelling tot een totaal verbod op het bezit en gebruik van kinderporno (Hirsch Ballin), zal een beperkt verbod het taboe van jongeren als seksuele wezens verminderen. Geseksualiseerde afbeeldingen van jongeren zullen namelijk meer zichtbaar zijn in de publieke ruimte (denk aan kunstwerken en educatief materiaal). Tegelijkertijd heeft een beperkt verbod een mogelijk voordeel ten opzicht van het geheel vrijstellen van het bezit en gebruik van kinderporno (Van Ree). Het kan het aantal verbodsschendingen en vooral de schade aan kinderen doen afnemen. Zonder strafbaar te zijn kan iedereen gebruik maken van legaal materiaal en zullen mensen wellicht minder snel de stap maken naar illegaal materiaal.

Kortom, een verbod op zowel de productie als het bezit van sommige vormen van kinderporno lijkt redelijkerwijs te rechtvaardigen, zolang het zich richt op de bescherming van jongeren hun lichamelijke integriteit en niet op het deseksualiseren van jongeren. Daarbij komt de vrijheid van gedachten of fantasieën niet onder druk te staan.

Machtsongelijkheid

De strafbaarheid van kinderporno zou af moeten hangen van de zedelijkheidswetgeving, dus zal ik ook ingaan op Van Rees standpunt over leeftijdsgrenzen. Tot welke leeftijd zouden seksuele handelingen verboden moeten zijn? Zoals gezegd hebben ook kinderen seksuele gevoelens. Dit is iets dat ‘we’ liever niet horen; het tast de onschuld van het kind aan. We verbergen het. Toch denkt het merendeel van de minderjarige jongeren (16-) positief terug aan hun eerste seksuele ervaring. Dit betekent natuurlijk niet dat we accepteren dat er nog steeds jongeren schade ondervinden. Zo blijkt uit onderzoek van De Graaf e.a. dat er bij één op de drie meiden die voor hun veertiende geslachtsgemeenschap hadden sprake was van dwang of overhalen. Zonder leeftijdsgrenzen in de wetgeving zouden deze ‘overhaal’-gevallen moeilijk strafbaar zijn.

In de huidige context van taboe en deseksualisering van jongeren is het begrijpelijk dat seksueel contact met zestienminners strafbaar is gesteld, zolang er sprake is van een redelijk vervolgingsbeleid. Seks met een zestienminner is verboden, maar als er sprake is van een affectieve relatie, het leeftijdsverschil beperkt is, en er geen sprake is van dwang dan vervolgt het OM niet. Zonder de leeftijdsbegrenzing zijn jongeren, net als alle anderen, wel beschermd tegen dwang en misbruik. Echter, zoals de ‘overhaal’-gevallen aangeven is er meer aan de hand. Onder een context van taboe is het moeilijk voor jongeren om hun beklag te doen. En we zien dat de jongeren vaak onderworpen zijn aan een machtsrelatie met de dader of dat de ouders/voogden afhankelijk zijn van de daders of zelf betrokken zijn bij het misdrijf. Kinderen zijn best in staat om hun gevoelens tot uitdrukking te brengen, maar in vergelijking tot volwassenen trekken ze onevenredig vaak aan het kortste eind van de machtsrelatie. In hoeverre is er onder die omstandigheden te spreken van vrijwillige seksuele contacten? En hoe leg je de gevallen bloot waarbij sprake is van dwang? Dat is nu juist het probleem dat bescherming legitimeert.

Het opnemen van een verbod op seksuele contacten met jongeren onder de zestien geeft het OM de nodige ruimte: ze kan in actie komen tegen misbruik waarbij de betrokkenen het misbruik niet (durven te) erkennen. Zolang deze wetgeving gepaard gaat met redelijk vervolgingsbeleid, beschermt het jongeren en is er enige vrijheid voor seksuele ontplooiing van voortvarende jongeren.

Van Ree wijst wel terecht op hoe deze wetgeving taboes ondersteunt. Wetten die jongeren beschermen tegen misbruik en schade zijn nodig. Die wetten belemmeren voor een deel ook de seksuele ontwikkeling van jongeren en daar moet een oplossing voor komen. Dat betekent echter niet dat we de wettelijke bescherming moeten afschaffen, maar dat we de ontwikkeling van jongeren moeten ondersteunen. We moeten zorgen voor seksuele vorming en weerbaarheid in de zin van kennis, houding en gedrag. Jongeren zouden op neutrale wijze kennis moeten maken met de verschillende mogelijkheden rond relaties en seks. Wat is genot? Wat zijn de gevaren? En hoe bepaal ik zelf mijn grenzen? We moeten toe naar een recht op seksuele vorming. Een recht dat vorm kan krijgen in alle lagen van het onderwijs, waarbij de inhoud wordt toegesneden op de leefwereld van de kinderen. Het recht op seksuele vorming maakt seksualiteit bespreekbaar en gaat de taboeïsering tegen.

Pas als de machtsverhouding zijn veranderd en jongeren seksueel assertiever zijn, lopen jongeren minder risico’s en lijkt een redelijke discussie over leeftijdsgrenzen opportuun.

Kortom, er is evenwicht in de bescherming van jongeren en de ontplooiing van hun seksualiteit. Om dit evenwicht te bereiken is niet de huidige zedelijkheidswetgeving het probleem, maar het repressieve discours en de taboes. Daarom moeten we inzetten op de seksuele vorming van jongeren. Jongeren moeten in staat zijn zelf weloverwogen keuzen te maken en zodoende zullen ze minder schade ondervinden.

Kinderen zijn seksuele wezens. Het taboe om hierover te spreken, met alle negatieve gevolgen van dien, is moeilijk te doorbreken. Het enige wapen hiertegen is een redelijke, gefundeerde en genuanceerde discussie, waarin kinderporno, de zedelijkheidswetgeving en seksuele vorming met elkaar verbonden zijn. Een discussie die de pure repressie in twijfel durft te trekken. Dit betekent echter niet dat daarmee alle restricties op seks door en met kinderen als sneeuw voor de zon moeten verdwijnen. Het betekent evenmin de hekken open gooien voor misbruik en mishandeling. Het gaat om evenwicht tussen democratische waarden zoals de vrijheid van gedachtegoed, de vrijheid in kunstuitingen, de seksuele ontplooiing van kinderen, de zelfbeschikking over het lichaam en de bescherming van jongeren tegen seksuele schade.

Literatuur:

- H. de Graaf, S. Meijer, J. Poelman, I. Vanwesenbeeck, Seks onder je 25e, Delft: Eburon.
- Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden, artikelen 7.1, 7.3 en 11.
- E. van Ree, ‘kinderporno, pedofilie en de tijdgeest’, in: de Helling, 2008, no.2, pp. 8-13.

Niels Spierings schreef dit artikel op persoonlijke titel.

Gerelateerde artikelen