10 minuten

Kennis is kostbaar

Kennis is een gemeenschappelijk ‘bezit’ dat gedijt bij zoveel mogelijk uitwisseling. Hoe meer mensen er toegang toe hebben, hoe beter het is. Je kunt kennis dus goed als een ‘gemeen goed’ verstaan. Maar door het privatiseren van kennis dreigt slechts een kleine groep van kennis te profiteren.

Intellectueel eigendom is een verzamelnaam voor al die formele en informele regels die de omgang met kennis regelen. Tezamen bepalen deze regels wie zich voor een tijdje de rechtmatige ‘bezitter’ mag noemen van het gewichtigste materiaal dat mensen tot hun beschikking hebben: het menselijk vernuft. Juridisch gezien vallen zaken als het patentrecht, het auteursrecht, het merkenrecht of het databankenrecht allemaal onder het hoofdje ‘intellectueel eigendom’.

De laatste jaren hebben een groeiend aantal juristen, economen en filosofen betoogd dat de ‘privébezitters’ van kennis te veel privileges verzameld hebben en dat hierdoor het zicht is vertroebeld op wat voor een goed kennis is en hoe het tot stand komt. Volgens deze critici vormt kennis een complex ecosysteem, dat beter onder het beheer van de commons kan worden gebracht dan in afzonderlijke stukjes bezit te worden opgesplitst.

 

Toen economen, juristen en ambtenaren het concept ‘intellectueel eigendom’ ooit bedachten, hadden ze twee doelen voor ogen. Ze zochten naar manieren om kunstenaars, wetenschappers of ontwerpers voor hun creaties te belonen en ze poogden de verspreiding van hun vondsten te bevorderen. De redenering achter het concept was grofweg als volgt: wie nieuw, creatief en waardevol werk eigendomsrechtelijk beschermt, voorkomt dat anderen buiten de toestemming van de ‘eigenaar’ om met diens vondst aan de haal gaan. Als ‘eigenaren’ van hun werk krijgen kunstenaars en wetenschappers, of degenen die hen vertegenwoordigen, een kans de markt op te gaan en hun producten: een boek, een film, een melodie, een computerprogramma of een wetenschappelijke uitvinding, te verkopen. Zo sla je twee vliegen in één klap: de uitvinder wordt beloond en zijn of haar product wordt verspreid.

Het was onder voor- en tegenstanders van begin af aan duidelijk dat de eigendomtitels over producten van de menselijke geest slechts tijdelijk mochten worden verleend. Elke creatie of uitvinding diende na verloop van tijd in het publieke domein terecht te komen, waar iedereen er vrijelijk gebruik van kon maken.

 

Rentenieren

Vormde het verlenen van eigendomstitels inderdaad een goede stimulans om ideeën verder te ontwikkelen en zorgde het voor voldoende zekerheid en veiligheid voor de producenten? Men kwam al gauw tot de ontdekking dat het verlenen van eigendomstitels over producten van de menselijke geest constante en nauwkeurige finetuning vergt. Als het prijskaartje dat aan kennis of informatie hangt er te vroeg van af wordt gehaald, krijgen uitvinders of kunstenaars niet genoeg loon voor hun werk. Maar als je het prijskaartje er te laat van afhaalt, ontstaat het omgekeerde effect van wat men beoogt. Stel dat de verleende eigendomstitels tot ver over de dood van een uitvinder heen reiken. Dan komt de beloning niet bij de uitvinder of schrijver zelf terecht, maar bij diens erfgenamen, bijvoorbeeld familieleden, een stichting of een bedrijf. In plaats van uitvinders aan te sporen met nieuwe en betere producten te komen, worden de nabestaanden van uitvinders gesteund in hun wens zoveel mogelijk geld uit een reeds bestaand product te slaan. Daarmee lever je geen stimulans om nieuwe ideeën te ontwikkelen, maar een prikkel aan de nabestaanden om te gaan rentenieren. Wezenlijke kennis, waar anderen op voort kunnen bouwen, verdwijnt voor langere duur achter hekwerk en prikkeldraad.

In dat licht is het op z’n zachtst gezegd vreemd dat de rechten van de nabestaanden in zowel de VS als de EU onlangs met een flink aantal jaren zijn verlengd. Sommigen pleitten zelfs voor het invoeren van permanente eigendomsrechten. Dat is volledig in strijd met de redenen waarom het concept ooit is ingevoerd. Vernieuwingen op het gebied van kunst, muziek, literatuur of wetenschap komen niet van dode maar van levende mensen. Met dit soort eigendomstitels steunt men niet de bevordering van kennis maar de privébelangen van nabestaanden en grote bedrijven. Het leidt tot wat een criticus een enclosure of the commons noemde (Boyle, 2008), het privatiseren van gemeenschapsgoed.

 

Geïnspireerd

Een van de vragen die voortdurend in de discussie over intellectueel eigendom terugkomt is hoe hard de notie van eigendom mag zijn als het om producten van de geest gaat. Het hele idee dat je de ‘eigenaar’ van je scheppingen bent en daar willekeurig over mag beschikken valt moeilijk te rijmen met het feit dat kennis voortdurend aanraking met andere kennis nodig heeft. Creativiteit gedijt het beste in open omgevingen waar mensen vrij toegang tot kennis hebben en ongehinderd van elkaars inzichten gebruik kunnen maken.

Op het ogenblik dreigen steeds meer stukjes kennis te worden geprivatiseerd. In de ICT sector is bijvoorbeeld een ware patentoorlog ontstaan. Keer op keer blijkt dat patenten bestaande posities consolideren in plaats dat ze de ontwikkeling van nieuwe kennis te bevorderen. Vandaar dat het belangrijk lijkt het eigendomsbegrip nog eens onder de loep te nemen. Wetenschappers, kunstenaars of ontwerpers dienen zeggenschap te behouden over hun creaties en vondsten, ze horen ervan verzekerd te zijn dat deze niet gestolen worden, ze moeten hun onkosten kunnen vergoeden en mogen een redelijke beloning verwachten voor de risico’s die ze nemen. Als aan die voorwaarden is voldaan moeten hun creaties echter vrij in het publieke domein kunnen circuleren, zodat anderen er mee verder kunnen.

Niet alleen kan het misleidend zijn de analogie tussen intellectueel en materieel eigendom te ver door te voeren, hetzelfde geldt voor de aanname dat kennis zich verspreidt volgens de economische logica van de markt en uitvinders alleen om materiële beloningen zouden geven. Zoals een econoom onlangs opmerkte over een boek dat hij geschreven had, “it was my vanity (..) and the encouragement [of others] that prompted me to write (..), not the prospect of rewards to my distant heirs.” (Citaat uit John Kay, 2011.) Veel mensen in creatieve beroepen zijn niet zozeer op geld voor zichzelf of hun nabestaanden uit, als wel op eer en erkenning van hun werk. Ze kopen niet alleen producten van anderen, ze worden door het werk van anderen geïnspireerd en beïnvloed.

Vandaar dat het belangrijk is ook op de niet-commerciële kanten van het kennisproces te letten. Zeker, wetenschappers, kunstenaars of ontwerpers moeten economisch van hun werk kunnen rondkomen, maar er is een breed scala motieven, variërend van voldoening in je prestaties tot dankbaarheid of geldingsdrang, die hen tot lang voorbij de gewone kantooruren aan het werk houdt –en dat dikwijls tegen een lage materiële vergoeding. Verdienmodellen zijn belangrijk, maar er is een breder en complexer verhaal over ‘prikkels’ nodig als we omgevingen willen creëren waarin wetenschap, kunst en cultuur gedijen kunnen en innovatie in plaats van bezitsaccumulatie gestimuleerd wordt.

 

Opknippen

Naast vragen over de toepasselijkheid van het eigendomsprincipe en discussies over prikkels die tot waardevolle innovatie drijven is er een derde kwestie die herhaaldelijk in debatten over intellectueel eigendom aan de orde kom: is het wel verstandig kennis onder het beheer van de commons te brengen? Goederen in het publieke domein worden dikwijls slecht beheerd. Denk aan de oceanen die van iedereen en niemand zijn en dus leeggevist worden. Of denk aan luchtvervuiling of de ontbossing van de wouden. Pas als dergelijke goederen een particuliere eigenaar krijgen, zo lijkt het, bestaat er een kans dat ze efficiënt beheerd worden.

Er vallen drie kanttekeningen te maken bij de claim dat goederen in het publieke domein slecht onderhouden worden.

Zoals ook in verscheidene andere artikelen in dit nummer wordt betoogd, klopt het verhaal ten eerste empirisch niet. Er verschijnen steeds meer studies over commons die vaak eeuwenlang succesvol zijn beheerd.

Ten tweede is het misleidend te denken dat alleen gemeenschappelijk bezit tot tragedies leidt. Er bestaat ook zoiets als een tragedy of the anticommons (Michael Heller, 2008). Gemene gronden kunnen inderdaad door wanbeheer leeg gegraasd en kaal gevreten worden, maar opdeling in privaatbezit kan net zo goed tot inefficiënties leiden. Onlangs verdween een nieuw medicijn tegen Alzheimer in de kast, omdat onderzoekers op een ondoordringbaar woud van patenten stuitten. Hiphop, een muziektraditie die van sampelen een kunst heeft gemaakt, ondervindt constant hinder van het auteursrecht. De kredietcrisis van 2007 was mede het gevolg van het feit dat economische risico’s via complexe financiële producten over zoveel eigenaren werden verspreid, dat niemand zich voor de oplopende schulden verantwoordelijk voelde en banken er op los konden speculeren. Concentratie van bezit is niet goed, maar het eindeloos opknippen ervan ook niet.

Ten derde is kennis een grondstof die in waarde toeneemt als je er veel gebruik van maakt. Vandaar dat economen kennis een ‘non-rivaliserend goed’ noemen. Materiële goederen zijn schaars, zodat bij de verdeling en het gebruik ervan automatisch rivaliteit ontstaat. Op is immers op. Voor kennis geldt dat niet. In gedigitaliseerde vorm kunnen mensen op verschillende plaatsen in de wereld tegelijkertijd van de nieuwe inzichten gebruik maken en het fonds van de kennis verder uitbreiden zonder dat het gebruik door de één ten koste van de ander gaat.

 

Laagdrempelig

Systemen van privaatbezit zijn als het ware uitgevonden om er voor te zorgen dat mensen zuinig met schaarse goederen omgaan. Als er een nijpend tekort aan een bepaalde grondstof ontstaat, is het verstandig er een hek omheen te zetten. Maar als er een tekort aan kennis ontstaat, is een hek er omheen zetten juist het domste dat je kunt doen. Kennis is geen schaars goed. Het is laakbaar als mensen op de inzichten van anderen parasiteren of hun vondsten overnemen zonder hun naam te noemen. Het is verwerpelijk als vernieuwers geen eer en erkenning krijgen van hun werk. Het is belangrijk dat makers voor hun werk financieel beloond worden. Maar los daarvan moet kennis voortdurend onderzocht, getoetst, gekopieerd, gedownload, geïntegreerd, gemengd en onderhanden genomen worden om te kunnen groeien.

Copyright of patentrecht mogen dat proces niet in de weg staan. Vanuit het oogpunt van de ontwikkeling van de kennis dienen ze tot een minimum beperkt te worden. Economisch gesproken mogen de kosten van bescherming van intellectueel eigendom nooit hoger uitvallen dan de kosten die nodig zijn om te voorkomen dat uitvinders vanwege een lage beloning en gebrek aan erkenning hun werk niet doen of hun producten niet prijsgeven.

De standaardsituatie hoort dan ook te zijn dat kennis tot de commons behoort en slechts bij uitzondering en dan alleen tijdelijk geprivatiseerd wordt. Het grootste gevaar is immers niet dat kennis overbenut, maar onderbenut wordt – dan ontstaat een tragedy of the anticommons. De toegang tot kennis dient om die reden zo laagdrempelig mogelijk te zijn. Hoe meer ideeën onderling gemeenschap met elkaar hebben, hoe beter dat doorgaans voor mensen is –dat geldt zowel voor het voortbrengen van goede ideeën als het uitdrijven van slechte.

Het romantische plaatje van kunstenaars of wetenschappers die in totale afzondering iets nieuws en briljants bedenken doet geen recht aan de manier waarop kunstenaars en wetenschappers voortdurend op elkaar reageren en van elkaars inzichten gebruik maken.

 

Kennisfront

Er wordt veel onderzoek gedaan naar hoe je de functies van het concept van intellectueel eigendom kunt behouden zonder dat de geproduceerde kennis voor langere tijd privé wordt. Men zint op de mogelijkheden van efficiënt kennisbeheer in diverse commons, men tracht de zeggenschap van auteurs over hun producten te regelen zonder deze tot eigendom te verheffen, men probeert bij het creëren van innovatieve omgevingen te leren van samenwerkingsverbanden tussen kennisproducenten en kennisconsumenten die buiten de markt en de staat om zijn ontstaan, men experimenteert met nieuwe verdienmodellen en tracht het potentieel van de nieuwe technologische mogelijkheden zoals internet en de digitaliseerbaarheid van kennis beter uit te buiten. En last but not least voert men actie tegen kennismonopolisten zoals uitgeverij Elsevier, van wie het privébelang niet het algemeen belang ten goede komt.

Er is, kortom, van alles gaande aan het kennisfront. Van copyrights tot patenten, van het merkenrecht tot het databankenrecht – overal worden intellectuele eigendomsregimes onderhanden genomen. Te lang hebben we ons bij de ontwikkeling van kennis laten leiden door de gedachte dat kennis exclusief moet zijn. Alleen privaatbezitters zouden zorgvuldig met kennis kunnen omgaan en de risico’s van het ontwikkelen van nieuwe kennis willen dragen. Onderzoek toont aan dat dit beeld niet klopt. Kennis is kostbaar, maar ‘kostbaar’ is niet hetzelfde als ‘exclusief’. De kunst is die kosten zo op te brengen en te verdelen dat kennis inclusief in plaats van exclusief wordt. Het is de enige grondstof waarvan de waarde toeneemt naarmate je er meer gebruik van maakt.

 

Literatuur

James Boyle, The Public domain. Enclosing the Commons of the Mind, University Press, Yale 2008.

John Kay, “The difficult balance of intellectual property”, Financial Times, 23 maart 2011, 11.

Michael Heller, The Gridlock Economy: How Too Much Ownership Wrecks Markets, Stops Innovation, and Costs Lives, Basic Books, 2008.

Gerelateerde artikelen