9 minuten

Kosmopolitisme is onvermijdelijk

Interview met Kwame Appiah

Kosmopolitisme hoort bij een wereld waarin mensen wereldwijd steeds meer van elkaar afhankelijk zijn, meent de filosoof Kwame Appiah. Het gaat hem om een levenshouding, niet om een superstaat met een wereldregering. "Kosmopolitisme gaat heel goed samen met patriottisme." 

“We moeten opnieuw uitvinden hoe we met elkaar willen samenleven. Denken in termen van naties, stammen en volkeren helpt daar niet bij. We moeten ons bekommeren om onze medeburgers, beginnend bij de woonplek.” Kosmopolitisme is de nieuwe houding die de filosoof Kwame Antony Appiah aanbeveelt voor de globaliserende wereld. En als iemand een kosmopoliet is, dan is hij het wel. Appiah (1954) groeide op in Kumasi, Ghana, als kind van een Britse moeder en een Ghanese vader. Hij studeerde in Engeland en op dit moment is hij hoogleraar aan het prestigieuze Princeton University de Verenigde Staten, zijn vierde leerstoel op een rij. Appiah schreef boeken over Afrikaanse filosofie, gender en multiculturalisme. In Cosmopolitanism, zijn nieuwste boek, betoogt hij dat we meer met elkaar moeten praten. Want door de globalisering is de mensheid definitief tot zichzelf veroordeeld geraakt. Appiah is even op doortocht in Amsterdam, waar hij, om zijn kosmopolitische betoog kracht bij te zetten, de zogenaamde Globaliseringslezing geeft.

“We zijn steeds meer van elkaar afhankelijk, onze levens beïnvloeden elkaar, waar ter wereld we ook verblijven. We zijn verbonden door vliegtuigen, boten en treinen, door mensen, ideeën en andere dingen die reizen, zoals goederen en ziekten maar bijvoorbeeld ook door klimaatverandering en de mondiale economie. Toen het kosmopolitisme vijfentwintig eeuwen geleden in Griekenland werd uitgevonden, kenden de wereldbewoners elkaar niet. Nog steeds bestaan er groepen die zich afzonderen, dat geeft ook niet, maar ik geloof niet dat een dergelijke opstelling uiteindelijk werkzaam is, gezien de wereldwijde arbeidsdeling die ontstaat en de voortdurende stroom van vluchtelingen en illegalen. Neem bijvoorbeeld de vogelgriep. Doordat we zoveel met elkaar te maken hebben, verspreidt die ziekte zich snel.”
Het kosmopolitisme van Appiah is vooral een houding, ‘een vorm van burgerschap’ die niet alleen onvermijdelijk is, maar ook heel behulpzaam kan zijn. Of mensen kosmopoliet kunnen worden is een kwestie van temperament. “Een Nederlander die de wereld rondreist, kan nog steeds overal zijn land meenemen. Alleen nieuwsgierigheid leidt tot een kosmopolitische levenshouding.” Het gaat Appiah erom dat je inzicht wil hebben in de ander en probeert te begrijpen hoe een ander denkt en voelt. Kosmopolitisme gaat over het erkennen van culturele verschillen.

Is uw kosmopolitisme niet voorbehouden aan de happy few, de slimmen en welvarenden?
“Kosmopolitisme beperkt zich helemaal niet tot rijke mensen, het komt overal ter wereld bij de meest uiteenlopende mensen voor. Wat mij opvalt is hoe wendbaar de mens is. Mensen zijn wonderbaarlijk goed in staat te veranderen. Hun identiteit past zich aan de omstandigheden aan. Wel is het zo dat hulpbronnen belangrijk zijn: denk aan leefomstandigheden, aan arbeid, het spreken van meerdere talen of het bekijken van (meer) buitenlandse films. Mensen veranderen moeilijk als hun economische en politieke omstandigheden niet veranderen.”

Wat was de aanleiding voor uw boek met dit pleidooi?
“Terwijl we deze planeet steeds meer met elkaar delen en het daardoor belangrijker wordt dat we elkaar goed begrijpen, zie ik het tegenovergestelde gebeuren. Politieke leiders begrijpen niet wat er in de wereld en in hun eigen land aan de hand is. De Bush-regering legde een verband tussen terrorismebestrijding en het voeren van oorlog in Irak terwijl die twee weinig met elkaar te maken hebben. Blair sprak moslimleiders aan als verwanten van de mannen die de aanslagen pleegden op het Londense openbaar vervoer. Dat ze dezelfde religie beleden als de daders was voor hem voldoende om de gehele moslimgemeenschap collectief verantwoordelijk te houden. De Franse regering dacht lange tijd dat het voldoende was migranten consequent ‘staatsburger’ te noemen terwijl hun specifieke problemen volstrekt werden genegeerd; is het vreemd dat die migranten terugspuugden? Het gebrek aan nieuwsgierigheid, het vertrekken vanuit de eigen beperkte beleving van de wereld is het grote probleem.”

Heeft een welwillende kosmopoliet wel kans in een strijd tegen slimme machthebbers?
“Kosmopolitisme zorgt ervoor dat politici het moeilijker krijgen. Hoe meer mensen zich in elkaar verplaatsen, des te lastiger het wordt om eenzijdige uitspraken te doen. Alleen machtsmisbruik aanpakken is niet genoeg. We moeten meer om de mensheid geven. Dat geldt bij uitstek voor een machtig land als de Verenigde Staten. De Verenigde Staten mengen zich liever niet in buitenlandse aangelegenheden. Daarom is wat er nu gebeurt in Irak zo verschrikkelijk. Het maakt wederzijds begrip tussen de Verenigde Staten en de rest van de wereld nog moeilijker dan het al is. Bush is een gekozen politieke leider. Macht en tegenmacht is een uitstekend principe om de verhoudingen te reguleren. Maar het is onvoldoende om tot inzicht te komen. Je hebt nog iets anders nodig. Dat andere is kosmopolitisme. Dat komt dus niet in de plaats van machtsstrijd, het komt er bovenop.”

Hoe word je een goede kosmopoliet?
“Je wordt geen kosmopoliet door veel boeken te lezen of veel te reizen. Het gaat om het hebben van daadwerkelijk contact met anderen, om met elkaar praten. Ik bedoel met praten niet het bereiken van overeenstemming, dat hoeft niet. Praten kan ook het gevoel van onenigheid verder aanwakkeren, en soms kan dat goed zijn. Behalve praten is het ook goed om samen dingen te doen. Contact vergroot het inzicht in de redenen voor culturele wrijving.

“In de Amerikaanse binnensteden zijn veel winkeltjes die gerund worden door Aziaten. Zij hebben de gewoonte om wisselgeld niet in de hand te geven maar op de toonbank te kwakken. Voor sommigen voelt dat als beledigend. Klanten denken dat Aziaten hen niet willen aanraken. Maar die gedachte zit helemaal niet achter dat gedrag. Contact voorkomt misverstanden.

“Wat nu vaak aan de hand is, is dat mensen alleen samenkomen om over problemen te spreken, maar dan is het voor beide eigenlijk te laat. Dan gaan ze al snel onderhandelen over oplossingen in plaats van elkaar vragen te stellen. Het gesprek moet altijd al gaande zijn, het delen van de publieke ruimte moet het uitgangspunt zijn.”

Op welke terrein liggen de grootste culturele wrijvingen?
“Seks, dat is een mijnenveld. De opvattingen daarover zijn zo verschillend dat overeenstemming onmogelijk is. Kijk bijvoorbeeld naar de verschillen in opvatting over seksualiteit van veel moslims en de westerse cultuur waarbij vrije seks benadrukt wordt. De oplossing is om minder bang te zijn voor seks. Maar praten over seksualiteit is erg moeilijk. Denk ook aan de bestrijding van aids. Als je daarover met religieuze leiders spreekt, moet je eerst overeenstemming bereikt hebben over het feit dat mensen seks voor het huwelijk hebben en dat ze ontrouw kunnen zijn. Dat is nogal wat. Je hebt het dan niet meer alleen over aids maar ook over belangrijkste religieuze beginselen. Je moet dus het gesprek aangaan op elk moment en elke gelegenheid dat het kan. Bij seksualiteit denk ik dan aan het onderwijs, bijvoorbeeld in het kader van seksuele voorlichting.”

In Nederland gaat het integratiedebat de laatste tijd vooral over de religieuze identiteit van migranten. Die religieuze identiteit zou de oorzaak zijn van veel aanpassingsproblemen.
“Er is wat religie betreft een groot verschil tussen Europa en de Verenigde Staten. In Europa hebben politieke en publieke elites problemen met moslims omdat ze een probleem hebben met religie. Kerk en staat behoren immers gescheiden zijn. Religie is iets voor thuis. De Verenigde Staten kennen dat probleem niet. Daar gaat de president zelfs voor in het gebed.

De kosmopoliet is loyaal aan meerdere gemeenschappen. Is dat niet strijdig met het idee je je maar met één staat tegelijk kunt identificeren?
“Onze belangrijkste sociale identiteit is niet langer de dorpsidentiteit. We weten al eeuwen wat het is om ons te identificeren met groepen in steden, metropolen en naties: we zijn New Yorkers én Amerikanen. Maar je identificeren met mensen uit andere werelddelen is veel lastiger. Je kunt niet met iedereen op voet van vertrouwdheid staan. De relaties tussen staatsburgers zijn onvermijdelijk relaties tussen vreemden. Nationaliteiten worden bijeengehouden door taal, wetgeving en literatuur, door verhalen over gebeurtenissen die ze gezamenlijk ervaren. Het grote verschil met vroeger is – met name door democratisering – dat mensen nu bijeengehouden worden door een verhaal waarin zijzelf en niet goden, koningen of helden de hoofdrol spelen. In historisch opzicht vind ik de nadruk op het politieke van de staat belangrijker dan de focus op de natie als culturele gemeenschap. Ik beschouw de natiestaat vooral als een middel om bepaalde rechten te garanderen. Onze verplichtingen naar anderen kennen wel een zekere orde. We houden over het algemeen meer van onszelf, onze familie en vrienden dan van de natie, of van de vele groepen die een beroep op ons doen. Maar het is dus nooit het een of het ander.”

U kiest in uw boek bewust voor het kosmopolitisme. Nationalisme vindt u achterhaald, omdat het uitgaat van een homogene samenleving. Ook bij het multiculturalisme plaatst u vraagtekens. Bedoelt u daarmee dat er behalve een nieuwe moraliteit ook een nieuw verhaal over de samenleving nodig is?
“De kosmopoliet neemt de nationale identiteit zeer serieus. Het kosmopolitisme is uitstekend verenigbaar met patriottisme. Patriottisme moet echter niet verward worden met nationalisme. Het nationale verhaal schept verbondenheid door het goede wat wij doen af te zetten tegen het slechte wat de ander doet. Voor een nationalist is het kosmopolitisme te abstract, omdat niet duidelijk is met wie je je dan verbonden moet voelen, en hoe dat moet. Zo kijken lokale gemeenschappen vaak ook tegen het nationale aan – het is te abstract voor ze. Mijn kosmopolitisme gaat daarentegen over een houding die het mogelijk maakt in de praktijk – waar ook ter wereld – beter te leren omgaan met verschillen tussen mensen.”

Horen er bij uw kosmopolitisme ook nieuwe politieke instituties?
“Ik geloof niet dat er nieuwe instituties, zoals een wereldregering, nodig zijn. Kosmopolitisme gaat niet over het maken van een superstaat. Een wereldregering leidt al snel tot ongecontroleerde macht, is weinig ontvankelijk voor lokale aangelegenheden en beperkt wereldwijd de variatie aan politieke stelsels. Kosmopolitisme is bedoeld om uitwisseling mogelijk te maken, te praten en te verbinden. Dat werkt het beste in direct contact met anderen. Ik pleit daarom voor het verplaatsen van macht naar lagere politieke instituties. Zelf breng ik mijn stem uit voor het bestuur van de lokale middelbare school. Het is terecht dat ik die kan kiezen want daar gaat immers een groot deel van de belasting heen die ik afdraag. Voor dat soort dingen is geen nationale regering nodig. Regeringen brengen al genoeg problemen met zich mee.”

Richt het kosmopolitisme zich niet teveel op individuen in plaats van op groepen? Wie zich wil ontplooien en daarbij verzet ondervindt, kan zich beter verenigen. Dat wijst de geschiedenis van de sociale bewegingen uit. En zijn het anderzijds niet juist collectieven, zoals de staat of de kerk, die kosmopolitisme tegenwerken?
“Het probleem is dat die nadruk op het individu heel westers is. En je kunt eigenlijk niet van iemand eisen dat hij of zij een individu wordt. Toch geloof ik dat ieder mens ter wereld het uiteindelijk op prijs stelt om individuele vrijheden te hebben en zichzelf te ontplooien, los van de groep. Ik ben niet antisociaal, ik pleit voor een moreel individualisme. Een goede samenleving is een samenleving die goed is voor individuen. Als ik het over identiteit heb, bedoel ik de identificatie van individuen met gemeenschappen waarmee of waarbinnen ze kunnen werken. De staat is daarvoor het meest aangewezen kader. Het individu is uiteindelijk een sociaal wezen dat zich temidden van anderen ontwikkelt. De opleving van religieuze bewegingen is daarvan een goed voorbeeld. Wanneer mensen in deze tijd naar de kerk gaan, hebben ze niet alleen religieuze motieven. Het is primair een plek waar ze anderen ontmoeten. Wel neem ik onvrede waar met de huidige associatie van religie met conservatisme. Ik voorspel de afscheiding van een meer progressieve beweging, net als in de jaren zeventig, toen religie heel progressief was.”

Gerelateerde artikelen