10 minuten

Kritiek 1: Verbeelding

Het GroenLinks-programma mist een visie

Het GroenLinks-programma is op onderdelen origineel, verrassend, radicaal en gedurfd, maar mist een omvattende visie en het ontbreekt aan prioriteiten.

Het verkiezingsprogramma van GroenLinks doet dit jaar een gooi naar de originaliteitsprijs. In de strijd tegen vetten en suikers stelt GroenLinks voor jaarlijks een “Kok van het Goede Leven” te benoemen die ons de “lekkere en gezonde keuken” leert kennen. Om de woningnood in de Randstad op te lossen moet er een nieuwe stad komen: Ecovalley, “een fraaie, milieuvriendelijke stad, bijvoorbeeld in het gebied tussen Haarlem en Leiden”. En om van alle gezeur over de gekozen burgemeester af te zijn stelt het programma simpelweg: “De burgemeester kan worden afgeschaft. Zijn rol als voorzitter van het college wordt overgenomen door de wethouder van de grootste collegepartij.” Dergelijke speelse ballonnetjes staan natuurlijk tussen de serieuzere beleidsvoorstellen door. Niettemin tekenen ze het GroenLinks-programma: de verbeelding mag weer een kans krijgen.

Eerst maar eens de vraag: waaraan moet een goed verkiezingsprogramma eigenlijk voldoen? Drie eisen lijken me basaal: het moet wervend zijn, dus een lonkend perspectief bieden dat mensen kan motiveren en enthousiasmeren; het moet concreet zijn, dus aangeven wat gedaan moet worden en vooral ook hoe dat bereikt kan worden; het moet prioriterend zijn, aangeven wat voor de schrijvers echt belangrijk is in de komende verkiezingsstrijd en de eventuele formatie of oppositie. Deze eisen dienen zowel een extern doel (in de communicatie naar de kiezer) als een intern doel (in de communicatie naar andere partijen, ambtenaren, journalisten). Aan een lange opsomming van vage en daarmee vrijblijvende voornemens zonder enige onderlinge rangorde heeft niemand iets. The devil is in the details: politiek gaat vaak minstens zozeer over de keuze voor bepaalde middelen als over de gewenste doelen. Toen ik vier jaar geleden het waagde de verkiezingsprogramma’s van de zes grootste partijen te lezen (plus één boek, van Fortuyn) kwam ik in dit opzicht van een koude kermis thuis. En ook dit jaar maakt GroenLinks – en waarschijnlijk geldt hetzelfde voor de meeste andere partijen – het de welwillende lezer niet gemakkelijk.

Prioriteit

Het grootste probleem vormen de criteria ‘concreet’ en ‘prioriterend’. Het GroenLinks-programma stelt in het geheel geen prioriteiten: het is de bekende waslijst van voorstellen die allemaal worden geacht even belangrijk te zijn. Alleen al daardoor zijn veel van de voorstellen ook niet voldoende concreet om serieus te nemen, maar hebben eerder het karakter van vrome wensen dan van uitgedachte plannen: “er wordt snel en proportioneel gestraft”; “de samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten, politiekorpsen en gemeentebesturen [wordt] drastisch versterkt”; “wijken en buurten krijgen meer voorzieningen voor ontplooiing, ontmoeting en ontspanning”; “openbaar vervoer, auto en fiets sluiten beter op elkaar aan”, “Er worden ruim 400.000 nieuwe woningen gebouwd” et cetera. Niemand kan tégen dergelijke voornemens zijn, maar dat is nog iets anders dan een concrete strategie voorstellen om ze waar te maken. Waarom niet eens tien of vijftien voorstellen tot prioriteit verheffen en die grondig uitwerken in plaats van de nu 144 (!) losse programmapunten die nu elk drie of vier regeltjes krijgen toebedeeld? Dat zou een boekje opleveren dat tenminste nog een kans maakt door gewone stervelingen gelezen te worden (de rest kan dan plichtmatig op de website, voor diegenen die denken dat een dergelijke opzet tot het verwijt zou leiden dat de partij geen mening heeft over dit-of-dat onderwerp). Nogmaals: het GroenLinks-programma staat ook dit jaar waarschijnlijk weer niet alleen in dit euvel. Toch is dat geen reden het verzet bij voorbaat achterwege te laten. De communicatieve waarde van verkiezingsprogramma’s kan en moet in dit opzicht véél beter doordacht worden. Elke partij die de burger serieus zegt te nemen, is dat aan zichzelf verplicht.

Dan het wervend perspectief. Het valt op dat in het programma zelf geen poging wordt gedaan een dragende gedachte te formuleren, een visie op de samenleving die over de verschillende beleidsterreinen heen reikt en bindend werkt. Het zou bijvoorbeeld aardig zijn geweest te weten wat als het aan GroenLinks ligt het motto van een nieuw kabinet zou moeten zijn. Daar staat tegenover dat elk van de 10 hoofdstukken wel opent met een schets van een “ideale wereld” en daar de huidige praktijk tegen afzet. Toch doet het gemis aan een overkoepelend verhaal zich voelen. Natuurlijk kent het programma bekende GroenLinks-speerpunten: nadruk op (nationale en internationale) armoedebestrijding; nivellering van inkomens en vermogens; vrouwenemancipatie en een ontspannen combinatie van werk en zorg; biologische landbouw, duurzame energie en openbaar vervoer; tolerantie voor culturele diversiteit. Maar dat is nog iets anders dan een prikkelende rode draad.

Verrassend

Als ik zelf een interpretatiepoging zou moeten wagen en zo’n gedachte uit het programma zou moeten destilleren, springt – wellicht verrassend – het pleidooi voor de grotere rol van gemeenten eruit. Op tal van terreinen legt het GroenLinks-programma sterke nadruk op de gemeenten als de plaats waar problemen moeten worden benoemd en opgelost: bij het zorgen voor betaalbare woningen, bij het reorganiseren van het vmbo en mbo, bij de zorg voor voorzieningen voor gehandicapten, zieken en ouderen, etc. (ook de stellige afwijzing van een nationale politie past bij deze nadruk op het lokale). Het bordje van de gemeente wordt als we het GroenLinks-programma volgen daarmee wel overvol. Een expliciete algemene beschouwing over de vraag of de gemeenten deze taken aankunnen en of zij hiervoor anders ingericht moeten worden, ontbreekt echter. Dat is jammer. Pleit GroenLinks voor ‘de decentralisatie van Nederland’? Dat zou een wervend perspectief kunnen zijn – mits dan ook de gemeenten beter worden toegerust. Dat klemt temeer daar in het programma niet alleen over ‘rollen’ en ‘verantwoordelijkheden’ voor gemeenten wordt gesproken, maar ook over ‘verplichtingen’. Zonder omvattende visie riekt dit nog teveel naar het afschuiven van lastige dossiers naar het lokale niveau.

Laten we nu drie onderdelen uit het programma nader bekijken (ik beperk me hierbij tot de sociaal-economische hoek). Als eerste het hoofdthema van de komende verkiezingen: de AOW en de vergrijzing. GroenLinks kiest blijkens het programma voor het verhogen van de arbeidsparticipatie, met name voor vrouwen, maar ook voor het gedeeltelijk fiscaliseren van de AOW als oplossingsrichtingen. Het verhogen van de AOW-leeftijd voor iedereen wordt nadrukkelijk afgewezen. Hiermee tekent zich op het punt van de fiscalisering een overeenkomst af met de plannen van de PvdA (net als bij de andere twee “geldstromen van arm naar rijk”: de hypotheekrenteaftrek en de studiefinanciering) en een tegenstelling met CDA en VVD. Maar op het punt van de verhoging van de arbeidsparticipatie is er juist overeenkomst met de laatste twee en een tegenstelling met de PvdA. GroenLinks wedt hier dus niet op één paard en dat lijkt verstandig.

Radicaal

Een opvallend plan is verder om de AOW-leeftijd flexibel te maken en het aantal gewerkte jaren een rol te laten spelen. Een bouwvakker die op jongere leeftijd begonnen is met werken zou eerder met pensioen kunnen dan een advocaat die lang heeft doorgestudeerd. Tezamen met het voorstel voor het invoeren van een inkomensafhankelijke academicibelasting past dit plan in een trend om de investering van jonge mensen in zichzelf (door middel van studie) uitsluitend te zien als iets dat hén persoonlijk rendement oplevert, niet als iets dat ook de samenleving als geheel ten goede komt. De in studie gestoken jaren ‘tellen’ immers niet langer als onderdeel van iemands bijdrage aan de samenleving. Het is de vraag of daarmee aan jonge mensen het goede signaal wordt afgegeven.

De wens om de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen komt niet alleen voor in de passage over de AOW, ook elders, waar de combinatie van arbeid en zorg wordt besproken, figureert zij prominent. Daar is de inbedding het aloude emancipatie-ideaal en wordt gesteld dat het voor vrouwen gemakkelijker moet worden om te werken en voor mannen gemakkelijker om te zorgen. Zo wordt voor beiden een ontspannen combinatie van arbeid en zorg mogelijk. Het programma hinkt hier helaas in de concrete aanbevelingen wel op twee gedachten: het stelt dat “financiële voordelen voor traditionele gezinnen” moeten worden afgeschaft maar anderzijds ook dat verlofregelingen bedoeld dienen te zijn voor de zorg voor kinderen en vrienden/familie (en elders in het programma – bij “strijd tegen armoede” – wordt een pleidooi gehouden voor specifieke programma’s voor arme gezinnen met kinderen). Als het signaal moet zijn dat werken en zorgen (wat in de meeste gevallen betekent: een gezin onderhouden) op ontspannen wijze samen moet kunnen gaan, dan zijn specifieke maatregelen voor de groepen die deze combinatie in de praktijk brengen onvermijdelijk en zelfs gewenst. Daar zou GroenLinks dan ook voor uit moeten komen. Het is in ieder geval een grote stap voorwaarts dat ook Groen Links nu pleit voor het gratis maken van de kinderopvang. Men hoeft immers geen CDA’er te zijn om in te zien dat het krijgen en opvoeden van kinderen een publiek belang vertegenwoordigt (temeer in deze tijd van vergrijzing).

Een nog wat radicalere manier om het debat over de combinatie arbeid/zorg aan te scherpen – die juist van GroenLinks verwacht zou mogen worden – is een discussie over de lengte van de werkweek. Daar waar het CDA afgelopen maand in het nieuws kwam met het plan de 40-urige werkweek weer in te voeren, zou GroenLinks juist kunnen pleiten voor bijvoorbeeld een 30-urige werkweek. In plaats daarvan wordt nu min of meer hetzelfde indirect bepleit door te spreken over het bevorderen van deeltijdwerk in het algemeen en het invoeren van een ‘gedeeltelijk basisinkomen’ in het bijzonder. Dat laatste blijft helaas zonder duidelijke uitwerking.

Gedurfd

Dan is er het probleem van de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het GroenLinks-programma kiest niet voor bijvoorbeeld het verlagen van het minimumloon, maar zet wel in op grootscheepse belastingverlaging voor de werknemer met tegelijk loonkostenverlaging voor de werkgever. Dat is een opvallende keuze met onderscheidend vermogen ten opzichte van de andere partijen. Tegelijkertijd komt het programma toch ook weer uit bij het aloude recept van de Melkert-banen, met een voorstel voor een verplicht ‘participatiecontract’ tussen werklozen en gemeenten (na een jaar lang hogere WW), waarbij in ruil voor een uitkering op het niveau van het minimumloon wordt geparticipeerd. Die participatie kan plaatsvinden in de vorm van werk, of in “erkend vrijwilligerswerk, gesubsidieerd werk, combinatie van leren en werken of zorgen voor mensen in de buurt”. Daarmee wordt een duidelijk signaal afgegeven dat er meer manieren zijn om waardevol te zijn voor de samenleving dan alleen in een betaalde baan (een signaal dat zeker niet bij iedereen op instemming zal kunnen rekenen).

Saillant detail is dat het participatiecontract volgens het programma ook voor mensen in de bijstand zal gelden – GroenLinks is hier duidelijk de vrijblijvendheid voorbij; ja lijkt zelfs menig partij daarmee rechts in te halen. ‘Meedoen’ is geen keuze meer. Dezelfde investeringsgedachte blijkt bijvoorbeeld ook uit het plan om werknemers scholingsrechten toe te kennen, te betalen door de werkgever (dat laatste zal nog een hele kluif worden).

Uit deze en andere voorstellen blijkt dat voor GroenLinks de wending naar een ‘links-liberalisme’ met meer nadruk op ‘vrijheid’ als kernwaarde, altijd meteen gekwalificeerd wordt met beperkingen en randvoorwaarden. De harde kern van de filosofie van het huidige GroenLinks blijft weliswaar de persoonlijke zelfbeschikking, maar tegelijkertijd is sociale organisatie nodig om gelijke zelfbeschikking voor iedereen mogelijk te maken. GroenLinks zet ook daar zwaar op in. Zo figureren bijvoorbeeld prominent plannen voor discriminatiebestrijding en het afdwingen van evenredige vertegenwoordiging (naar sekse, leeftijd en etniciteit) in organisaties. De vinger wordt ook strak aan de pols gehouden van het bedrijfsleven: zie bijvoorbeeld het voornemen om middels “georganiseerde tegenstand van werknemers en verplichte opname van salarissen van topbestuurders in CAO’s” de zelfverrijking in het bedrijfsleven tegen te gaan en het voornemen om in de zorg een brede basisverzekering op publieke grondslag te organiseren, waarin “sociale verzekeraars zonder winstoogmerk” bij de uitvoering een centrale rol krijgen (dat betekent wel weer een stelselwijziging).

Maar misschien het meest karakteristieke voor de huidige worsteling tussen individuele zelfbeschikking en sociale organisatie is nog wel de oplossing die in het GroenLinks-programma wordt voorgesteld voor de segregatie in het onderwijs. Hier vinden we een pleidooi voor een systeem van inschrijflijsten voor scholen op basis van opleiding en inkomen van de ouders. Daarmee worden leerlingen van verschillende achtergronden verplicht gespreid. Tussen het blind vasthouden aan de vrijheid van schoolkeuze aan de ene kant en pleidooien voor de afschaffing van het bijzonder onderwijs aan de andere kant, houdt dit plan een zorgvuldig – zij het bepaald niet onomstreden – midden. Van dergelijke gedurfde en creatieve oplossingen zal GroenLinks het moeten hebben, als zij wil opvallen in een overvolle politieke arena temidden van het publicitaire geweld van de grotere partijen.

Gerelateerde artikelen