10 minuten

Laat emancipatie niet stollen in identiteit

Hoe maken we de samenleving inclusief?

Bij het streven van GroenLinks naar een meer inclusieve, sociale en duurzame samenleving past het de partij de oorspronkelijke betekenis van emancipatie van achtergestelde groepen te omarmen en zich verre te houden van identiteitspolitiek. Waar emancipatie streeft naar maatschappelijke verandering en gelijkwaardige opname van de groep in de samenleving, zet identiteitspolitiek zich nadrukkelijk af tegen anderen. Identiteit is in deze zin niets anders dan stagnerende emancipatie.
 

Emancipatie kent een individuele en een collectieve vorm. De oorspronkelijke betekenis luidt ‘verlossing uit slavernij’. In het oude Rome kon een enkele slaaf juridisch worden ‘geëmancipeerd’: hij werd dan vrij, en dus Romeins staatsburger.

Emancipatie met een hoofdletter stond in de negentiende eeuw voor de verlossing uit de slavernij in collectieve vorm, wat betekende dat heel het stelsel werd afgeschaft. Van deze politieke vorm liggen de wortels in Jeruzalem. Afschaffing van de slavernij is de politieke boodschap in de woorden van Mozes tot Paulus.

We kennen inmiddels verschillende emancipatieroutes van heel diverse groepen. Onder emancipatie ligt nu het ideaal ten grondslag dat aan ieder mens volwaardig burgerschap toekomt in economische, culturele, sociale en politieke zin. Dit wordt veroverd op bestaande vormen van achterstelling en discriminatie.

Emancipatie(beleid) gaat niet uit van concurrentie, maar van samenwerking tussen verschillende mensen en groepen, met politieke en maatschappelijke verandering als doel.

De verzuiling van Nederland was een van de eerste vormen van collectieve emancipatie, naast en in reactie op de socialistische emancipatie van de arbeidersklasse. Met name rooms-katholieken en gereformeerden organiseerden zich zo en vestigden daarmee hun politieke positie. Via scholing in eigen kring droeg de zuil daarnaast bij aan emancipatie van het individu. Het volwaardig burgerschap dat het product van emancipatie is, kon zo beleefd worden vanuit een katholieke en een gereformeerde omgeving, tot en met de politieke expressie in confessionele partijen op nationaal niveau.

Emancipatie en GroenLinks

In de voorgeschiedenis van GroenLinks zijn een paar emancipaties van belang. De CPN (opgericht in 1909) komt voort uit de socialistische emancipatiebeweging van geschoolde én ongeschoolde arbeiders. Deze resulteerde in de formatie van vakorganisaties en politieke partijen, met als gevolg onder meer algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen en de toegankelijkheid van (hoger) onderwijs voor alle lagen van de bevolking.

Na de oorlog stelde de CPN zich nadrukkelijk tegenover de verzuiling van de arbeidersklasse en probeerde in de Eenheids Vakcentrale arbeiders uit alle zuilen te verenigen, inclusief de ‘rode familie’ van PvdA, NVV, Het Vrije Volk en de VARA, die ook alle trekken van een zuil had. De poging liep stuk op de frontlijn van de Koude Oorlog. Pas met de toestroom van studenten in de jaren zeventig doorbrak de partij het sociaal en politiek isolement.

De PPR is te begrijpen als product van emancipatie en een vroeg voorbeeld van een groene partij

Ook de PPR (1968) is te begrijpen als product van emancipatie, namelijk de ontworsteling van gereformeerden en katholieken aan hun verzuilde omgeving, bevestigd door de nadrukkelijke keuze voor een niet-confessionele partij. Ze was tevens een vroeg voorbeeld van een ‘groene’ partij.

In november 1967 verscheen Het onbehagen van de vrouw van Joke Smit, een basistekst voor de tweede feministische golf. In deze jaren was de vrouwenbeweging nadrukkelijk politiek van karakter. Het ging haar om een feminisering van de gehele maatschappij, niet slechts van de individuele vrouw.

Kort na de oprichting van de PPR op 21 januari 1969 zag het Binnenhof de eerste homodemonstratie ter wereld, gericht tegen het discriminerende artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel, dat homoseksuele contacten met personen onder de 21 jaar verbood, werd in 1971 daadwerkelijk afgeschaft.

Naast de gevestigde belangenorganisatie COC ontstond er een homobeweging die pleitte voor een maatschappij waarin mensen vrijer zouden zijn om hun seksualiteit vorm te geven.

In de loop van de jaren zeventig kregen de PSP, PPR en CPN alle drie actieve vrouwen- en homogroepen. Het was geen toeval dat in 1990 bovenaan de eerste GroenLinks-kandidatenlijst de drie kopvrouwen van de PPR, PSP en CPN stonden.

‘Gewoon jezelf zijn’

In de jaren tachtig raakten veel progressieve bewegingen in verval. Binnen emancipatiebewegingen verschoof het politieke perspectief naar het persoonlijke, het privéperspectief. Veel vrouwen, maar ook mannen, verlieten politiek georiënteerde bewegingen om ‘aan zichzelf te gaan werken’.

In plaats van te streven naar volwaardig burgerschap voor de groep waartoe ze behoorden, streefden zij vooral hun eigen ontwikkeling na.

In de homobeweging verstomde het geluid van radicale ‘flikkers’, die ooit het verlangen naar een lossere en lustvolle samenleving uitten. Ook homo’s wilden voortaan vooral ‘zichzelf kunnen zijn’.

En waar Joke Smit nog had gepleit voor een feminisering van de maatschappij, ging het de feministen nu vooral om meer individuele vrijheid in hun persoonlijk leven. Vrouwen- en homobeweging gingen in deze tijd een zogeheten essentialistische fase in: de homobeweging omarmde de homofiele geaardheid simpelweg als de essentie van homo-zijn en vergat de strijd om een maatschappij waarin seksuele verlangens niet langer aparte mensensoorten definiëren.

‘Gewoon jezelf zijn’ leek de perfecte reflex van de bereikte erkenning als zelfstandige mensensoort

De leus ‘Gewoon jezelf zijn’ werd door VVD-homo’s op Roze Zaterdag 1984 voor het eerst gevoerd. Ze leek de perfecte reflex van de bereikte erkenning als zelfstandige mensensoort.

Tezelfdertijd kwamen in de vrouwenbeweging vooral het baren van kinderen, de opvoeding en de relatie moeder-kind centraal te staan. Daar zou de ultieme essentie van vrouw-zijn liggen.

In deze ontwikkeling werd de kiem gelegd voor de huidige identiteitspolitiek. Zowel onder homo’s als onder vrouwen was de kern van de beweging verschoven van een kritiek op de ‘hetero-normatieve’ maatschappij en de mogelijkheid die te veranderen, naar de koestering van de eigen identiteit als individu met bepaalde kenmerken en de erkenning daarvoor.

De winst zat hem in een sterker gevoel van eigenwaarde en de onderlinge herkenning, het nadeel was de uitsluiting van diegenen die niet pasten in het identiteitsschema, bijvoorbeeld kinderloze vrouwen of biseksuele mannen. Het verlies was voornamelijk politiek van aard: de ‘rest’ van de maatschappij kon zich van die bewegingen afmaken als iets dat enkel in het belang was van vrouwen, of van homo’s.

Identiteitspolitiek

Het lijkt er dus op dat we met het hedendaagse verschijnsel van identiteitspolitiek iets oogsten wat in de jaren zestig en zeventig gezaaid is en in de jaren tachtig en negentig gemuteerd. Kort gezegd lijkt een geïndividualiseerd emancipatie-ideaal te zijn gestold in een verworven identiteit.

Onder identiteitspolitiek verstaan we het bedrijven van politiek vanuit de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht. In de praktijk gaat het meestal om etnische en culturele kenmerken, die worden verabsoluteerd tot de essentie van de groep.

De eigen groep wordt gedefinieerd aan de hand van de ervaring van marginalisering of inperking van de zelfbeschikking van groepsleden op grond van hun identiteit, en altijd gesteld tegenover een dominante groep in de maatschappij. Ze komt voor als meerderheidsclaim – ‘de echte Nederlander’ – en als minderheidsaanspraak - ‘wij vertegenwoordigen de tweede generatie van Nederlanders met een migratieachtergrond’.

Zo ontstond tijdens de Fortuyn-periode een opvatting van ‘het volk’ die in de nationaal georiënteerde identiteitspolitiek van Wilders, Baudet, Pegida en Identitair Verzet verder gecultiveerd werd. In deze ‘beweging’ gaat het niet meer om maatschappelijke zelfverwerkelijking, zoals bij emancipatiebewegingen. Het gaat primair om erkenning van de eigen identiteit.

De ‘Nederlandse’ identiteit die wordt opgeëist, is exclusief

De groepsleden zouden graag zien, eisen zelfs, dat de overheid hen als de echte (hardwerkende!) Nederlander erkent, die op alle maatschappelijke verworvenheden recht heeft zonder zelf iets te hoeven veranderen. En het gaat om een monopolie: de ‘Nederlandse’ identiteit die wordt opgeëist, is exclusief.

De opkomst van partijen als Nida en Denk is deels een reactie op uitsluiting, die met name Nederlanders met een migratieachtergrond ondervinden, en deels een reactie op het feit dat de ‘Nederlandse’ identiteit hen wordt ontzegd, als gevolg waarvan een alternatieve islamitische identiteit wordt gevormd. Met name bij Denk zit deze identitaire vorm de emancipatie eerder in de weg dan dat zij deze bevordert.

Identiteitspolitiek zoekt de remedie tegen gemankeerd burgerschap namelijk in een identificatie met mensen die op ‘ons’ lijken (bijvoorbeeld Nederlanders of juist tweedegeneratiemoslims) en zet zich af tegen ‘anderen’ (bijvoorbeeld mensen met een migratieachtergrond of juist mensen met een Nederlandse etniciteit). Identiteitspolitiek introduceert dus een concurrentiemodel in de strijd om een rechtmatige plaats in de maatschappij, wat de identitaire groep apart zet.

Progressief antwoord

Ook de komende dertig jaar zullen bevolkingsgroepen zich willen ontwikkelen tot volwaardige burgers. In de volgende heel verschillende situaties zal GroenLinks positie moeten kiezen.

Zolang we te maken hebben met immigratie zullen er groepen migranten zijn die een langere of kortere weg naar burgerschap moeten bewandelen. En zeker zolang dit land blijft ontkennen dat het een immigratieland is, zal die weg met obstakels zijn bezaaid. Aanleiding genoeg voor een stevig emancipatoir immigratiebeleid.

Zolang we een kapitalistische productiewijze hebben, zal er worden bespaard op arbeidskosten. Er zullen zich steeds nieuwe groepen uitgebuite arbeiders aandienen, op dit moment bijvoorbeeld het opgejaagde personeel van distributiecentra. Emancipatie van de arbeidersklasse komt hier terug in de zeer herkenbare vorm van loonstrijd en rechtsbescherming.

Als het al zou lukken om Raden van Commissarissen voor de helft uit topvrouwen te laten bestaan, blijven er legio vrouwen over wier burgerschap een schim is – in de prostitutie, in de malafide horeca, in schoonmaakbedrijven, in gedwongen huwelijken. Er zullen telkens groepen blijven opstaan of ‘ontdekt’ worden, die ons politieke bondgenootschap verdienen.

Het steeds langere rijtje lesbisch/homo/bi/trans/inter/queer lijkt een aanwijzing voor verfijnde identiteitspolitiek. Maar eerder is sprake van het tegenovergestelde. Deze ontwikkeling stelt juist vastomlijnde indelingen ter discussie. Het gaat hier om het grijpen van de definitiemacht (wie bepaalt of en hoe mensen gelabeld worden) door diegenen die niet passen in de opdeling in ‘man’ en ‘vrouw’, ‘homo’ en ‘hetero’.

Het gaat er dus juist om verlost te worden van labels en stempels. En het verenigt niet mensen die op elkaar lijken, maar juist verschillende groepen die aan een vergelijkbare situatie willen ontsnappen.

Het zou Nederlandse moslims in onderwijs, media en op de arbeidsmarkt helpen wanneer we de islam zien als gewone godsdienst

Moslims in Nederland, ongeacht hoe gelovig ze zijn, worden in het dagelijks leven gehinderd door opvattingen over ‘de’ islam. Het lijkt wel of islamisten in Nederland bepalen wat ‘de ware islam’ is. Wilders’ opinie dat de islam een ideologie is, komt daarmee overeen.

Het zou Nederlandse moslims in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in de media helpen wanneer de islam gezien werd als een gewone godsdienst (een groot verband met daarin talloze stromingen, een wereld aan verschillende opvattingen, zingeving en moraliteit).

Uitsluiting hindert de weg van moslims naar volwaardig burgerschap. Ze bevordert ook het ‘isolement in eigen kring’, tot en met radicalisering. De pas net begonnen emancipatie van moslims in Nederland kan dan ook wel enige steun gebruiken.

Mensenrechten of privileges?

Dit onvolledige lijstje vertoont grote verschillen wat betreft de verhouding tussen emancipatie en identiteit. Soms zal de strijd gaan om sociale rechten, zoals de positie op de arbeidsmarkt, in andere gevallen om mensenrechten als asiel en onderdak. Dan zal GroenLinks daar eenvoudig steun aan kunnen geven. Immers, deze groepen streven naar voorzieningen waarop een universeel recht bestaat.

Wanneer de strijd gaat om culturele rechten zoals toegang tot de media en de wens om gezien te worden – bijzondere eisen of zelfs privileges op basis van de identitaire groep - ligt het risico van identiteitspolitiek op de loer. Het zal GroenLinks niet passen om in die laatstgenoemde rechten mee te gaan.

Het streven naar emancipatie draait om meer dan (bedreigde) rechten en vrijheden

Het streven van groepen naar emancipatie draait om veel meer dan (bedreigde) rechten en vrijheden. Emancipatie gaat per definitie gepaard met politiek bewustzijn: het zelfbewustzijn van staatsburgers als politieke wezens, die weten dat ze in vereniging verbeteringen kunnen afdwingen binnen de maatschappij als geheel.

Ze weten hoe ze op een politieke manier ‘wij’ kunnen zeggen – en daarin onderlinge verschillen van herkomst, levensovertuiging, sekse en eigenbelang, dus ook de beperkingen van hun ‘ik’, kunnen overstijgen. Dit vraagt ook het nodige aanpassingsvermogen van de samenleving om af te stappen van wat voorheen als ‘normaal’ werd gezien.

De mate waarin groepen zich emanciperen zegt iets over de veerkracht van onze samenleving en de kwaliteit van onze democratie. Als GroenLinks ook de komende dertig jaar blijft streven naar een maatschappij die meer open, sociaal en duurzaam is, zal ze oog moeten houden voor groepen die identiteitspolitiek mijden, maar wel emancipatie behoeven en najagen. En ze zal meestal aan hun zijde te vinden zijn.
 

Dit artikel staat in het lentenummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen