15 minuten

Lachen in de politiek

Humor moet tegenwoordig in de politiek, maar echte narren zijn er niet meer. De ernst waarmee hij contrasteert, bestaat niet meer in de politiek. Eigenlijk is de politicus zelf tot nar geworden, een machteloze, ironische figuur die bitter weinig zeggenschap heeft over onze levensomstandigheden en verhult waar de macht zich werkelijk bevindt. Een donkere visie op de lach.

Wellicht de meest legendarische grap uit de Nederlandse politiek stamt van Hans Wiegel. Bij een op voorhand verhit debat met Joop den Uyl voor een publiek van linkse studenten in Huize Maas in Groningen, betrat Wiegel het podium. Iemand riep ‘lul’, waarop instemmend gejuich volgde. Het woord vatte zowel de grimmigheid van de avond als de waardering voor Wiegel samen. Een keiharde aanval die Wiegel voor de rest van de avond buitenspel had kunnen zetten. Maar Wiegel reageerde even opgewekt als adrem met de woorden: ‘Aangenaam, ik ben Wiegel’. Het effect van deze grap was een zekere sympathie voor Wiegel die dat zeker niet met argumenten had kunnen bewerkstelligen. Daarin schuilt de kracht van de retoriek ten opzichte van de filosofie. Maar Wiegel was geen nar. De nar is van het politieke podium verdwenen, evenals het ernstige spreken.

Ondanks het feit dat humor een zéér populaire stijlfiguur is in de Nederlandse cultuur – Rutte prees na het aangekondigde vertrek van Halsema onmiddellijk haar humor – is het onmogelijk de nar in de hedendaagse politiek aan te wijzen. De nar spreekt namens niemand tot de soeverein. In onze tijd is de politiek zelf ironisch geworden. Het is niet altijd duidelijk namens wie zij spreekt (Shell, of het electoraat). De politicus moet reageren op actualiteiten die hij niet langer dicteert. Overal zien we politici gedienstig opdagen om gevat commentaar te leveren, van RTL-Boulevard tot Pauw en Witteman. Maar de nar is afwezig omdat de ernst ontbreekt waarmee zij contrasteert.

Ik kom hier aan het eind van mijn betoog op terug. Eerst is een goed begrip nodig van de functie van de lach en daartoe duiken we nu achtereenvolgens de retorica, de filosofie en de sociale wetenschap in.

Vluchtig en onredelijk

Humor is in de retorica vanaf het begin als krachtig middel erkent. In de eerste eeuw wijdt de Romeinse retoricus Marcus Quintilianus een van de twaalf boeken van zijn Opleiding tot redenaar aan het gebruik ervan. Humor kan worden ingezet om sombere emoties te doen verdwijnen, de rechter uit verveling op te frissen of om de aandacht af te leiden van de feiten. Mogelijkheden die van onschatbare waarde zijn in de rechtspraak. Maar het lachen blijft voor Quintilianus hoogst problematisch. Lachwekkende uitspraken zijn volgens de Romein meestal niet waar, dikwijls opzettelijk verdraaid en nooit eervol. Mensen barsten vaak in lachen uit zonder het te willen, waarbij hun hele lichaam schokt. Gevoelens van haat en woede kunnen erdoor worden doorbroken, maar het lachen kan ook gemakkelijk escaleren in hilariteit, waardoor de ernst van een betoog verloren gaat en de spreker zich tot nar maakt. Quintilianus houdt het erop dat niemand precies weet wat lachen werkelijk is.

Anders dan in de retorica, waar het effect van woorden telt, is humor in de filosofie, waar de betekenis en waarheid telt, vanaf het allereerste moment gewantrouwd. Het voorbeeld van Wiegel toont dat humor groot effect kan sorteren zonder zich op het domein van de argumentatie te begeven. Vandaar dat bijvoorbeeld Plato weinig op heeft met het lachen. Filosofen zijn geen lachebekjes in hun radicale trouw aan de waarheid, die wordt gedacht als iets onveranderlijks. Zij is universeel en tijdloos en mist de vluchtigheid en veranderlijkheid van de lach.

Een zeer serieuze studie van het komische komt van een filosoof die onlosmakelijk met het pessimisme verbonden is: Arthur Schopenhauer (1788 – 1860). In hoofdstuk acht van boek één uit zijn hoofdwerk De Wereld als Wil en Voorstelling (1819) zet hij zijn theorie van het komische uiteen tegen de achtergrond van het menselijk kenvermogen. Kort samengevat komt dat op het volgende neer: Schopenhauer beschouwt de mens als een wezen dat de wereld louter via empirische, zintuiglijke indrukken kan kennen. Pas daarna worden deze indrukken geordend in abstracte concepten, waarmee de mens – anders dan het dier – kan reflecteren. Deze concepten (abstracte voorstellingen) moeten terug te voeren zijn tot empirische indrukken (aanschouwelijke voorstellingen), anders zijn ze leeg. Begrippen als trouw, vriendschap, wraak, betekenis, loyaliteit etc. zijn abstracte voorstellingen die maar zeer losjes ‘passen’ op de overvloedige aanschouwelijke realiteit. Vergissingen hebben altijd alleen te maken met onze concepten en niet met de aanschouwelijke wereld.

De oorsprong van het komische ligt in de paradox die voortvloeit uit de afstemming tussen de abstracte en aanschouwelijke voorstelling. De lach komt voort uit de plotselinge waarneming van een incongruentie tussen een abstractie en het bijbehorende reële object. Hoe groter en onverwachter deze incongruentie in de opvatting van de lacher is, des te uitbundiger zal zijn lach uitvallen. Logisch gesproken is er sprake van een sluitrede met een onbetwistbare major en een onverwachte, op slinkse wijze geponeerde minor. De combinatie van die twee geeft de conclusie een komisch karakter.

Het is daarom dat een goede grap weliswaar niet de waarheid verkondigt, maar toch deels aanhaakt bij waarachtige uitgangspunten. Alleen in de meest extreme vormen van absurdisme is dit niet het geval. Het zijn vooral adolescenten, druk doende hun ontluikende rede te verkennen, die om de redeloosheid van het absurdisme kunnen lachen. Alleen kinderen met een nog onvolgroeide rede en mensen van bescheiden cognitieve vermogens kunnen lachen om de meest primitieve vorm van humor: de tegenspraak. Alleen zij lachen wanneer iemand in de stromende regen zegt: lekker weertje vandaag. De aanschouwing en de abstracte voorstelling zijn hier zo duidelijk incongruent dat dit komisch effect sorteert. De triomf van het aanschouwelijke over het denken doet ons plezier, want het aanschouwen is de oorspronkelijke (met de dierlijke natuur verbonden) wijze van kennen. De aanschouwing is het medium van het hier en nu, van het genot en de vrolijkheid. Het lachen is, evenals de gelukkigste momenten in het leven, een moment waarop er geen morgen of gisteren bestaat. Daarom realiseren wij ons het geluk en het plezier altijd pas als het is afgelopen.

Schopenhauer vertelt een grap over een stel soldaten, die in een wachtlokaal een zojuist binnengeleide arrestant laten mee kaarten, maar hem, wanneer hij vals blijkt te spelen, op straat gooien. Zij laten zich leiden door het algemene begrip ‘slecht gezelschap zet men buiten de deur’, maar vergeten dat hij arrestant is, dat wil zeggen iemand die ze in bewaring moeten houden. Deze grap lijkt op die van Wiegel, die, toen hij voor lul werd uitgescholden, de spreker beleefd benaderde volgens het algemene begrip dat mensen zich bij een eerste ontmoeting aan elkaar dienen voor te stellen, waardoor de belediging op de spreker terugsloeg.

Uitsluitend en agressief

De sociale betekenis van humor wordt een kleine eeuw na Schopenhauer (die zich alleen bezighield met de waarheid en dus niet met de politiek) doordacht door Henri Bergson (1859-1941) in zijn beroemde studie Le rire (1901). Net als Quintilianus houdt Bergson een definitie van het lachen voor onmogelijk. Hij beschrijft de sociale situaties waarin het lachen de kop opsteekt. Bergson wijst erop dat er buiten de menselijke subjectiviteit niets komisch bestaat. Landschappen en weersgesteldheden zijn niet komisch en dieren slechts dan wanneer wij er menselijk gedrag in herkennen. Belangrijk bij het lachen is de menselijke ongevoeligheid. Emoties van empathie en medelijden worden opgeschort wanneer we lachen om iemand die valt of zich verspreekt. De lach sluit compassie uit. Wanneer wij een groep mensen zien lachen kunnen we onmogelijk in het plezier meegaan en voelen we ons onherroepelijk buitengesloten.

Wanneer we lachen, lachen we – aldus Henri Bergson – om een abrupte verandering van houding. Wanneer iemand op straat valt, lachen we. In plaats van de verwachtte soepelheid en spontaniteit, zien we een mechanische starheid die ons doet lachen. Mensen die niet over die soepelheid (in woord en daad) beschikken zijn niet adrem (fysiek of communicatief) en zijn daarom sneller het slachtoffer van lachers. Degene die uitgelachen wordt, wordt uitgelicht als anders (lees zwakker) en is gedwongen om zich aan te passen. De lach dwingt mensen tot aanpassing aan een principieel onevenwichtige samenleving. De lach corrigeert de zeden van een persoon, wat in het geval van Wiegel onmiddellijk duidelijk is. De lach kan de kloof tussen de ‘eigen’ groep en de ‘ander’ gemakkelijk vergroten, wat eenvoudig te illustreren is met de enorme hoeveelheid racistische grappen die in iedere gemeenschap aanwezig zijn. Voor Bergson is het lachen dan ook een vorm van sociale agressie en daar is niets grappigs aan.

Met deze aandacht voor de sociale werking van het lachen zijn we in het politieke domein aanbeland, het domein van het spreken en handelen. Voor een goed begrip van wat een politieke gemeenschap vandaag de dag eigenlijk inhoudt, richten we onze aandacht nu op een hedendaagse politieke filosoof, namelijk de radicale democraat Jacques Rancière (1940).

In navolging van Aristoteles meent Rancière dat de mens een politiek dier is omdat hij kan spreken. De burger is iemand die middels het spreken deelneemt aan de handeling van het regeren en geregeerd worden. Maar daaraan gaat iets anders vooraf, dat Rancière het sensibele noemt. Een gemeenschap kent een systeem van ‘gedeelde, waarneembare vanzelfsprekendheden’ die bepalen welke plaats mensen erin innemen. Hierdoor wordt bepaald wie het woord krijgt en deelneemt aan het gesprek. Iedere samenleving brengt op haar eigen wijze mensen voort die serieus genomen worden wanneer zij spreken en anderen die niet gehoord worden. In het spreken wordt vastgesteld wat eervol, moedig, waardevol en wat lachwekkend, gruwelijk en laakbaar is. De verandering in waardering voor gedrag ontstaat door een veranderende sensibiliteit en brengt die weer voort. Denk aan de veranderde mentaliteit ten aanzien van uitkeringsgerechtigden van slachtoffers van automatisering, naar economische parasieten.

Om deze verandering überhaupt te kunnen registreren moet zij bespreekbaar zijn. In het spreken (ongeacht via welk medium) delen we de sensibele wereld op in concepten. Op die manier wordt bepaald wat zichtbaar en dus bespreekbaar is; wie spreekt en over wie wordt gesproken. Pas in het spreken is emancipatie mogelijk, want wie geen stem heeft, wordt niet gehoord.

Dit opdelen in concepten is esthetisch en dus niet, zoals vaak gedacht wordt, essentieel of natuurlijk. Het feit dat jongeren en masse beroemd willen worden (via ‘Idols’), terwijl ze vroeger wetenschapper wilde worden, is een uitdrukking van een veranderde sensibiliteit van de gemeenschap. Dat heeft repercussies op de manier waarop mensen praten over (concepten als) wat eervol, wat schoon, wat begerens- of afkeurenswaardig is, etc. En binnen die gemeenschappelijke consensus kiezen mensen hun mentaliteit, ambities en levenswandel.

Er is dus niets ‘natuurlijks’ of ‘gewoons’ aan. Sterker nog, de strijd om ‘wat ‘gewoon is’, is de politieke strijd. Zo bezien zijn vrijwel al onze problemen met moslims in Nederland ten diepste esthetisch. De Rotterdamse jurist Mohammed Faizel Ali Enait, die weigert op te staan voor de rechter en vrouwen een hand te geven, tart onze esthetica. Enait’s begroeting van rechters en vrouwen is wel degelijk respectvol, maar voor critici valt respect en de sensibele uitingsvorm daarvan (opstaan en een hand geven) volkomen samen. Zoals de Afrikaanse filosoof Romuald Tchibozo ooit zei: “It’s hard to accept the contingencies of one’s origin.”

Machteloze figuur

Gewapend met de inzichten van Schopenhauer, Bergson en Rancière, kunnen we ons nu opnieuw buigen over de figuur van de nar. In de Europese culturen was er sinds de middeleeuwen sprake van een soeverein die de verpersoonlijking van de (doorgaans religieus gelegitimeerde) macht was. De machtshiërarchie en alle posities in de gemeenschap lagen vast. In Rancières termen: de distributie van het sensibele met de deling van de politieke posities ligt hier muurvast. Het ‘gewone’ valt samen met de waarheid. De macht legitimeert zich in het vanzelfsprekende, en valt dan ook samen met de waarheid. De kans is klein dat iemand het woord zal nemen en iets radicaal ‘anders’ zal zeggen. Het zal niet ‘gehoord’ worden en is bovendien gevaarlijk. Een oude Nederlandse hofwijsheid luidt: ‘Op het bal ontbreekt wie niet van dansen houdt, en aan het hof wie zegt wat hij denkt’. Spreken is een gevaarlijke bezigheid omdat ieder woord de distributie van het sensibele kan aantasten, met alle gevolgen van dien. In die situatie is de nar een onontbeerlijke figuur die alles kan zeggen, maar daarbij niets aan de werkelijkheid verandert.

Quintilianus vertelt van twee Tarentijnse jongelieden die tijdens een banket grof hadden gesproken over koning Pyrrus. Ter verantwoording geroepen bij de koning konden zij dit ontkennen, noch verklaren, maar door hilariteit ontsprongen zij de dans. Een van hen reageerde op de aantijgingen met de woorden: “Sterker nog koning, als de fles niet leeg was, hadden we u zelfs vermoord.” Koning Pyrrus lachte en beloonde de jongens met wijn. Door hun woorden als dronkemanspraat voor te stellen was de angel uit de belediging. Een retorische geste die hun levens redde. Zij namen op dat moment de positie van de nar in door moedig te spreken vanuit een positie van machteloosheid.

De nar is een machteloze figuur, oorspronkelijk vaak iemand met een al dan niet geveinsde verstandelijke handicap of een misvormd lichaam, die de macht ronduit adresseert. Hij is iemand van wier woorden geen enkele daadkracht uitgaat omdat zijn lot in handen van de koning ligt. Alles uit zijn mond is grappig omdat zijn woorden geen consequentie hebben, zelfs als hij beledigende, bedreigende of kwetsende opmerkingen maakt. Precies dat maakt hem lachwekkend. De nar is een pseudo-politieke figuur die opstaat wanneer de distributie van het sensibele glashelder is. Hoe beter de nar de ernst van de hofrituelen kent, hoe meer ernst hij zich in zijn grappen kan veroorloven.

In onze cultuur is macht echter niet solide verankerd, maar zeer dynamisch. De mogelijkheden zich politiek uit te spreken liggen eerder in de media dan in ‘Den Haag’. Een grappenmaker als Youp van het Hek was een krachtiger politieke actor toen hij de falende klantenservice van T-mobile in de media aan de kaak stelde dan legio politici die hetzelfde probleem aankaartten. Hij was echter géén nar.

De laatste nar uit de Nederlandse geschiedenis is waarschijnlijk Wim Kan, omdat politici zich zelfs gekwetst voelden als zij niet in zijn oudejaarsconferentie werden genoemd. Maar let wel, destijds werden politici nog met ‘excellentie’ aangesproken. In zo’n stabiele gemeenschap heeft de machtsdrager nog wel eens behoefte aan iemand die de distributie van het sensibele belachelijk kan maken, zonder de distributie als zodanig aan te tasten. En toch was ook Kan geen klassieke nar. Zijn show ‘Er leven haast geen mensen meer die het kunnen navertellen.’ in reactie op het bezoek van keizer Hirohito van Japan in 1971 moet de politici destijds toch even hebben doen slikken.

Lot in handen

We kunnen nu terugkeren op ons uitgangspunt en het volgende concluderen: ondanks het feit dat humor een populaire stijlfiguur is in de Nederlandse politiek, is het onmogelijk de nar in de hedendaagse politiek aan te wijzen omdat deze zelf ironisch is geworden. De lach steekt niet meer af tegen de ernst van de macht. De grap uit het hart van de (populistisch geworden) politiek doet in feite enkel wat Quintilianus zegt: zij doet sombere emoties verdwijnen (denk aan de even absurde als geruststellende grap(?) van klimaatproblematiek als links complot), zij frist op uit verveling en leidt af van de feiten. Maar ze is zeker geen breekijzer die de politieke werkelijkheid verandert.

Het is zelfs een politieke doodzonde geworden om géén humor te hebben, zoals Agnes Kant heeft mogen ervaren. Humor moet, en dat is iets dat vooral rechts, dat zich comfortabel voelt in het almachtige neoliberale paradigma, lijkt te hebben begrepen. Jezelf niet serieus nemen is een deugd, zelfs onder de representanten van de macht. Ik noem Piet Hein Donner die als ‘The Don featuring Meester G.’ de jeugd bedreigde in een rap of Balkenende die het presteerde in een persconferentie nog even zijn spijt uit te spreken over de scheiding tussen ‘Jan en Yolanthe’. 

Ironie maakt politici minder kwetsbaar voor kritiek (het was immers ironisch bedoeld), maar onderstreept tevens hun machteloosheid. De politiek wil graag retorisch ‘naar de burger toe’, maar de burger weet zo langzamerhand ook wel dat politici niet zo gek veel voor hen kunnen doen. De ironische politicus is symbool voor het onvermogen van de Nederlandse politiek om haar lot in eigen handen te nemen. De figuur van de politicus en de nar vallen samen. De waarheid én de lach versmelten tot een gevatte oneliner die de bestaande verhoudingen bevestigt, maar de werkelijke actor van de macht blijft verhullen.

Geert Wilders als een hedendaagse nar beschouwen, is daarom een ernstige vergissing. De nar spreekt namens niemand, Wilders geeft wel degelijk woorden aan een reëel maatschappelijk verschijnsel: ressentiment. Het manifeste ressentiment in de hedendaagse cultuur wordt politiek gemunt in de xenofobe retoriek van het populisme. Het gevaar daarvan is niet zozeer het spook van het fascisme, waar Rob Riemen in De eeuwige Wederkeer van het fascisme ons zo stompzinnig voor waarschuwde, omdat we de facto te geïndividualiseerd zijn om ons door authentiek racisme – het geloof dat het ene ras ten ene malen beter is dan het andere – politiek te laten mobiliseren. Het ressentiment wordt veroorzaakt door de sluimerende intuïtie dat wij niet werkelijk ons lot in handen hebben. Dat onze politici – hoewel ze spreken – niet werkelijk invloed op onze levensomstandigheden hebben. Dat veroorzaakt een gevoel van onveiligheid en vergroot de vatbaarheid voor zondebokken (de politieke islam) waar populisten op inspelen. Dat populisme leidt een complete gemeenschap af van de onderliggende crisis in ons financiële systeem die onze werkelijkheid tot in de haarvaten doordringt. Op de beurs worden de lijnen uitgezet en daar hebben wij, hoe prudent we ook spreken, wie we ook zijn, geen enkele zeggenschap over of we nu ernstig spreken of de nar uithangen. Al jaren zijn er klimaatconferenties waar nooit meer dan goede intenties worden uitgesproken; bij het uitbreken van de kredietcrisis hadden westerse leiders zes weken nodig om eensgezind te besluiten de banken te redden. Toen waren de miljarden opeens wél voorhanden. Dát en niets anders, toont het kloppend hart van de macht en die ligt buiten de democratie. Politici, zeker Nederlandse, zijn gedwongen aan de logica van dit systeem deel te nemen. Niet als representant van de macht, maar als dienaar.

De legendarische Joodse bankier sprak de waarheid toen hij ooit zei: ‘sta mij de controle over het geld in een land toe, en het maakt mij niet uit wie haar wetten maakt.’ Die ontstellende waarheid wordt langzamerhand steeds duidelijker. Wat we ermee moeten en hoe we erop moeten reageren is verre van duidelijk. Maar zeker is dat de komende jaren ernst nodig hebben, als politici die niet kunnen opbrengen, zullen jongere generaties hen niet langer serieus gaan nemen als gesprekspartner. En wie lacht er dan?

Literatuur:

- Arthur Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling, oorspr. Die Welt als Wille und Vorstellung, (1819/ 1844), verschillende Nederlandse edities.
- Henri Bergson, Het Lachen, Uitgeverij Boom 2010 (oorspr. Le Rire, Essai sur la signification du comique (1900).
- Jacques Rancière, La mésentente, politique et philosophie, Galilée, Paris 1995 ; J. Rancière, Le partage du sensible, esthétique et politique, La fabrique, Paris 2000 ; in het Nederlands verschenen: J. Rancière, Het esthetische denken, Valiz, Amsterdam 2007.
- Wim Kan: ‘Er leven haast geen mensen meer die het kunnen navertellen’, zie: http://www.youtube.com/watch?v=Q2Qu3O4EsVU.
- Slavoj Žižek, Living in the End Times, Uitgeverij Verso 2010. 

Gerelateerde artikelen