6 minuten

Lagere lonen

Economische crisis en oude recepten

Het is crisis, de werkloosheid en de overheidstekorten lopen op. Het liedje van lagere lonen klinkt weer, net als in de jaren tachtig en begin negentig. Maar is dat deuntje niet grijs gedraaid?

Loonmatiging is weer in het hart van de politieke discussie. Het gaat economisch slecht met lage groeicijfers en oplopende werkloosheid. Bovendien presteert de Nederlandse economie minder dan die van de buurlanden, in schril contrast met de tweede helft van de jaren negentig toen we het juist veel beter deden. In reactie hierop is afgelopen najaar een Centraal Akkoord afgesloten tussen sociale partners en het kabinet Balkenende met daarin de dringende aanbeveling om de contractloonstijging te beperken tot 2,5 procent. Het kabinet beloofde een vermindering van de bezuiniging op de gesubsidieerde arbeid, een tegemoetkoming voor langdurige minima en het deels behouden van de spaarloonregeling. In totaal zegde het kabinet een lastenverlichting toe van een half miljard euro.

De meeste politieke partijen bepleiten loonmatiging voor de komende jaren. In de financiële plannen van VVD, CDA en PVDA is deze loonmatiging al ingeboekt. Veelal wordt uitgegaan van een loonstijging die de inflatie niet zal overstijgen. Samen met het te verwachten oplopen van de pensioenpremies en de ziektekosten betekent dit de facto koopkrachtverlies. Vooral voor werknemers in de publieke sector en uitkeringsgerechtigden is het risico van achterblijven reëel omdat de politiek hier aan de knoppen zit en de toon zal willen zetten. Bovendien zal lastenverlichting worden ingezet om loonmatiging aanvaardbaar te maken en lastenverlichting leidt al snel tot bezuinigingen op de sociale zekerheid (uitkeringen) en de publieke dienstverlening.

Loonmatiging is de strategie van Nederland geweest in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw om het economisch tij in positieve zin te keren. De vraag is of die strategie nog steeds de beste is. Maar om te beginnen eerst iets over loonmatiging. De ruimte voor verbetering van arbeidsvoorwaarden (loonruimte) wordt bepaald door de prijsstijging en de arbeidsproductiviteit. Die ruimte kan ingezet worden voor loonsverhogingen of voor verbeteringen van andere arbeidsvoorwaarden, zoals arbeidsmarktbeleid, verlofregelingen, arbeidsduurverkorting. Indien de lonen en overige arbeidsvoorwaarden samen minder verbeteren dan er aan ruimte is, kan dit leiden tot toenemende winstgevendheid en/of lagere afzetprijzen. Dat gebeurde in Nederland in de jaren tachtig. De loonmatiging had een positieve werking op de investeringen, concurrentiepositie en werkgelegenheid. Voor de werkgelegenheid is het van belang dat arbeid relatief goedkoop wordt, zodat het aantrekkelijker wordt voor werkgevers om mensen in dienst te nemen. Deels heeft er dus een uitruil plaatsgevonden tussen hoge werkgelegenheidsgroei en lage productiviteitsontwikkeling, maar per saldo heeft dit geleid tot een hogere groei van de productie en van het nationaal inkomen. 

Machtsverhouding

Het begin van die loonmatiging lag in november 1982 toen tussen kabinet en sociale partners het beroemde Akkoord van Wassenaar werd gesloten. Kernwoorden van dit akkoord waren: loonmatiging, winstherstel en arbeidsduurverkorting. Dat akkoord was mijns inziens meer ingegeven door maatschappelijke en marktontwikkelingen dan door politieke keuzes. Het waren de jaren van hoge werkloosheid en een sterk toenemend arbeidsaanbod (jongeren, vrouwen, migranten). In zo’n situatie ligt de ruil van loonmatiging voor herverdeling van arbeid voor de hand. De machtsverhoudingen op de arbeidsmarkt dicteerden dat hoge loonstijgingen niet aan de orde waren. Toen in de beginjaren negentig de loonstijgingen weer toenamen en er tegelijk sprake was van sterk oplopende werkloosheid werd opnieuw en redelijk snel door sociale partners ingegrepen en afgesproken met de lonen een pas op de plaats te maken.

Bovenstaande afspraken maakten furore als het poldermodel, met als belangrijkste kenmerk dat er ruil plaatsvond tussen de betrokken partijen: werknemers, werkgevers en overheid. Loonmatiging werd geruild met herverdeling van arbeid, én, dat is de tweede ruil, met lastenverlichting. De overheidsbezuinigingen in de jaren tachtig waren gericht op het verkleinen van het financieringstekort maar ook op het verlagen van belastingen en premies om zodoende ondanks loonmatiging het behoud van koopkracht mogelijk te maken. De prijs van deze politiek werd bij de publieke sector en de uitkeringsgerechtigden gelegd.

Ondanks positieve resultaten hoeft niet gejuicht te worden over het poldermodel. Positief is dat op het gebied van de arbeidsverhoudingen successen bereikt zijn op het immateriële vlak. De zelfbeperking die de vakbeweging zich opgelegd heeft in de loonvorming heeft ruimte gecreëerd om emancipatorische doelen te bereiken, zoals op het gebied van de combinatie van werk en privé, gelijkberechtiging van deeltijdarbeid en degelijke. Positief is natuurlijk ook de herverdeling van arbeid en de forse daling van werkloosheid. Maar een belangrijk negatief element is dat door de koppeling tussen lastenverlichting en de gewenste loonmatiging de publieke dienstverlening, de arbeidsvoorwaarden in de publieke sector en de sociale zekerheid (ontkoppeling, lagere uitkeringen bij ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid) fors aangetast zijn. Jarenlange bezuinigingen hebben de publieke dienstverlening verschraald en geleid tot achterblijvende loonontwikkeling in de publieke sector. Dat hiertegenover in de secundaire sfeer (onder andere op het gebied van arbeidsduurverkorting, arbeid en zorg) betere resultaten geboekt werden dan in de marktsector kon niet voorkomen dat de positie op de arbeidsmarkt van de publieke sector verslechterde. Dat de politiek hiermee in zijn eigen staart beet werd eind jaren negentig steeds duidelijker. De wervingskracht van de overheid en de gesubsidieerde sectoren (zorg en welzijn) was in een overspannen arbeidsmarkt onvoldoende om personeelstekorten te voorkomen. Een speciale commissie (Commissie van Rijn) werd in het leven geroepen om de arbeidsmarktpositie in de publieke sector te onderzoeken en voorstellen te doen. Uiteindelijk kwam er ook extra geld om de arbeidsvoorwaarden, met name in de zorg en het onderwijs, iets te verbeteren.

Paaien

De situatie anno 2003 is totaal verschillend met de situatie van de Nederlandse economie in de beginjaren tachtig. De werkloosheid is veel lager, de toename van het arbeidsaanbod is beperkt, de vergrijzing dient zich voorzichtig aan. De hogere loonontwikkeling van de laatste jaren hangt nauw samen met de goede prestaties van bedrijven en de tekorten op de arbeidsmarkt. Dit vertaalt zich in hogere prijzen en hogere lonen, ook ten opzichte van andere EU-landen, en dat is een natuurlijk economisch proces.

Dit wil nog niet zeggen dat bijsturing niet van belang is. Doorschieten in een spiraal van hogere prijzen die leiden tot hogere lonen en weer tot hogere prijzen enzovoort is een gevaar. Ook een risico is een zichzelf versterkend proces van werkloosheid, hogere premies, hogere loonkosten, meer ontslagen. En dan zijn er nog oplopende kosten van de pensioenen, mede samenhangend met een hoge loonontwikkeling (indexatie). Maar omdat de situatie onvergelijkbaar is met de beginjaren tachtig kunnen oude recepten niet zomaar uit de kast gehaald worden. Het spel tussen overheid en sociale partners kan niet op dezelfde manier gespeeld worden, met name vanwege de geheel andere arbeidsmarktsituatie. Dat betekent dat een andere uitruil nodig is om toch een verantwoorde en rechtvaardige inkomensontwikkeling mogelijk te maken. Voor de vakbeweging zal vooral solidariteit een sleutelwoord zijn. Concreet houdt dat in dat eventuele afspraken over een verantwoorde loonontwikkeling gecombineerd zouden moeten worden met een verhoging van het sociaal minimum, verkleining van loonverschillen door het optrekken van de onderkant (bijvoorbeeld door een loonsverhoging deels in centen in plaats van procenten), het voorkomen van bovenmatige loonstijgingen aan de top, goede sociale zekerheid met name voor arbeidsongeschikten, reïntegratiemogelijkheden voor arbeidsongeschikten en werknemers in de gesubsidieerde arbeid, en tot slot een solidaire financiering van de zorg. 

Wat zeker niet kan is dat net als in de jaren tachtig en negentig de rekening van de economische neergang eenzijdig bij de publieke sector en uitkeringsgerechtigden gelegd wordt. Loondictaten en ontkoppeling zijn onrechtvaardig en ondoelmatig. Opgepast moet worden voor plannen waarbij loonmatiging gekoppeld wordt aan lastenverlichting, zoals door Balkenende-I geprobeerd werd. Deze methode is weliswaar heel verleidelijk om werknemers te paaien met koopkrachtbehoud, maar leidt uiteindelijk tot verschraling van belangrijke publieke diensten en de solidariteit in de samenleving.

Gerelateerde artikelen