11 minuten

Letland & Litouwen

Zang & magie

De Europese Unie heeft er tien landen bij. Met de inwoners van deze landen vormen we één gemeenschap. Wat weten we van hen? Deel 4 van een kleine serie portretten van het culturele leven in de nieuwe lidstaten.

Letland en de zingende revolutie

Liga Skujina

Kom mee! Naar een gure donkere decemberavond, als Letland en de Letten verlangen naar het licht. De eerste sneeuw zal zeker wat lichtschijnsel brengen, maar die moet nog vallen. Bij een bushalte in Sigulda, een voor Letse begrippen redelijk grote stad met 14 duizend inwoners, vijftig kilometer ten oosten van de hoofdstad Riga, staat een groepje kleumende mensen. De duisternis en de kou geven een gevoel van verlatenheid. Dan rijdt er een bus voor en als iedereen in de warmte van de bus de jas uitdoet valt opeens de bijzondere sfeer op. De passagiers zijn feestelijk gekleed, merendeels oudere dames met hun tienerkleinkinderen en een enkele man. De bus maakt nog wat rondjes door de stad en als de reisleidster alle passagiers een paar keer heeft geteld, slaat de chauffeur de weg in naar Riga. De zorgen over werk, gezondheid en kleinkinderen blijven achter, de passagiers gaan op weg naar de sprookjesachtige opera! Naar het licht, naar duizenden lichten.

Het leven in het armste land van de Europese Unie is niet makkelijk. De Letten moeten hard werken om het hoofd boven water te houden. Theater, concerten en beeldende kunst zorgen voor ontsnapping aan het hectische leven. En dan vooral de opera. Het prachtig gerenoveerde operagebouw in Riga neemt de bezoeker mee in een sprookje met pracht en praal. Veel Letten zijn in dit gebouw in de ban geraakt van muziek en zang. De wereldberoemde dirigent Mariss Jansons, de sopraan zangeres Inessa Galante en violist Gidon Kremer hebben hier hun eerste stappen als musicus gezet. Voorstellingen van de Letse opera moeten grote, kleurrijke decoraties hebben en veel mooie kostuums. Het minimale kennen mensen veel te goed uit het eigen leven. In de opera wil men zich door grootsheid laten verleiden.

Het is zeker niet het privilege van de hoogopgeleide stadse elite om naar klassieke muziek concerten, opera of theaters te gaan. Wie langs het operagebouw loopt, ziet tussen de dure auto’s vele oude bussen staan, waarmee de mensen uit de provincie naar de opera komen. Het is bijna onmogelijk om na afloop met het openbaar vervoer nog thuis te komen, dus huren mensen zelf een bus. Dat is bovendien goedkoper. In bijna elke stad is wel een enthousiasteling te vinden die tripjes organiseert en voor een bus en kaartjes zorgt. In Sigulda is dat een gepensioneerde muzieklerares. Zij volgt het nieuws over het muzikale leven op de voet en kiest de beste voorstellingen uit.

De Letten luisteren niet alleen veel naar muziek, ze maken het ook. Bijna in elke stadje is een muziekschool. Met als gevolg dat uitvoeringen opvallend veel jong publiek trekken, ook kinderen. Ook veel scholen organiseren uitstapjes naar muziekvoorstellingen. Tot voor kort was muziekles op alle scholen verplicht, en alle kinderen moesten in een koor zingen. Dat is niet langer zo. Volgens de regering moeten de Letten nu werken aan de opbouw van een kennismaatschappij en muziek is daarbij niet noodzakelijk. Ouders en vooral grootouders vinden dat geheel niet juist en brengen hun kinderen naar de muziekschool. En wie niet speelt, moet zingen. Geen feest zonder zingen.

Misschien is het grote Zangfestival, samen met de Midzomernacht, de mooiste traditie van de Letten. Het Zangfestival vindt eens in de vier jaar in het midden van de zomer plaats. Koren uit het hele land komen samen in Riga. Rond de 15 duizend zangers, de mooiste vrouwen en mannen (want de zingende mens is mooi, zeggen de Letten) brengen een concert dat ongeveer drie uur duurt. De laatste keer, in 2003, deden er 319 koren mee, die ieder voor zich vier jaar lang hebben geoefend op de oude en nieuwe liederen. Af en toe is er een regionale sessie – regionaal dirigent zijn is een erebaan – en een week voor het concert oefenen de 15 duizend mannen en vrouwen een week lang gezamenlijk in Riga. Het festival is een ongelofelijke gebeurtenis, voor de toeschouwers en voor de zangers. De kracht van het koor is enorm en niemand die dat kan stoppen, behalve de dirigent dan. Sinds Letland weer een vrije staat is, worden ook de oude liederen weer gezongen die onder de Sovjets verboden waren. Letten maken wel eens grappen over de grote Sovjetmacht die bang was voor het lied. Maar misschien zagen ze het goed en zit er een bijzondere kracht in de muziek en de tekst. Niet voor niets wordt de onafhankelijkheidsstrijd van de Baltische staten tegen de Sovjet Unie ‘de zingende revolutie’ genoemd.

Veel liederen gaan over het eigen land, dat Letland lief is en mooi, en dat men zorgzaam moet zijn voor het land en de mensen. Ze gaan over de geschiedenis van het land. En over mooie vrouwen en wijze mannen. Over de natuur en de jaargetijden die met het verloop van het leven worden geassocieerd. Het leven kan niet zwaar zijn als je zingt en pijn is al zingend makkelijker te verdragen. In de hele oude Letse gedichten – Dainas – worden de woorden ‘zingen’ en ‘werken’ vaak als synoniem gebruikt. Pēteris Vasks, een van de meest bekende hedendaagse Letse componisten, zegt dat het belangrijk is dat een musicus zijn eigen moedertaal klank geeft. Dichters laten in hun poëzie de schoonheid van de taal letterlijk voelen.

Samen met muziek en zang zorgt de taal voor een bijzonder gevoel van eenheid bij de twee miljoen Letten. Een verjaardags- of kerstkaart zonder een met de hand geschreven gedicht is voor een Let niet voorstelbaar. Poëzie is de schaduw van de liefde, schrijft dichteres Amanda Aizpuriete. In de Sovjettijd hebben mensen heel goed tussen de regels door leren lezen, nu lijkt de taal een nieuwe bloei mee te maken omdat niemand meer de schoonheid van de klank kan beteugelen. Hoewel, dat is niet helemaal waar, want in plaats van een vreemde overheersing is er geldgebrek gekomen. Er worden veel prachtige boeken uitgegeven maar boeken kopen is bijna een exclusief recht voor tweeverdieners geworden. De bibliotheken hebben op kosten van de Europese Unie moderne digitale catalogi gekregen maar hebben geen geld om nieuwe boeken aan te schaffen.

Hoe zal het de Letse cultuur in de Europese Unie vergaan? Cultuur kost geld, veel geld, en dat is nieuw voor de Letten die ook de gezondheidszorg, sociale zekerheid en een markteconomie moeten opbouwen. Zal de overheid de verantwoordelijkheid voor de cultuur op zich nemen? Soms wel. Er is bijvoorbeeld een wet in de maak die de toekomst van het Zangfestival moet zeker stellen. Vele boeken woorden medegefinancierd door het Cultuurfonds van de overheid. Minister van Cultuur Helēna Demakova doet haar best om de Letse cultuur internationaal bekendheid te geven en binnenlands steun te verlenen aan plaatselijke cultuurinitiatieven, al is het soms alleen in woorden. Juist van de plaatselijke actievelingen hangt het af of de voor Letland karakteristieke cultuuruitingen blijven voortbestaan. Zolang er mensen in koren zingen en zolang er mensen met elkaar samen in de bus stappen om naar een voorstelling te gaan, zal het goed gaan.

Litouwse magie 

Johan Snel

Toen de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld anderhalf jaar geleden stelde dat ‘het nieuwe Europa’ de Amerikaanse oorlogspolitiek door dik en dun steunt, dacht hij ongetwijfeld aan de nieuwe NAVO-landen in het oosten. Ook in Nederland refereren mensen graag aan de ‘nieuwe’ landen van Europa. Heel wat zondagse daluren op tv zijn al gevuld met reportages uit dat nieuwe Europa en de ‘nieuwe hoofdsteden’.

Wie wel eens in Litouwen komt, zal het moeilijk hebben met zoveel veronderstelde nieuwigheid. Als één ding meteen wel blijft hangen bij de meest zuidelijke Baltische staat, dan is het juist de associatie met het verleden. Met middeleeuwse steden en kruisvaardersburchten, met veel mythologie en folklore en met een gecompliceerde, niet meteen te plaatsen geschiedenis. In steden als Vilnius en Kaunas hangt die geest bijna tastbaar in de straten. De band met het eigen verleden zou wel eens een van dé karakteristieken van de Litouwse cultuur kunnen zijn. Niet voor niets is Trakai, een middeleeuwse kasteel-op-een-eilandje in een van de merengebieden, zo’n beetje het nationale symbool.

Het verleden is nooit ver weg, in Litouwen. Maar dan heb je het over een soort geschiedenis dat voor de doorsnee Nederlander een beetje vreemd is en niet per se lekker smaakt. Tenminste, op het eerste gezicht. En vooral: van buitenaf. Argwaan komt dan al gauw om de hoek kijken: zouden die melancholische Litouwers iets met nationalisme hebben? En hoe zat het ook al weer met de joden in de laatste wereldoorlog?

Onbekend maakt onbemind, luidt een cliché. Alleen de totale onbekendheid kan helpen verklaren waarom Litouwen zo onontdekt is door toeristen. Want al jaren heeft het land, met bijna de omvang van de Benelux, zo’n beetje alles te bieden wat een cultuurliefhebber zou kunnen wensen. Een fraaie natuur, veel historische bezienswaardigheden en nog meer culturele eigenzinnigheid. Die Litouwse cultuur is het onderwerp van dit stukje, maar leg die maar eens uit aan de lezer. Estland en Letland, dat lukt wel. Want dat zijn typische Oostzee-landen: een beetje Hanze, een beetje Scandinavië, en daarnaast nog best veel eigens. Maar voor Litouwen heb je nauwelijks aanknopingspunten. Ja, het is de meest noordelijke uitloper van een soort Midden-Europa dat ergens begint in Transsylvanië en eindigt in de Letse provincie Latgallen. Maar nee, het heeft ook zoveel vreemds dat je daarmee nog niet veel verder komt.

Een van de mooiste verborgen plekjes van Vilnius ligt een paar meter onder straatniveau. Het zijn de ontoegankelijke kelders onder de kathedraal die het centrum is van een stad waarvandaan ooit (dan heb je het over de late middeleeuwen) de heersers een vorstendom leidden dat reikte tot aan de Zwarte Zee. Een bijzondere kant van het Litouwse verleden kun je met je eigen ogen in die kelderruimten zien. Daar liggen namelijk de restanten van de kerk die de enige echte Litouwse koning, Mindaugas, in 1253 liet bouwen. Hij liet zich dopen, voor de gelegenheid, en de paus schonk hem een koningskroon. Maar al een paar jaar later ging het dak van de kerk er weer af en de heidense offerrituelen werden in volle glorie hersteld, zo’n beetje tot het einde van de middeleeuwen. En ook die intrigerende cultusplaatsen, opgegraven in de jaren dertig, zie je daar liggen. Waar vind je dat verder in Europa? Het meest uitgestrekte rijk van de hoogchristelijke middeleeuwen was dus, enig en uniek, weerbarstig heidens. Ze heersten over uitgebreide gebieden met christelijke onderdanen, maar zelf waren de laatste heidenen van Europa de Litouwers van toen.

Zijn de Litouwers van nu veel anders? Ook dan stuit je op een cliché waar je niet omheen kan: de magie. Vanaf de contrareformatie is Vilnius gedomineerd door de jezuïeten, die er een van dé baroksteden van (Noord-)Europa van hebben gemaakt. Maar ook de moderne Litouwse cultuur is nog steeds zwanger van andere, oudere geesten. Er is altijd een sterke neiging tot modernisme geweest in het Litouwse culturele leven, al sinds het begin van de vorige eeuw. En inmiddels is er alweer veel postmodernisme bijgekomen. Maar ook al die moderne kunst is niet te vatten zonder je te beroepen op de magie van het verleden, de eigen Litouwse mythologie waarmee alles doordrenkt lijkt.

Bij een wandeling langs de galeries van Vilnius, een theaterbezoek (en er is veel theater in Vilnius), of gewoon in een van de net-iets-minder trendy cafés waar je de dichters en de drinkers tegenkomt: altijd stuit je op datzelfde typisch Litouwse mengsel van melancholie en magie. Hèt voorbeeld daarvan is natuurlijk de nationale schilder en componist Mikalojus Ciurlionis. Zijn mythologische doeken zorgden een eeuw geleden al voor een sensatie. Veel van zijn werk hangt in een museum in Kaunas. Films zijn een ander tastbaar voorbeeld, zoals die van Sarunas Bartas, die wel eens draaien op het Filmfestival Rotterdam. En zelfs de geestelijk vader van de kunststroming Fluxus in de jaren zestig, de Amerikaan George Maciunas, ga je plotseling begrijpen wanneer je weet dat hij van geboorte een Litouwer was (een van die honderdduizenden ballingen waarvan er altijd wel een paar in het Amerikaanse congres zitten).

De liefhebbers van het Ierse Keltendom krijgen er een zware concurrent bij in het Europa van de 21ste eeuw, want de Litouwse cultuur heeft zo’n beetje alles wat nu nog exclusief met Ierland wordt verbonden. Sterker nog: geen ander Europees land doet zoveel aan Ierland denken, en het is ook nog eens exact even groot met bijna evenveel inwoners (3,6 miljoen).

Frank Zappa zou zich hier thuis voelen. In Vilnius heeft hij daarom een bronzen standbeeld, bijna zo groot als dat van legendarische middeleeuwers als Gediminas. Josef Brodsky voelde zich hier zeker thuis. Want die kwam hier vaak, in een blauw pand dat je kunt vinden als je goed de weg weet. (Een eeuw eerder woonde Poesjkin hier al, maar om zijn villa te vinden moet je nog beter de weg kennen.)

Wie Litouwen wil leren kennen moet de boeken lezen van een andere Nobelprijswinnaar, de Pool Czeslaw Milosz, in augustus op 93 jarige leeftijd overleden. Hij is in Litouwen geboren en zijn werk is nog steeds het beste wat er over dit land bestaat. Wil je meer begrijpen van al die stugge bewoners die al eeuwenlang de streken rond Vilnius bevolken – Litouwers, Polen, Wit-Russen, maar ook joden, Tataren en een volkje dat Turks spreekt en een soort joodse godsdienst aanhangt, de Karaïem – dan moet je bij hem wezen. In het Nederlands vertaald is de roman Het dal van de Issa (1981). Over de Litouwse last van het verleden en zelfs het lot van de joden die hier ooit hun Europese `Jeruzalem’ hadden, weet niemand zoveel te vertellen als hij. Totdat ook de overige Litouwse literatuur in meer toegankelijke talen vertaald gaat worden, maar dat duurt misschien nog even.

Gerelateerde artikelen