10 minuten

Liefhebbers & Wonderen

Het klimaat in Slovenië en Hongarije

De Europese Unie heeft er tien landen bij. Met de inwoners van deze landen vormen we één gemeenschap. Wat weten we van hen? Deel 2 van een serie kleine portretten van het culturele leven in de nieuwe lidstaten.

Sloveens wonder

Nevenka Koprivsek

De meeste Europeanen hebben geen idee waar Slovenië ligt. De Slovenen zijn daar verontrust over. Ze denken dat er iets misgaat met de promotie van hun land. Er was zelfs een stevige discussie of het misschien zou helpen om de nationale symbolen, zoals de vlag, te veranderen. Ik vind het wel goed om zo onvindbaar en onbekend te zijn, en met rust gelaten te worden. Heb je ooit een een krant gezien die schrijft over een land waar ze van tuinieren houden? Een land met de meeste kleine kerken per hoofd van de bevolking? Waar de mensen van lezen houden? Een land met onaangetaste vlaktes, meren en bergen, vol met beren, vossen, lynxen en wolven? Met bloemen en kruiden die elders niet groeien? Waar 80 procent van Europa's vogelsoorten leven? Zou iemand schrijven over een land met meer artiesten dan soldaten? Saai!

Omdat Slovenië bij elke grens is blootgesteld aan een andere culturele invloed – Italiaans, Duits, Hongaars en Slavisch – waaien permanent andere winden het land binnen. Het Sloveense karakter is hierdoor, net als het landschap, een mix van Slavische melancholie, Balkan-wildheid, Mediterraans temperament, Alpine bekrompenheid en Pannonische wanhoop. Hoewel niet altijd bewust van de voordelen van die diversiteit, zorgt die ligging op een cultureel kruispunt ervoor dat het land in beweging is en altijd alert…

Ik zal maar eerlijk zijn: mijn jarenlange theaterachtergrond heeft zijn sporen nagelaten in een neiging tot dramatisering – een onweerstaanbare drang om de dingen groter of kleiner te maken dan ze in het echt zijn. Als ik ‘thuis’ ben, dan ben ik een voorspelbare criticaster van mijn land, non-stop in discussie met autoriteiten en foeterend op het culturele klimaat. Maar zodra ik het land uit ben, gebeurt er iets vreemds. Een soort nationale trots – die ik normaal verafschuw – ontwaakt in me, plots en onbedwingbaar. Ik krijg de neiging om alle verhalen en clichés over de uitzonderlijke schoonheid van Slovenië nog eens te vergroten: haar magische landschap, rijke cultuur, ingenieuze kunsten…

Als ik thuis ben, stel ik vast dat Slovenië, net als alle post-communistische landen, er in is geslaagd de meeste onderdelen van de samenleving, zoals de industrie en de dienstverlening, weer op te bouwen, maar niet in staat is geweest iets te betekenen op het terrein van de cultuur. In tegenstelling tot de periode vóór de onafhankelijkheid, toen cultuur en identiteit alle aandacht kregen ten behoeve van het uitbouwen van een natiegevoel, is er nu niet één politieke partij die cultuur prioriteit geeft. Het idee is: eerst economische welvaart, de cultuur zal wel volgen. Jammer genoeg werkt het niet zo. Het gevolg is een enorm aantal uitgebluste nationale instellingen met achterhaalde programma’s, die onmachtig zijn om zich te hervormen. Tientallen musea waar geen kip komt en vele cultuurambtenaren met onaantastbare posities en banen tot aan hun pensioen.

Nu ik dit stukje schrijf zit ik in het buitenland en stel ik vast dat er, als bij een wonder, een verrassend grote artistieke gemeenschap met onafhankelijke kunstenaars en zelfstandige organisaties is gegroeid die, ondanks het gebrek aan duurzame steun, voor een dynamisch landschap van moderne kunsten zorgt en met gemak internationaal kan concurreren.

In de jaren tachtig werd de toon nog vooral gezet door de NSK, de Neue Slovenische Kunst, met namen als Laibach, Irwin and Sisters Scipion Nasice (later Red Pilot). NSK was geïnspireerd door de Russische avant-garde, de collectivisten en conceptualisten. Zij behoorden tot de eerste kunstenaars na de Tweede Wereldoorlog die probeerden internationaal te denken. Geheel de buik vol van dit collectivisme en intellectualisme werden de jaren negentig, de jaren van de net veroverde onafhankelijkheid, sterk gekleurd door een individuele benadering van kunstenaars. Een nieuwe generatie was opgestaan. In de danswereld werd de groep En Knap opgericht die inmiddels internationaal befaamd is en vaker in het buitenland dan in eigen land optreedt. Hetzelfde geldt voor het gezelschap Betontanc met zijn sterk ‘fysieke’ theater. Betontanc trekt over de hele wereld en gaat binnenkort ook op tournee door Nederland. Het gezelschap heeft ook een co-productie gemaakt met de Nederlandse theatergroep Jong Hollandia (verbonden aan ZT-Hollandia).

Als er al sprake is van Joego-nostalgie, dan is dat zeker het geval in de muziek. De Sloveense afscheiding kent twee nadelen en dat is dat er geen goede muziek meer is en geen goed voetbal. Dat laatste is een beetje gecompenseerd door de verrassende deelname van Slovenië aan het wereldkampioenschap voetbal in 2002. Wat betreft het eerste hebben we onlangs de opkomst gezien van twee etno-rock groepen: Terrafolk en Katalena, die het Sloveense publiek weer op de voeten krijgen. De jonge sterren van de elektronische muziek zijn de leden van Random Logic. De filmindustrie is klein door de kleine markt, maar filmers als Metod Pevec en Damjan Kozole doen mee aan internationale festivals en vullen de filmhuizen. De eerste Gouden Leeuw van Venetië ging naar de jonge regisseur Jan Cvitković voor zijn Bread and Milk.

Een markt van slechts twee miljoen Slovenen stimuleert ook niet echt een boekencultuur, toch worden -dankzij de vele kleine uitgevers- buitenlandse auteurs in ruime mate vertaald. Omgekeerd hebben de Sloveense schrijvers meer moeite vertaald te worden, een enkele uitzondering daargelaten, zoals de geniale filosoof Slavoj Žižek. Er zijn een paar romanschrijver vertaald in Engels en Frans, waaronder Boris Pahor, Drago Jančar en Miha Mazzini. De laatste ‘nieuwe-oude’ was de heruitgave van de klassieker Alamut van Vladimir Bartols (uit 1938). Mijn favoriete dichter Milan Jesih is nog een privilege voor enkel Slovenen.

De Slovenen gaan graag naar theater en film; de vele internationale festivals trekken veel publiek. Als je de ‘gewone man’ op straat er naar vraagt, dan zal hij zeggen dat kunst van belang is en dat hij het geen probleem vindt om er belasting voor te betalen. Wie echter ooit nog eens in Ljubljana komt, zal in het weekend geen simpele ziel op straat tegenkomen en zeker niet in de theaters. Ze zijn allemaal aan het tuinieren of aan de wandel in de bergen, of in het bos aan het plukken: paddestoelen, bessen, noten, afhankelijk van het seizoen. Als ik een kreet voor Slovenië zou moeten maken, werd het ‘de tuin van Europa’. Maar alsjeblieft, hou het voor jezelf.

János, Endre, Szilvi, Józsi

Éva V. Bálint

Het leven en de gewoontes van János, een soort Jan Modaal, zijn sinds de omwenteling in Hongarije in 1989 sterk veranderd. Hij heeft minder geld, terwijl er meer te koop is. Kranten en magazines kosten tien keer meer dan vóór de jaren negentig. Misschien is dit de reden dat János gestopt is met het lezen van ‘betrouwbare’ conventionele dagbladen en kiest voor de goedkopere boulevardpers. Hij kiest ook voor de commerciële televisiezenders die sinds de begin jaren negentig zijn opgericht. De Hongaren staan op de vierde plaats van de wereldranglijst van het aantal uren televisiekijken. Zodoende kopen ze ook graag de bladen die vol staan met artikelen over Big Brother, Való Világ (‘Werkelijke Wereld’, de concurrent van Big Brother) en andere series. De film De televisie en ik waarmee de Hongaarse Bojána Papp de juryprijs won op het Hongaars Filmfestival van afgelopen februari, gaat over die afhankelijkheid van de televisie.

In János’ kleine boekenkast staan vooral bestsellers en natuurlijk praktische boeken en een beetje esoterie voor zijn vrouw. Maar voor wij iets verkeerds van hem denken: hij heeft wel meer dan twee uur in de rij gestaan op het Internationale Boekenfestival van Boedapest voor een handtekening van Günter Grass. János was ook een van de kwart miljoen Hongaren die in lange rijen stonden voor de succesvolle overzichtstentoonstelling van Monet. En hij stond ook urenlang in de rij voor het Terro Háza, ‘Huis van de Terreur’, het museum over de onderdrukking en martelingen door zowel de nazi’s als door de communisten, dat in 2002 open ging.

Endre is meer een intellectueel. Hij spreekt meerdere talen en op televisie kijkt hij alleen naar de nieuwsprogramma's van CNN en BBC. Thuis heeft hij een grote bibliotheek met natuurlijk alle boeken van Péter Nádas, György Konrád en Nobelprijswinnaar Imre Kertész. Endre ontbreekt natuurlijk niet op de pianoavonden van András Schiff, bij de concerten van Armadina en die van Paul McCartney en op de première van Don Giovanni. Hij gaat regelmatig naar Wenen voor een voorstelling of tentoonstelling. Schiele en Kokoschka kunnen op hem rekenen. Endre is ook diegene die zeurt dat er steeds minder boekkritieken te vinden zijn in de ‘betrouwbare’ bladen, daarom leest hij over literatuur op het internet (bijvoorbeeld op http://www.litera.hu)/.

Exotische reizen kan Endre niet betalen, maar Europa ligt binnen zijn bereik. In Nederland bijvoorbeeld gaat hij niet alleen naar het Rijksmuseum of het Rembrandthuis, maar bezoekt ook de kleinere galerieën in Leiden. Hij zucht over de prijzen in euro's, maar thuis laat hij zijn aangeschafte repro's trots aan zijn vrienden zien en praat hij over de hedendaagse Nederlandse schilders. Endre woont natuurlijk in een grote stad, het liefst in Boedapest. De hoofdstad is in korte tijd veranderd van een stad met statige koffiehuizen in een stad met talloze kleine cafés, waar wordt ge-internet, business-afspraken gemaakt worden of boekenpremières worden gehouden.

Debuutroman
Szilvi is single en iemand die op vrijdagavond nog snel even een T-shirt koopt in een van  de dure winkels, omdat ze niks heeft om aan te trekken voor een feestje. De vrouwenbladen en de esoterische magazines kunnen op haar rekenen. Van de moderne Hongaarse literatuur leest ze de dichtbundel van Dani Varró of de debuutroman van Márton Gerlóczy, kortom alles wat trendy is. Zij werkt harder aan haar lichaam (buikdansen, Tai-chi en yoga) dan aan haar geest. Televisie kijkt ze nauwelijks – de carrière vraagt ook tijd – maar via de societybladen is ze geheel op de hoogte van wie wie is. Dat ze alleenstaand is, is niet uit overtuiging, ze heeft gewoon nog niemand gevonden. Kortom, Szivli is de Hongaarse Bridget Jones.

Józsi is een echte yuppie met zijn zonnebril van Versace en zijn vlotte pak waarvan hij weet dat hij het niet met witte sokken moet dragen. Omdat hij er meer mee kan opvallen, koopt hij eerder een auto dan een huis. Józsi is afgestudeerd aan de universiteit, maar de serieuze bladen leest hij slechts oppervlakkig – hij is een echte ‘koppensneller’. Hij houdt eigenlijk alleen maar van ‘ingekorte’ cultuur, daarom heeft hij veel readers: boeken die de laatste tien jaar een grote opmars gemaakt hebben in Hongarije. Ze zijn praktisch, samenvattend en dienen ook als decoratie.

Hij weet dat het chique is naar het operafestival van Bayreuth of Salzburg te gaan of naar de expositie van de Hongaarse kunstenaar El Kazovszky, maar liever surft hij op het Balatonmeer. Hij bezoekt wel het Hongaars Filmfestival, maar de meeste films vindt hij niet leuk omdat ze over armoede gaan, waaraan hij zich met succes heeft ontworsteld. Achteromkijken is verboden.

Rosé
Eén keer in de vier jaar ontmoeten János, Endre, Szilvi en Józsi elkaar, in de zomer op het Sziget Festival op het Obudai eiland. Dat is al tien jaar de multiculturele gebeurtenis van de hoofdstad, waar iedereen voor een paar dagen loskomt van zijn of haar sociale status. Hier vinden vele uiteenlopende culturele activiteiten plaats: van de Hare Krisna’s tent en de filosofische lezing van Ágnes Heller, tot het concert van Yonderboy (zie www.sziget.hu). Bier, cola, rosé, witte wijn, goulash, jasmijnthee: alles komt hier samen. De Roma-jongen, de bankier en de ster-reporter vermaken zich samen op het Sziget festival.

De Hongaar is net als de kubus van Ernő Rubik: veelzijdig, kleurrijk en moeilijk te begrijpen. Maar de Hongaarse cultuur is deel van de Europese cultuur, zoals de afgelopen eeuwen bewijzen, en ook in de toekomst zal ze er onafscheidelijk van zijn. Het is een kwestie van tijd, traditie en smaak of de Hongaren worden vereenzelvigd met Bartók, Kodály, Neumann, Szent-Györgyi, Kertész, Márai of Puskás.

Gerelateerde artikelen