12 minuten

Links en religie

Nieuw boek over beeldvorming islam

Onlangs verscheen het boek Van Harem tot Fitna, Beeldvorming over de islam in Nederland 1848-2010, van Theo Salemink en Marcel Poorthuis. Een van de conclusies is dat oude beelden van de islam tegenwoordig in een vernieuwde versie opduiken. Ook links blijkt vatbaar voor deze beelden, want het weet zich hoe langer hoe minder raad met religie.

Links heeft een probleem met religie. Dat laat de geschiedenis zien en dat laat het huidige debat over de islam zien. Links is met name huiverig voor de publieke rol van religie, tenzij de religie linkse standpunten inneemt, hetgeen overigens mijn persoonlijke voorkeur zou hebben. Met een vrijzinnige religie is nog te leven, zo kan men vaak horen, met een orthodoxe religie niet, waarbij overigens in het linkse debat orthodox en fundamentalistisch vaak als synoniem gebruikt worden. De denkgeschiedenis van links met betrekking tot religie – daarbij gaat het om een brede beweging van sociaaldemocraten tot communisten en anarchisten – kent vijf mentale frames die tot de dag van vandaag invloed uitoefenen.

Het eerste frame gaat natuurlijk terug op Karl Marx. Religie is opium van het volk. Met haar illusoire 'verlossing' in een bovennatuurlijke wereld remt de religie de sociale strijd op aarde. Religie is een gevaar voor de klassenstrijd of in sociaal-democratische woorden: een rem op sociale vooruitgang. Het tweede frame van denken gaat terug op de Verlichting. Religie is priesterbedrog en een 'dompers' wereldbeeld. Religie is een magische waarneming van de werkelijkheid, een projectie, die op gespannen voet staat met ratio en wetenschap, maar ook met de burgerlijke cultuur en de verlichte geest (Feuerbach). Een derde frame betreft de visie op de staat als morele opvoeder. De staat zou het maatschappelijk subject zijn dat ook binnen de kerken een humanistische dan wel socialistische beschaving kan en moet opleggen en zonodig afdwingen. Het vierde frame bevat een instrumentele visie op religie. In deze benadering heeft links zelf niets met religie, maar meent wel gebruik te kunnen maken van religie om zo het draagvlak van de socialistische beweging te verbreden, de confessionele arbeidersbeweging de wind uit de zeilen te nemen of de maatschappelijke vrede te bewaren (Job Cohen). Het vijfde frame komt voor in de kring van linkse christenen, in twee varianten. Religie is een extra, transcendente stimulans voor partijdigheid (religieus-socialisme en bevrijdingstheologie) of het is een extra bron voor kritiek op 'versteende religies' en seculiere ideologieën (Barth). Maar ook hier een grote huiver voor kerken als machtsinstituten en dogma's als mentale gevangenissen. Deze vijf linkse frames van denken verhinderen een realistische kijk op religies in een moderne, pluralistische samenleving en op hun bijdrage aan een maatschappelijke vrede.

Laat ik deze visie toelichten aan de hand van de linkse discussie over de islam in de afgelopen decennia.

Opium van het volk

Laten we beginnen met een voorbeeld van het eerste frame. In 1983 publiceerde de de Socialistische Partij de inmiddels beruchte brochure Gastarbeid en kapitaal. Hier geen keuze voor een islamitische zuil als voertuig van emancipatie, zoals bij het CDA toentertijd, en geen oog voor de religie als een positieve factor in de positie en integratie van minderheden, zoals bijvoorbeeld in het toenmalige rapport-Waardenburg (1983) bepleit werd. We zien hier veeleer een klassiek marxistische analyse van de samenleving met vooral oog voor de sociaal-economische positie van de 'gastarbeiders', die dan ook daarop worden beoordeeld. De partij pleit voor een premie van 75.000 gulden voor allochtonen die naar hun land van herkomst willen terugkeren; wie dat niet wil moet volledig integreren in de Nederlandse samenleving. In de brochure wordt in een aparte paragraaf 'Geloof en kultuur' aandacht besteed aan de islam als religie, maar de balans is voornamelijk negatief. De islam wordt gezien als de grote hinderpaal voor integratie in de Nederlandse samenleving. Om deze visie te onderbouwen wordt met instemming een artikel van de anarchist Anton Constandse uit De Nieuwe Linie van 2 april 1980 geciteerd, die benadrukt dat veel moslims de facto weinig aan hun godsdienst doen. Als ze wel actief hun geloof belijden, aldus Constandse en het SP-rapport, dan zijn het orthodoxe fundamentalisten en vallen ze in de kategorie van Drentse, Veluwse en Zeeuwse gereformeerden, met taboes en bijgeloof van eeuwen geleden. Hier klinkt, hoe wonderlijk voor een anarchist, het tweede, 'verlichte' frame mee: het orthodoxe geloof bevordert taboes, bijgeloof, verouderd wereldbeeld, stamveten e.d. De sp zelf was niet erg gelukkig met de commotie, die het rapport toen veroorzaakte. Het verwijt van racisme was niet van de lucht. Der visie op religie stond minder ter discussie. Jan Marijnissen noemde de affaire ooit een 'kras op mijn ziel'.

Vijfentwintig jaar later komt de SP in het rapport Gedeelde toekomst (2008) opnieuw te spreken over de islam. De felle retoriek over fundamentalisme en opium van het volk klinkt niet meer. Intussen zijn ook utopische christenen als Huub Oosterhuis iconen van de beweging geworden. Maar tegelijk benadrukt de SP in dit rapport dat religie slechts relatieve betekenis in het integratiedebat heeft. Het integratievraagstuk gaat niet over cultuur en religie, maar over sociaal-economische achterstand, over emancipatie en participatie. Integratie is vooral en in eerste instantie een 'sociale kwestie', niet een 'religieuze kwestie'. Het rapport spreekt dan ook vooral over 'samen leven, samen spreken, samen leren, samen wonen en zeker ook samen werken in Nederland'. Deze visie is ook terechtgekomen in het SP verkiezingsprogramma Een beter Nederland voor minder geld (2010). Overigens besteedt dit programma nauwelijks aandacht aan religie en komt het woord 'islam' er niet in voor.

Binden zonder binding

Hoe gaat de PvdA na 9/11 om met haar visie op de islam en haar traditionele huiver voor de publieke functie van religie? Tot dan had men vooral oog voor de 'sociale kwestie' als het ging om de multiculturele samenleving. In het nieuwe millennium voltrekt zich in de sociaal-democratie bij sommigen een verandering in het denken over de islam. Voortrekker hierbij is Job Cohen (1947), in 2001 benoemd tot burgemeester van Amsterdam en in 2010 plotseling lijsttrekker van de PvdA bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 9 juni.

Opgevoed met de sociaal-democratische visie op de religie als privézaak en achterhaald wereldbeeld ontwikkelt hij als burgemeester van Amsterdam een nieuwe visie. Op 1 januari 2002, in zijn eerste nieuwjaarstoespraak als burgemeester van Amsterdam, benadrukt Cohen de noodzaak van de dialoog tussen verschillende groeperingen in de stad en doet hij, tot veler verrassing, de oproep ook gebruik te maken van de religieuze infrastructuur in de stad voor die dialoog. Zijn motto is 'binden' en daarbij kan de moskee ook een rol spelen, ook als het gaat om een orthodoxe moskee. Dat zijn nieuwe visie in progressief Nederland niet in goede aarde viel, vermeldt Cohen zelf twee jaar later in een toespraak in Leiden. Hij parafraseert het commentaar aldus: ‘Was Cohen helemaal gek geworden? Wilde hij dan “de religie” opnieuw op een voetstuk zetten, net nu velen zich aan de knellende banden ervan hadden ontworsteld? Wist hij dan niet dat godsdiensten niets dan ellende op de wereld hadden gebracht? Wilde hij de sociale cohesie van de stad op deze manier op spel zetten? Was hij vergeten dat religie een achterhaald station was in de ontwikkeling van de mensheid? Zo ongeveer was de teneur van de reacties.’ Daarmee geeft Cohen aan hoe zowel in linkse als in liberale kring over godsdienst gedacht werd. Religie als ‘het bedrog der priesters’ of als opium. Typerend is overigens dat Cohen keer op keer de behoefte voelt om te zeggen: "Zelf heb ik niets met geloof. Ik vind ook dat je je zekerheden in de eerste plaats uit jezelf moet halen. Dat vind ik een van de belangrijkste verworvenheden van de Verlichting." Bij Cohen gaat het eerder om een instrumentele visie dan om een positief oordeel over de religie als zodanig.

Femke Halsema

In 1989 gaan CPN, PSP, PPR en EVP samen in de nieuwe partij GroenLinks. Veel van de ideeën van de voorgangers werken door, met name de visie op emancipatie en antiracisme, ook positieve aandacht voor de noodzaak van integratie en men herkent in racisme vooral de 'angst voor het onbekende' en 'onbehagen over de eigen situatie'. De aandacht voor de rol van religie is beperkt en gespleten. Femke Halsema maakt dat zichtbaar tijdens de conferentie Godsdienstvrijheid of vrij van godsdienst, van zaterdag 9 oktober 2010.

Wat is de lijn die Halsema volgt? Neemt zij afstand van de traditionele progressieve argwaan jegens een publieke religie en erkent ze de 'bindende kracht' van de religie, dus van de islam, in de huidige tijd, zoals Job Cohen doet? Dat is niet het geval. Ze neemt wel afstand van het oude marxistische oordeel over de religie als opium van het volk en roept de traditie van met name de PPR en EVP in herinnering waarin altijd sprake was van een 'verbondenheid met religie'. Maar daar verschijnt ook meteen een geheel eigen invulling. Halsema heeft enerzijds respect voor religie, spreekt zelfs positief over het islamitische vieren van de Ramadan, over het volgen van religieuze leefregels en het bij elkaar wonen in christelijke, joodse of islamitische bejaardenhuizen. Zij verdedigt ook het recht om een hoofddoek te dragen. Ze erkent en respecteert de betekenis van kerken en moskeeën als 'samenbindend en richtinggevend'. Toch is dit niet de kern van haar betoog. Ze clausuleert haar visie en laat de positieve woorden over de religie steeds volgen door een 'maar'. De voedingsbodem voor dat 'maar' is tweevoudig. Enerzijds grijpt ze terug op de traditie van christelijke religiekritiek binnen de EVP en PPR, een religiekritiek die volgens haar weinig waardering heeft voor de 'georganiseerde religie', met instituten en dogma's als versteende vormen van religieuze beleving. Religie is voor Halsema een kwestie van persoonlijke beleving en geen instituut. Daarmee distantieert ze zich van een communautaire dimensie van de religie, waar de progressieve politiek juist raakvlakken zou kunnen vinden om het individualisme van de moderne samenleving te boven te komen.

Dan wordt ook een tweede voedingsbodem voor haar reserve zichtbaar. In haar ogen is godsdienstvrijheid louter een individueel recht, geen collectief recht. Hier toont zich paradoxaal genoeg een burgerlijke traditie die niet denkt in gemeenschappen of instituties, noch in collectiviteiten, maar uitgaat van een autonoom individu met zijn en haar rechten en beleving. Dit individuele recht op godsdienstvrijheid verbindt Halsema vervolgens met een specifieke opvatting over de staat. De staat, of de politiek in brede zin, heeft als opdracht deze vrijheid van het individu, van de individuele gelovige te beschermen. Deze beschermende functie gaat twee kanten op. De staat moet allereerst garanderen dat individuele gelovigen in onze samenleving de vrijheid krijgen en behouden om hun religie op hun eigen manier te uiten. Mensen mogen in onze maatschappij niet gediscrimineerd worden omdat ze gereformeerd zijn, een kruisje dragen, een keppeltje of een hoofddoek. En ouders mogen hun kinderen naar bijzonder onderwijs sturen als ze dat willen. Maar er is een tweede taak voor de politiek. Ze moet de georganiseerde religie dwingen om ook intern de individuele vrijheid van godsdienst en andere vrijheden van de gelovigen te respecteren. Dat impliceert, aldus Halsema, dat de geïnstitutionaliseerde religies in hun eigen kring geen 'vooroordelen' en 'uitsluiten van andersdenkenden' mogen praktiseren. Gelovigen mogen niet 'bekneld raken' in hun levensstijl of persoonlijke geloofsbeleving. Het collectief staat volgens haar niet boven het individu. En hier denkt zij met name aan de verdediging van rechten van vrouwen en homo's. Religies moeten verplicht worden om ook intern emancipatieve normen door te voeren. Kortom, het eerder genoemde frame van de staat als morele opvoeder. Maar het is niet aan de politiek/staat om ritueel slachten te verbieden of hoofddoekjes in de publieke ruimte te weren. En het is ook niet aan de staat om individuele gelovigen te doen emanciperen binnen de eigen religie, alsof de staat dat beter kan dan de individuele gelovigen en beter weet wat goed is voor een gelovige. De staat is geen moreel subject. De staat is een omheinde ruimte met grenspalen en een infrastructuur voor hulp en stimulans.

Orthodoxie

Links zet in de afgelopen decennia meerdere accenten, als het om de islam gaat. Ons boek Van Harem tot Fitna (2011) maakt dat duidelijk. Klein links en groot links zijn niet uni voce, maar in de kern delen ze een huiver voor de publieke rol van de religie en dus voor de publieke rol van de islam, met name de orthodoxe islam. Alleen Job Cohen lijkt een uitzondering met zijn filosofie over 'binden', maar hier spelen eerder pragmatische overwegingen een rol dan een principiële positieve visie op de bijdrage ook van een orthodoxe religie aan een vreedzame samenleving. Het gaat ons hier niet om de persoonlijke vraag of men een orthodoxe dan wel vrijzinnige religie de voorkeur geeft, dat is een andere discussie, het gaat om de politieke vraag of een orthodoxe religie vanuit links perspectief een probleem is voor emancipatie en vrijheid in de publieke ruimte. Op grond van de geschiedenis valt te verdedigen – en dat zou een nieuw frame van denken kunnen zijn – dat ook orthodoxe religies niet enkel een probleem voor emancipatie en vrijheid geweest zijn en nog steeds kunnen zijn, maar ook een bijdrage hebben geleverd aan emancipatie en vrijheid in de samenleving. Orthodoxe religies waren en zullen een stimulans zijn voor de sociale emancipatie van minderheidsgroepen, zie de rol van de verzuiling in Nederland. Orthodoxe religies hebben ook een bijdrage geleverd aan de legitimatie van sommige individuele vrijheidsrechten naast grote reserves tegenover andere vrijheidsrechten. In dat opzicht is er niet veel verschil met de traditie van links als brede beweging. Ook daar ging de sociale strijd voor emancipatie en vrijheid niet enkel incidenteel samen met een nieuwe intolerantie en nieuwe onvrijheid 'na de revolutie' en 'in de hitte van de strijd'.

De klassieke linkse benadering van religie wordt gekenmerkt door een essentialistische benadering. Ik verdedig hier een historische benadering. Niet uit het 'wezen' van de orthodoxe islam of christendom of jodendom vloeien bepaalde onveranderlijke kenmerken en gedragingen voort. Godsdienst heeft geen 'wezen'. De orthodoxe islam, zo goed als christendom en jodendom, zijn historische verschijnselen die een meervoudig gezicht hebben, hoe 'anders' ook voor een modern levensgevoel of de cultuur van de grachtengordel. En in de huidige samenleving zijn godsdiensten sociologische factoren van gewicht, zeker na 9/11. Zonder de samenwerking met orthodoxe religies, zelfs als dat op individueel vlak zou conflicteren met een persoonlijke levensstijl, geen vrede in de wereld. Dat betekent niet dat we de ogen moeten sluiten voor de problematische kanten van de orthodoxe religies, zo goed als van vrijzinnigheid en van onze eigen linkse beweging. Maar de vrede in de samenleving na 9/11 is gediend met een politiek respect voor de publieke rol van de religies. En dat betreft niet enkel de rol van een weinig georganiseerde spirituele bewegingen of van een utopisch christendom of een mystieke islam, maar dat betreft politiek gezien ook de orthodoxe, geïnstitutionaliseerde religies, met hun dogma's, tradities en rituelen die vaak haaks staan op een verlichte, burgerlijke cultuur. Het persoonlijk onbehagen met deze vreemde orthodoxie van de islam, maar nu ook herlevend in jodendom en christendom, mag niet de politieke noodzaak tot respect en samenwerking en de hoop op een maatschappelijke vrede in gevaar brengen.

Deze visie is niet louter instrumenteel, zoals bij Cohen. Het gaat niet om een omgang en samenwerking van links met een externe partner, in dit geval de orthodoxe islam, maar het gaat er ook om aan de religie, ook de orthodoxe en ongemakkelijke religies, een plaats te geven binnen het interne linkse discours en beleid, bijvoorbeeld inzake ritueel slachten en de rechten van vrouwen en homo's.

Van Harem tot Fitna is onderdeel van een drieluik over de beeldvorming over de 'anderen' in Nederland: Donkere Spiegel (2006) over het jodendom, Lotus in de Lage Landen (2009) over het boeddhisme in Nederland en Van Harem tot Fitna (2011) over de islam. Het laatste boek is uitgegeven door Valkhof.

Gerelateerde artikelen