14 minuten

Linkse lente

Om het rechtse tij te keren moet links haar centrale opvattingen onder de loep nemen. Om te beginnen met het ideaal van individualisering en emancipatie. De invulling daarvan moet worden heroverd op rechts: geen egoïsme maar vrijheid in verantwoordelijkheid.

Eind mei 2005 zakte ik op een zeldzaam mooie lenteavond door met Ayaan Hirsi Ali. Bij alle diepgaande meningsverschillen over de politieke route leken wij die avond verbazingwekkend eensgezind in onze overtuiging over de gewenste bestemming: het ideaal van een vrijzinnige Nederlandse samenleving. Halverwege het gesprek noemde Hirsi Ali plotseling de legendarische verkiezingsposter van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) uit 1971 een icoon van het Nederland dat zij bewondert en idealiseert. In eerste instantie moest ik er om lachen dat uitgerekend zij, wiens stijlmiddelen polarisatie en confrontatie zijn, de afbeelding kiest van de euforisch uitgerekte, naakte vrouw voor een koe in de wei met als onderschrift ‘ontwapenend’. Met haar uitleg verdween de verbazing omdat zij de poster vooral beschouwt als cultureel antigif tegen religieuze wereldbeelden en oprukkende hoofddoeken in het bijzonder: ‘dit laten we ons toch niet afpakken’.

Het gesprek en haar voorbeeld bleven me bij, om er geleidelijk ook geërgerd over te raken. Uiteindelijk is Hirsi Ali niet geïnteresseerd in het gedachtegoed dat achter de poster schuilgaat, maar is het een van haar vele wapenen in de strijd tegen religieuze, islamitische benauwdheid. De poster is voor haar vooral een contrapunt en niet een toekomstvisioen.

De PSP-poster is legendarisch geworden allereerst, vanzelfsprekend, vanwege de naakte vrouw, destijds woedend geparodieerd door Dolle Mina met een alternatieve poster van een (langharige) naakte man met als onderschrift ‘onthullend’. Maar uiteindelijk ook omdat de naakte vrouw twee kernbegrippen uit het progressieve gedachtegoed ontwapenend symboliseert: vrijheid en verbeelding. Vrijheid door het letterlijk afwerpen van alle overtollige kledingstukken; verbeelding door de verleidelijke suggestie dat naaktheid een andere, vreedzamere samenleving zal brengen.

In zijn bijdrage aan het boek Vrijheid als ideaal analyseert Pieter Hilhorst terecht dat bevrijding als ‘de vreugde om gewonnen ruimte’, ‘als loskomen van de wereld’, leeg is en misleidend. Vrijheid krijgt pas betekenis als zij gepaard gaat met een politieke conceptie van het goede leven en met verantwoordelijkheidsbesef bij het bevrijde individu. De poster was en is als zinnebeeld voor vrijzinnig links dan ook problematisch. Niet omdat deze seksistisch zou zijn, maar omdat de idealisering van ‘bevrijding’ in antwoord op oorlog, onderdrukking en ongelijkheid simplistisch en eenzijdig is (zie ook mijn artikel ‘Vrijzinnig links, in de Helling nr. 2-2004).

Criminaliteit

De sterke nadruk op bevrijding van het individu heeft linkse en progressieve politici de afgelopen decennia ook kwetsbaar gemaakt. In de eerste plaats is individualisering na de jaren zeventig als politiek ideaal in een ander daglicht komen te staan. In de no-nonsense kabinetten van Ruud Lubbers versmalde het geëmancipeerde individu tot een economisch, calculerend burger. Tegelijkertijd werden de snel stijgende criminaliteit, het toenemende free riders-gedrag door werkgevers en werknemers in de sociale zekerheid en de groeiende maar vage onrust over algehele normvervaging geweten aan de individualisering.

Veel linkse en progressieve politici worstelden met de kritiek op de individualisering. Sommigen diskwalificeerden de eigen idealen als vorm van ‘doorgeschoten individualisme’; anderen omarmden juist de tijdsgeest van het stimuleren van marktliberalisme en het versterken van de materiële belangen van burgers. Met name in de jaren negentig had dit een waterscheiding binnen links tot gevolg. Aangezien individualisering in toenemende mate gold als een rechts en paars project, reageerden veel linkse, oppositionele politici door in collectivisme en pleidooien voor overheidsingrijpen te vluchten. GroenLinks, de SP en het linkerdeel van de PvdA bepleitten verstatelijking van de solidariteit, terwijl sociaal-democraten die de paarse regeringsmacht mede vormgaven, vooral de individuele welvaart leken te willen bevorderen.

Terugkijkend is het toenemende staatspaternalisme vooral voor GroenLinks en haar vrijzinnige voorlopers (PSP en PPR) problematisch. Ofschoon GroenLinks altijd sterk verbonden is gebleven met het individualisme van de jaren zeventig, heeft de partij in de afgelopen jaren nagelaten een tweede stap in haar emancipatiestrijd te zetten: het ontwikkelen van een soevereine opvatting over sociaal-economische vrijheid. In plaats daarvan is leentjebuur gespeeld bij de sociaal-democraten die een grote voorkeur aan de dag legden voor bevoogdende staatsarrangementen.

Identiteit

De kwetsbaarheid van de bevrijdingsideologie van de jaren zeventig heeft zich, in de tweede plaats, nog sterker gemanifesteerd op het culturele vlak. In het kielzog van de geslaagde emancipatie van vrouwen, homoseksuelen en religieuzen, werd het snel groeiend aantal migranten een aanlokkelijk perspectief van autonomie en zelfstandigheid voorgehouden. Niet de sociaal-economische emancipatie kwam centraal te staan, maar ruimte ‘voor de eigen identiteit’. De nefaste uitwerking van ‘het beleid voor behoud van eigen identiteit’ is inmiddels tot in den treure uitgemeten. Terwijl in de jaren tachtig de werkloosheid snel steeg, zijn de sociaal-economische achterstanden bij migranten te lang genegeerd. Tegelijkertijd is het juist voor links zo belangrijke ideaal van emancipatie door allochtone gemeenschappen en groeperingen gebrekkig overgenomen. Als een gevolg daarvan verminderde de tolerantie onder, met name, kansarme autochtonen die met allochtonen samenleefden of van nabij werden geconfronteerd met de stijgende criminaliteit van allochtone jongeren. Anders dan vaak wordt gesuggereerd beperkte het defaitisme zich niet tot links: tot ver in de jaren negentig werd het gehele politieke establishment beheerst door de gedachte dat respect voor de individuele autonomie van migranten gelijkstond aan non-interventie.

De afgelopen jaren hebben zowel de linkse als rechtse politieke partijen hun opvattingen bijgesteld. Ook GroenLinks heeft haar statische opvatting over ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ verruild voor het meer dynamische ‘integratie door emancipatie’. Anders dan haar linkse bondgenoten, blijft GroenLinks echter de individuele en culturele vrijheden van migranten en allochtonen benadrukken, zij het dat zij sterker dan in het verleden hamert op de rechtsstatelijke grenzen ervan.

Angst

Door verschillende auteurs in Vrijheid als ideaal wordt opgemerkt dat er inmiddels een politieke strijd woedt om het begrip ‘vrijheid’. Die strijd laat GroenLinks, met haar historie van vrijheids- en emancipatiestreven, niet aan zich voorbijgaan. Hirsi Ali mag dan oppervlakkig flirten met de PSP-poster en het ideaal van individuele bevrijding, de politieke retoriek en de maatregelen die daarmee gepaard gaan, zijn hiermee – op zijn zachtst gezegd – in strijd. Uit een aantal tendensen blijkt dat de regeringspartijen zich juist ver verwijderen van de recente, Nederlandse emancipatiegeschiedenis. Ik noem de volgende:

1. Emancipatienihilisme. Zowel in de conservatief-liberale opvattingen van de VVD, als in de normen- en waardencampagne van premier Balkenende regeert een nihilistische visie op het individu. Geïndividualiseerde burgers functioneren in deze visie zonder gemeenschappen en worden beoordeeld op hun maatschappelijke en economische succes. Onderscheid tussen burgers naar kwetsbaarheid en emancipatiemogelijkheden wordt nauwelijks gemaakt, omdat in de rechts-conservatieve filosofie (het gebrek aan) ‘de eigen verantwoordelijkheid’ de verschillen verklaart. De klassieke notie van emancipatie als het mogelijk maken van sociaal-economische en culturele keuzevrijheid, verdwijnt uit het politieke zicht. Daar tegenover werpen rechts-conservatieve politici zich op als de hoeders van de goede zeden en de bewakers van de dominante cultuur. Volgens het CDA zijn gedeelde waarden de norm, terwijl de VVD om patriottisme vraagt en vindt dat juichen voor het Nederlands elftal van iedereen mag worden verlangd. ‘Onze’ cultuur wordt beschouwd als een vaststaand gegeven en tolerantie ten opzichte van onze onderlinge verschillen als een bedreiging. De PSP-poster is voor Hirsi Ali een dwingende oproep aan moslimvrouwen om hun hoofddoekjes af te gooien en zich te voegen naar de dominante, seculiere cultuur.

2. Economisch reductionisme. Niet alleen zijn sociaal-economische emancipatie en culturele keuzevrijheid naar de achtergrond gedrongen, de individuele burger wordt eenzijdig beoordeeld op zijn bijdrage aan de economische groei. Vrije tijd is een kostenpost, welzijn een privé-aangelegenheid, de veertigurige werkweek een zogenaamde economische noodzaak. De ontspannen samenleving en een rechtvaardigere verdeling van arbeid en zorg staan onder zware druk, bijvoorbeeld omdat de mogelijkheden voor kinderopvang, tussen- en naschoolse opvang en mantelzorg ronduit armetierig zijn. Een treurige illustratie van economisch reductionisme zijn ook de verwaarlozing van het milieubeleid en de verloedering van de cultuurpolitiek. Waar van oudsher subsidies werden verleend aan instellingen en gezelschappen die hun culturele waarde bewezen zonder dat ze op de markt konden renderen, worden geldstromen nu hoofdzakelijk aangewend als prikkels voor marktconform optreden. Logischerwijs worden kleine, non-conformistische en dwarse (maar subsidie-afhankelijke) cultuuruitingen als eerste in hun voortbestaan bedreigd.

3. Angstpolitiek. De regering-Balkenende tracht steun te vinden voor een grootscheepse saneringsoperatie onder verwijzing naar beangstigende en pessimistische toekomstscenario’s: internationale
concurrentie, vergrijzing, oplopende culturele spanningen en terroristische dreigingen. Bovendien wordt telkenmale een harde en dikwijls vernederende confrontatie gezocht met migranten en hun vertegenwoordigers. De doembeelden vergroten de al bestaande onzekerheid over de identiteit van het land, terwijl de angst voor terrorisme, immigratie, falende integratie en islam hand over hand toeneemt.

4. Autoritarisme. Met de groeiende angst voor de toekomst neemt ook de roep om een sterke man toe. Anders dan voorgaande kabinetten maakt de regering-Balkenende van ‘sterk leiderschap’ een doel. De plotselinge populariteit van de rechtstreeks gekozen formateur en burgemeester bij een conservatieve partij als de VVD, heeft weinig te maken met democratisering van de macht. Veeleer wenst men een machtsverschuiving te bewerkstelligen van de volksvertegenwoordiging naar de gekozen bestuurder die met een groot en eigen mandaat parlementaire bezwaren tegen politieke maatregelen terzijde kan schuiven. Daarmee komt een van de beginselen van de moderne democratie onder druk te staan, namelijk dat niet macht, maar publiek gezag het kenmerk is van de democratische leider. Bij gebrek aan publiek gezag, lijkt dit kabinet te bezwijken voor de lokroep van machtstoe-eigening.

Lente

Tegenover het regerende economisch liberalisme, het assimilatieoffensief dat een toenemend aantal (allochtone) burgers uitsluit en vernedert en tegenover de ‘handelaren in angst’ (zie Geert Mak) die de bange burgerij disciplineren, is het voor links belangrijk om het spoor terug te volgen naar de jaren zeventig. Zonder de schaduwzijden van gewelddadig extremisme en al te revolutionair activisme te bagatelliseren, hebben vooral in die jaren burgerlijke vrijheid en emancipatie hun maatschappelijke en politieke beslag gekregen. Om Jos van der Lans en Antoine Verbij te citeren in hun Manifest voor de jaren zeventig: “De jaren zeventig vormen een unieke periode in de naoorlogse geschiedenis van ons land, een periode die wezenlijk verschilt van wat eraan voorafging en wat erna kwam. Het was de bloeitijd van actiegroepen, politieke organisaties, solidariteitscomités, basisbewegingen, bedrijfsorganisaties, overlegorganen, buurtcomités en praatgroepen. Vrijheid en verantwoordelijkheid gingen hand in hand. De zorg om het eigen ik viel samen met de zorg om de gemeenschap. Nederland was in de jaren zeventig een morele proeftuin waarin burgers met vallen en opstaan op zoek gingen naar de optimale balans tussen de grootst mogelijke vrijheid en het grootst mogelijke engagement.”

Het zou naïef zijn om te veronderstellen dat de herleving van praatgroepen het conflictueuze gehalte van de moderne Nederlandse samenleving zou verminderen. Maar voor vrijzinnig-linkse politici die, zoals ik, zich geïnspireerd voelen door de emancipatiebewegingen uit de jaren zeventig, is de notie van moreel of sociaal-individualisme (zie Dick Pels in Vrijheid als ideaal) onverminderd actueel. Of het nu gaat om moslimvrouwen die de deur nauwelijks uitkomen, bijstandsgerechtigden die met hoge schulden kampen, autochtone middengroepen die uit verkleurende wijken naar witte suburbane enclaves vluchten, topmanagers die zichzelf exorbitant verrijken of bedrijven die hun milieukosten op de gemeenschap afwentelen, in al deze gevallen is er geen balans tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. In het ene geval is vrijheid zo goed als afwezig, in het andere geval verantwoordelijkheid of sociaal engagement.

Sociaal-individualisme betekent een ferm, politiek verzet tegen de heersende uitleg van individualisme als consumentisme en egoïsme. Maar ook de onevenredig zware nadruk die linkse partijen de afgelopen decennia hebben gelegd op verstatelijking van de solidariteit, komt onder vuur te liggen. Individuele autonomie vereist dat de overheid sociaal-economische belemmeringen voor zelfontplooiing zo veel mogelijk opruimt. Daarvoor zijn staatsinterventies onontbeerlijk, maar de aantrekkelijkheid van vrijzinnig links is niet gelegen in restauratie van de verzorgingsstaat of enkel in de bescherming van ‘de verworven (pensioen)rechten’ van oudere werknemers. De huidige verzorgingsstaat kweekt afhankelijkheid en inactiviteit door de traditionele nadruk op inkomenssteun. Veel te weinig wordt een beroep gedaan op het sociale engagement van mensen, op hun behoefte zichzelf en de samenleving te ontwikkelen. Onterecht worden in de bestaande regelingen ouderen bevoorrecht boven jongeren. Pensioenvoorzieningen, de AOW en de WW zijn alle gericht op arbeidsduur en leeftijd, waardoor ouderen ook dikwijls voortijdig worden afgeschreven voor de arbeidsmarkt. In een moderne en geïndividualiseerde samenleving moeten – juist voor jonge en kwetsbare mensen – de arbeidsmarkt en de werktijden verregaand worden geflexibiliseerd, de verhouding tussen arbeid en zorg grondig worden herzien en ondersteunende faciliteiten als persoonsgebonden budgetten voor bijvoorbeeld de kinderopvang worden uitgebreid. Voor ouderen worden de mogelijkheden voor langere arbeidsparticipatie vergroot, door bijvoorbeeld een flexibele AOW-leeftijd te introduceren.

Vies

Voor alle burgers geldt dat het leven in gemeenschapsverband niet alleen hun welzijn verhoogt, maar ook (in hoge mate) bepalend is voor hun individuele keuzes. De crux van sociale individualisering is evenwel dat niet ‘de zwerm bepaalt wat goed is voor de bij’. In ‘lichte gemeenschappen’ behoudt het individu zijn keuzevrijheid, maar ontwikkelt hij tegelijk zijn sociale engagement (zie ook Duyvendak en Hurenkamp, Kiezen voor de kudde).

Respect voor het sociale individu veronderstelt dat de overheid niet nodeloos moraliseert. Vooral in groene politiek zou het praktisch idealisme moeten regeren. Zo is het bijvoorbeeld alleszins redelijk om met praktische maatregelen het gebruik van grote, gevaarlijke en milieuvervuilende auto’s (de zogenaamde SUV’s) in de buurt van scholen te ontmoedigen. Maar het geeft geen pas, noch is het effectief om de bezitters ervan af te schilderen als ‘a-sociaal’ of ‘rijke tweeverdieners’. Veel beter dan het veroordelen van consumentistische leefstijlen of het milieuvervuilende bedrijfsleven, is het hanteren van het principe dat de vervuiler betaalt door radicale ‘vergroening’ van het belastingstelsel en het goedkoper maken van milieuvriendelijk gedrag (goedkoop en goed openbaar vervoer, het stimuleren van groene energie, etc.).

In een vrije en geïndividualiseerde samenleving zijn verschillen tussen mensen geen bedreiging maar een groot goed. Niet elk verschil kent echter dezelfde waardering. Mondigheid van burgers verdient lof, ‘grote-mondigheid’ schaadt de vrijheid van anderen. Religieuze tradities en gebruiken, jongerenculturen en subculturen kleuren de samenleving; vernedering, uitsluiting en geweld zetten die veelkleurigheid juist onder druk. Respect voor verschil is niet hetzelfde als onverschilligheid jegens intolerantie en intimidatie. Werkelijke tolerantie komt niet zonder slag of stoot tot stand, maar vereist debat en onderhandeling. Tegelijkertijd wordt elke individuele burger zijn eigenaardigheden gegund om te voorkomen dat hij opgesloten raakt in een van bovenaf opgelegde, benauwende groepsmoraal. Of in de woorden van Ilja Leonard Pfeijffer: “Wie tolerant is, begrijpt dat de anderen anders zijn, zou misschien zelf nooit zo willen zijn, heeft misschien zelfs nare gevoelens bij die anderen, vindt ze misschien zelfs vies en verkeerd, maar heeft het intellectuele besef dat het beter is voor de samenleving om dergelijke gevoelens te onderdrukken en er niet naar te handelen.”

Tafelzilver

Een vrije en geïndividualiseerde samenleving vergt zelfbeperking van politici. Niet in hun idealen maar wel in de instrumenten die zij gebruiken om hun politieke agenda aan burgers op te leggen. Bert van den Brink laat in Vrijheid als ideaal zien dat het conservatieve liberalisme een allesbehalve liberale overredingsstrategie hanteert. De wens van Hirsi Ali dat moslimvrouwen geen hoofddoeken dragen, leidt in de politieke retoriek tot vernedering van die vrouwen, en heeft als praktische consequentie dat verregaande beperkingen aan hen worden opgelegd in het openbare leven. Volgens Van den Brink berust publieke vrijheid op het in samenwerking met andere burgers bepalen welke vormen van inmenging in ons privé-domein we dulden en welke niet. Grote groepen (met name allochtone) burgers wordt echter geen politieke definitiemacht gegund, terwijl ze in toenemende mate het object zijn van autoritaire beslissingen. De ‘vertrouwensvraag’ tussen burger en politiek gaat uiteindelijk veel minder over het kiezen van de macht (de gekozen burgemeester en minister-president) maar over het medebeslissingsrecht van burgers over zaken die hen wezenlijk aangaan. Migrantenkiesrecht is geen cadeautje, maar een harde voorwaarde voor betrokkenheid van allochtone burgers bij de politieke maatregelen die hun vrijheid raken. Respect voor burgerlijke autonomie en emancipatie veronderstelt met andere woorden ook een politieke etiquette. Tot het tafelzilver behoren een principieel ontzag voor de democratische rechtsstaat en het besef daaraan dienstbaar te zijn. In plaats van macht te verzamelen, wordt het publieke gezag dan ontleend aan een maximale beperking van de eigen macht ten gunste van democratisering en medezeggenschap.

Passie

Je hoeft niet, zoals ik, verslaafd te zijn aan politieke peilingen, om ervan overtuigd te zijn dat een groot deel van de Nederlandse bevolking zijn bekomst heeft van het conservatisme en de angstpolitiek van de regerende politieke partijen. De demonstratiebereidheid groeit, hoopgevende maatschappelijke initiatieven (zoals het filmproject 26.000 Gezichten over uitgeprocedeerde asielzoekers, of de gekleurde armbandenrage als protest tegen bijvoorbeeld armoede, geweld en discriminatie) ontstaan elke dag. Het 21-minuten-onderzoek onder 150.000 Nederlanders laat zien dat een meerderheid verlangt naar een meer ontspannen en sociale samenleving (www.21minuten.nl, voorjaar 2005). Voor veel linkse politici is passie een vies woord geworden, nu vooral rechts gepassioneerd inspeelt op burgerlijke angsten, en culturele tegenstellingen aanwakkert. In reactie verdedigt links liever de kalme consensus van de overlegdemocratie. Bovendien ijlt de Fortuyn-revolte na in de voortdurende ridiculisering van progressieve en vrijzinnige idealen. Gevoelig voor de rechtse verwijten van politieke correctheid, dompelen sociaal-democratische politici zich met graagte onder in koffiehuizen, en mijden zij het politieke conflict. Maar politiek en passie horen onverbrekelijk bij elkaar en juist in het huidige tijdsgewricht, waarin angst en onzekerheid het toekomstperspectief van veel mensen in ons land beperken, is er behoefte aan de hartstochtelijke en optimistische verdediging van burgerlijke vrijheid en emancipatie. Als de voortekenen niet bedriegen, kan dan een linkse lente doorbreken. Terugkeer naar het vrolijke maar ook vrijblijvende idealisme van de jaren zeventig is geen optie. Maar sadder and wiser, en in de wetenschap deel uit te maken van een rijke traditie van emancipatie en bevrijding, is er geen beletsel voor een nieuw links en vrijzinnig hervormingsproject. De doorslaggevende voorwaarde is wel dat linkse politici zich bevrijden, misschien niet van hun kleren, maar wel van de ballast van onterecht berouw en valse bescheidenheid.

Gerelateerde artikelen