3 minuten

Marketing

Column Daniëlle Hirsch

De afgelopen maanden spraken premier Rutte en minister Kaag hun collega’s bij de Wereldbank, de EU en de VN aan op de noodzaak om klimaatverandering aan te pakken. Zo riep minister Kaag, samen met onder andere ministers uit Duitsland en Frankrijk, in een ingezonden brief in The Guardian het IMF op tot het financieren van duurzaam herstel door vooral in te zetten op groene infrastructuur en koolstofarme economieën.

Dat klinkt natuurlijk geweldig, en is zeker een belangrijk signaal naar de internationale financiële instellingen. Maar toch vraag ik me af hoe Kaag en Rutte dit soort boodschappen met droge ogen kunnen uitdragen. Want achter het wervende optreden van onze ministers richting andere landen zit een patroon. Nederland is de hoeder van het multilateralisme, roept op tot ‘samen de schouders eronder zetten’ als het om de aanpak van de klimaatcrisis gaat, en gooit daar vanuit ons snel kleiner wordende budget voor ontwikkelingssamenwerking ook nog graag wat geld tegenaan.

Maar zelf stappen zetten binnen de eigen beleidsportefeuilles en budgetten, is er niet bij. Minister Kaag vindt het, net als haar collega’s bij Financiën, bijvoorbeeld nog steeds te ver gaan om fossiele bedrijven uit te sluiten van de steun die ze aan Nederlandse exporteurs geeft.

Dit patroon is niet alleen zichtbaar in de manier waarop we ons publieke budget besteden, maar ook in regelgeving. Binnen de EU zegt Nederland, onder leiding van diezelfde minister Kaag, voorstander te zijn van van strengere duurzaamheidsregels voor alle bedrijven die buiten hun eigen landsgrenzen ondernemen. Maar strengere regelgeving in eigen land richting Nederlandse bedrijven gaat haar vooralsnog te ver  - ook al wijzen recente studies uit dat de activiteiten van die Nederlandse bedrijven duurzaamheid en mensenrechten onvoldoende verankeren.

Dweilen met de kraan open

Minister Kaag en de premier zijn overigens niet de enigen die graag voor de camera mooie woorden spreken, maar daar in eigen huis geen actie aan verbinden. Ook Cora van Nieuwenhuizen, onze kampioen ‘mainport’-ontwikkeling en groot liefhebber van auto’s en vliegtuigen, heeft er een handje van.

Samen met internationale kopstukken als Ban Ki Moon en Bill Gates richtte zij het Global Centre on Adaptation op, dat landen helpt met het opvangen van de klappen van klimaatverandering. Tegelijkertijd is zij de minister die Schiphol laat groeien, vliegveld Lelystad wil openen en fossiele knooppunten als de haven van Rotterdam omarmt. Dweilen met de kraan open: aan de ene kant laten we onze fossiele activiteiten groeien terwijl we aan de andere kant landen ‘helpen’ met de aanleg van dijken om droge voeten te houden.

Nederland laat zich er internationaal graag op voorstaan een groen land te zijn dat bijdraagt aan een eerlijke wereldeconomie. Maar in plaats van de daad bij woord te voegen door ook in hun eigen beleidsportefeuilles de broodnodige veranderingen door te voeren, hebben onze eigen ministers het erbij laten zitten. In de komende maanden gaat dat niet meer veranderen, ook op de urgente klimaatportefeuille.

Als we een beter klimaat willen, moeten we kiezen voor een ander buitenlandbeleid: beleid dat niet alleen aan marketing doet, maar dat hand in hand gaat met een stevige aanpak in eigen huis.

Dit artikel staat in het winternummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen