11 minuten

Meepraten

Innovatie en democratie

Een democratische ontwikkeling van controversiële nieuwe technologieën is niet gediend met een algemeen publiek debat. Het is zinvoller om te discussiëren met direct betrokken wetenschappers en groepen burgers die met de gevolgen van een bepaalde technologie worden geconfronteerd.

“GM-gewassen dreigen de grootste milieuramp ooit te veroorzaken.” Afgelopen augustus uitte prins Charles in The Daily Telegraph nog maar eens felle kritiek op het gebruik van genetisch gemodificeerde gewassen. Het gemak waarmee de ultieme publieke figuur Charles met dit soort uitspraken de krant haalt, toont dat in Engeland nog altijd een brede maatschappelijke discussie over biotechnologie woedt. Maar in hoeverre draagt een discussie in de krant bij aan een democratische ontwikkeling van gentechnologie?

Sceptisch

De grote maatschappelijke onvrede over GM-voedsel en -gewassen die in de jaren 1990 in Engeland en veel andere Europese landen ontstond, is een schrikbeeld geworden voor velen die zich bezighouden met onderzoek naar genen en hun functies. Menig onderzoeker, ondernemer en politicus werd onaangenaam verrast door de omvang en de heftigheid van de discussie, temeer omdat de economische belangen van deze innovatieve technologieën groot zijn. Waar kwam deze weerstand vandaan en hoe had die wellicht voorkomen kunnen worden?

Zowel voor- als tegenstanders van GM-producten wijten het gebrek aan maatschappelijk draagvlak grotendeels aan onwetendheid bij het grote publiek: onbekend maakt onbemind. Zij baseerden zich op het zogenaamde deficitmodel: de aanname dat meer kennis bij de ‘gemiddelde’ burger zal leiden tot een gunstigere en positievere houding tegenover nieuwe wetenschap en technologie.

Sociaal-wetenschappelijk onderzoek heeft echter laten zien dat er goede redenen zijn om aan het deficitmodel te twijfelen. Zeer goed geïnformeerde mensen blijken vaak sceptisch te blijven en soms leidt meer informatie zelfs tot een kritischer houding, omdat mensen dan ook de nadelen beter kunnen inschatten. Informatievoorziening is en blijft van belang, maar het lijkt erop dat meer informatie niet zonder meer resulteert in maatschappelijke steun en acceptatie van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Dat komt doordat een debat als dat over GM-gewassen vooral gaat over maatschappelijke, ethische en politieke vragen die niet op basis van wetenschappelijke informatie te beantwoorden zijn. Ironisch genoeg gaat het in een maatschappelijke discussie juist vaak om de vraag: wie levert de informatie en is die betrouwbaar?

Wetenschappers en beleidsmakers hebben lessen getrokken uit de discussie over GM-gewassen. In plaats van informatievoorziening als eenrichtingsverkeer zou communicatie tussen wetenschap en samenleving veel meer de vorm moeten hebben van een dialoog. Burgers betrekken bij besluitvorming werd het nieuwe devies.

Dubbele tong

Deze ‘participatieve wending’ is terug te zien in nationale publieke debatten in Engeland en in Nederland. In Nederland organiseerde in 2001 een commissie onder leiding van Jan Terlouw het debat ‘Eten en Genen’. Engeland deed een vergelijkbare exercitie in 2003: ‘GM Nation?’ Beide debatten gaven blijk van eenzelfde zorg. Wat voorkomen moest worden, is dat in de discussie alleen de ‘usual suspects’ aan het woord zouden komen, zoals milieuorganisaties of partijen met politieke belangen, die het debat zouden ‘gijzelen’. Het expliciete doel van de nationale debatten was om vooral ‘gewone burgers’ en ‘gemiddelde consumenten’ aan het woord te laten.

Het resultaat van deze overheidsinitiatieven was niet eenduidig. ‘Eten en Genen’ trok vooral aandacht omdat het debat zelf meer ter discussie stond dan het onderwerp GM-gewassen. Op 28 september 2001 zegden Greenpeace en veertien andere maatschappelijke organisaties het vertrouwen op in de commissie Terlouw uit onvrede met de vormgeving van het debat. Nog los van de vraag wat de publieke debatten op allerlei plekken in Nederland uiteindelijk opleverden voor het Nederlandse beleid, waren het vooral de uitgangspunten die kritiek oogstten. Een conclusie van onderzoek van Lucien Hanssen en Jan Gutteling dat gelijktijdig met ‘Eten en Genen’ werd uitgevoerd, luidde bijvoorbeeld dat “het kabinet onvoldoende heeft aangegeven hoe het zich committeert met de uitslag van het publiek [sic] debat”. De onvrede was vooral het gevolg van verschillende opvattingen over de rol van het publiek in de discussie.

Sommige sociaal-wetenschappers zijn daarom kritisch over dergelijke participatieve projecten. Ze verwijten overheden met een dubbele tong te spreken. Ondanks geloofsbelijdenissen over dialoog en publieksparticipatie ademen publieksbijeenkomsten over wetenschap en technologie nog vaak de sfeer van het oude deficitmodel: het publiek informeren om zo onnodige zorgen weg te nemen.

Cynici beweren zelfs dat het bij publieksparticipatie eigenlijk gaat om het wegmasseren van maatschappelijke weerstand die nodeloos innovatie tegenhoudt. De economische belangen zijn beslist groot nu de Europese Unie inzet op innovatie gedreven door wetenschap en technologie.

Vox populi

Overheden hebben zelf economische belangen bij discussies zoals die over GM-gewassen. Zulke belangen kunnen het lastig maken om inbreng vanuit participatieve projecten of andere directere vormen van democratie – zoals bijvoorbeeld het referendum over de Europese grondwet – daadwerkelijk mee te nemen in politieke besluitvorming. De hoofdvraag van ‘Eten en Genen’ – onder welke voorwaarden vindt het publiek biotechnologie en GM-voedsel acceptabel? – leek te impliceren dat GM-producten sowieso een maatschappelijke rol zouden gaan spelen. Critici opperden dat de economische belangen misschien te groot waren om een totaal andere uitkomst te riskeren.

In Engeland gebeurde iets soortgelijks. De campagneleider van ‘GM Nation?’ was blij met het duidelijke antwoord van het Britse volk: “Het publiek heeft duidelijk gemaakt dat het geen GM-voedsel wil”, schreef hij op 24 september 2003 in The Guardian. Wat die uitkomst betekende voor politiek en beleid, was echter verre van eenduidig. Opnieuw bleek dat het betrekken van het algemene publiek bij een discussie niet zonder meer leidt tot door het publiek geaccepteerde politiek en beleid.

Wij vragen ons af in hoeverre brede publieke debatten een bijdrage leveren aan een democratische ontwikkeling van wetenschap en technologie. Dat heeft te maken met de opvatting van ‘publiek’ die de organisatie van zulke discussies vaak domineert. Het doel van een publiek debat is om gewone burgers aan het woord te laten als representanten van het algemene publiek. Dat algemene publiek bestaat grotendeel uit een ‘zwijgende meerderheid’ van mensen die niet worden vertegenwoordigd door organisaties en belanghebbenden die doorgaans maatschappelijke discussies domineren.

Organisaties die in opdracht van de politiek of beleidsmakers onderzoek doen naar maatschappelijke vraagstukken gebruiken vaak een breed scala aan participatieve instrumenten, zoals burgerjury’s, consensusconferenties en focusgroepen om te achterhalen wat de communis opinio is over bijvoorbeeld GM-voedsel of embryoselectie. Dat lijkt logisch, in het licht van de opdracht politiek en beleidsmakers te informeren over de vox populi. Maar is het wel zo vanzelfsprekend om op die manier maatschappelijke discussies over wetenschap en technologie te voeren?

Het kan ook anders. Sterker nog: om democratisch om te gaan met wetenschap en technologie, moet het anders. Het idee dat betrokkenheid van de ‘stille meerderheid’ van ‘gewone burgers’, zonder aandelen in een biotechbedrijf en zonder connecties met Greenpeace, zal leiden tot een verantwoorde ontwikkeling van wetenschap en technologie is een fictie. Wat is de mening van burgers die zich niet geraakt voelen door kwesties als biotechnologie waard?

Democratisch omgaan met wetenschap en technologie is geen kwestie van stem geven aan de stille meerderheid. Het gaat om veel fundamentelere vragen. Wie mogen waarover meepraten? En vooral: waar moet de maatschappelijke discussie over gaan, en wie bepaalt dat? Dat vraagt om een ander type publiek debat of dialoog, gebaseerd op een ander begrip van publiek.

Geraakt

Een alternatief voor het idee van publiek als de stille meerderheid zette Huub Dijstelbloem in De Helling van april 2007 uiteen. Net als collega-filosofen Gerard de Vries en Noortje Marres grijpt Dijstelbloem terug op het gedachtegoed van de Amerikaanse pragmatist John Dewey (1859 – 1952). Die stelde dat het publiek geen ‘demos’ (volk) is dat door toevallige geografische grenzen wordt gedefinieerd. Een publiek ontstaat volgens Dewey wanneer mensen geraakt of getroffen worden door de gevolgen van ontwikkelingen waarover zij zelf niet beslissen.

Zo’n publiek ontstond bijvoorbeeld toen dit voorjaar de mogelijkheid van pre-implantatie genetische diagnostiek (PGD) voor vrouwen met het erfelijke borstkankergen BRCA-1 of BRCA-2 botste met de politieke regelgeving. Vrouwen die draagster zijn van een van deze genmutaties willen voorkomen dat ze het BRCA-gen doorgeven aan hun dochters. PGD geeft ze de mogelijkheid met IVF embryo’s te creëren en deze te laten testen op het gendefect. Alleen een embryo zonder BRCA-gen wordt in de baarmoeder teruggeplaatst om uit te groeien tot een kind zonder gendefect. Vrouwen van wie bekend is dat zij gendraagster zijn, hebben direct te maken met de gevolgen van de technologie. Juist hun kennis en ervaring moet een rol spelen in de besluitvorming over de toepassing en ontwikkeling van praktijken en regels voor PGD.

Iedere Nederlander mag een mening hebben over embryoselectie, maar democratische besluitvorming betekent niet dat het algemene publiek beslist. Het publiek dat juist gehoord moet worden, bestaat uit degenen die door de gevolgen van een beslissing worden geraakt.

Politieke besluitvorming vindt in deze pragmatistische denktrant niet alleen plaats in het parlement, maar ook in wetenschappelijke laboratoria en op proefveldjes voor GM-gewassen die worden vernield door activisten. Maar hoe kun je op deze plekken op een democratische manier politiek bedrijven? We kiezen wetenschappers immers niet en besluitvorming over wetenschappelijke programma’s is onhelder en diffuus. Maar als wetenschap ook politiek is, zijn wetenschappers medeverantwoordelijk voor de democratische organisatie ervan.

Wetenschappers onderzoeken niet simpelweg de stand van zaken, maar produceren bedoeld of onbedoeld bruikbare en renderende kennis die gebruikt kan worden om in te grijpen in de werkelijkheid en om soms controversiële problemen op te lossen, zo luidt de opvatting van pragmatisten. Veel wetenschappers werken tegenwoordig in een omgeving waarin universiteit, overheid en commerciële bedrijven nauw met elkaar verbonden zijn. In een democratische samenleving moeten wetenschappers dan ook een rol spelen in maatschappelijke discussies, wat meer behelst dan het publiek informeren.

Interviews met genomicswetenschappers die meedoen aan publieke debatten wijzen er echter op dat zij dat zelf vaak anders zien. Sommige wetenschappers zeggen zich weinig aan te trekken van de mening van het publiek over hun onderzoek. Ze zorgen dat ze voldoen aan de wetenschappelijke en maatschappelijke criteria die geldschieters stellen en daarmee is de kous af.

Andere onderzoekers zeggen last te hebben van maatschappelijke miskenning, kritiek of zelfs bedreiging. Dat geldt bijvoorbeeld voor wetenschappers die proefdieren gebruiken bij hun onderzoek. Vaak wijten zij het verhitte publieke debat waarvan zij slachtoffer zijn aan een vervormd beeld van hun onderzoek door de media. Met deelname aan publieke debatten proberen zij dat beeld recht te zetten door het publiek en politici uit te leggen wat ze doen en waarom dat belangrijk is.

Veel wetenschappers zien het als hun verantwoordelijkheid te zorgen voor een goede communicatie van betrouwbare, wetenschappelijke kennis binnen de muren van het lab naar buiten. Hun opvatting sluit naadloos aan bij het deficitmodel: het idee dat meer en betere informatie maatschappelijke weerstand kan keren. Het centrale uitgangspunt van deze wetenschappers is dat wetenschap primair neutrale kennis oplevert. Wat daar maatschappelijk mee gebeurt, is geen zaak voor wetenschappers, maar voor politici, consumenten en burgers, vinden ze zelf.

Het leven van burgers wordt er door wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen echter niet vanzelf beter op. Overigens willen we ook zeker niet beweren dat wetenschap en technologie het leven slechter zouden maken. Het punt is dat wetenschap en technologie niet vanzelf een rol spelen in een democratische samenleving. Welke rol wetenschap en technologie wel heeft, is het resultaat van openbare confrontaties van belangen, opvattingen, meningen en feiten. De bedoeling van een dialoog tussen burgers en wetenschappers is om de maatschappelijke kwesties die wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen mogelijk oproepen, publiek te maken. Zo’n dialoog gaat minder over de fascinatie van nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen of het maatschappelijk draagvlak voor nieuwe technologische producten dan over de vraag wat een bepaald type onderzoek eigenlijk oplevert, kost, en wie er baat bij heeft. Deelnemers aan zulke discussies zijn degenen die geraakt worden door een bepaalde wetenschappelijke ontwikkeling of technologie – publieken in de Deweyaanse betekenis – en degenen die bij machte zijn beslissingen te nemen die zulke ontwikkelingen beïnvloeden. Daartoe behoren ook wetenschappers.

Naarmate in een discussie andere kwesties van belang blijken, kan ook de samenstelling van het publiek veranderen. De inbreng van betrokkenen en mensen met belangen is niet bedreigend, maar juist cruciaal voor een democratisch debat. Hun expertise is uitermate relevant voor de ontwikkeling van maatschappelijke praktijken waarin wetenschappelijke kennis en technologie een rol speelt of gaat spelen. Het doel van een publieke dialoog is om (tegengestelde) belangen helder te krijgen, zicht te krijgen op de kwesties die een oplossing behoeven, en die kwesties terecht te laten komen op plekken waar ze geadresseerd kunnen worden.

Publieke discussies kunnen vanuit dit idee worden georganiseerd als maatschappelijke experimenten waarin wetenschappers én publieken leren hoe om te gaan met nieuwe wetenschappelijke kennis. Door middel van zulke experimenten kunnen we onderzoeken hoe dit leerproces het beste vorm kan krijgen. Daar kan dialoog ontstaan in de oorspronkelijke betekenis van het woord, met een kwestie of probleem als uitgangspunt van een gezamenlijke zoektocht waarin nieuwe betekenissen worden gecreëerd. Dat gaat niet zonder slag of stoot en dat is niet erg. Dialoog is immers “niet een stille uitwisseling van meningen, een verzoenende discussie, een vredelievende vorm van communicatie in twee richtingen, maar een echte botsing van waarden en wereldbeelden”, zoals Sturloni het uitdrukt. Zo’n dialoog biedt zowel burgers als wetenschappers de mogelijkheid concreet vorm te geven aan hun democratische verantwoordelijkheid. Daar hebben zowel burgers als wetenschappers belang bij.

Dit artikel is geschreven in het kader van een onderzoeksproject van het Centre for Society and Genomics, gefinancierd door het Netherlands Genomics Initiative.

Literatuur:

- Bucchi & Neresini, ‘Science and public participation’, Handbook of Science and Technology Studies, III, 2007.
- Lucien Hanssen en Jan Gutteling, ‘Publiek wil in DNA-debat serieus worden genomen’, Volkskrant, 15 maart 2001.
- Lucien Hanssen en Jan Gutteling, ‘In de marge van het debat Eten en Genen’, 2001, 53.
- Irwin, ‘The politics of talk: coming to terms with the new scientific governance’, Social Studies of Science, 2006.
- Lezaun & Soneryd, ‘Consulting citizens’, Public Understanding of Science, 2007.
- De Vries & Horstman, Genetics from labatory to society, 2007.
- Sturloni, ‘Dialogue is bliss’, Journal of Science Communication, maart 2008.

Gerelateerde artikelen