9 minuten

“Mensen pikken niet alles”

Interview met Ties Prakken

Advocate en emeritus hoogleraar Ties Prakken is gespecialiseerd in politiek beladen strafzaken. Recent publiceerde zij met haar Belgische collega Jan Fermon hierover het boek Politieke Verdediging. Een gesprek met Ties Prakken over haar boek, haar ervaring als ‘politieke’ strafpleiter en de zaak-Wilders, waarin zij optreedt als advocaat van de benadeelde partijen.

Wie Ties Prakken (1937) hoort spreken over haar werk, zou niet denken dat de bevlogen strafrechtgeleerde ooit zonder roeping rechten studeerde en daarna bij toeval in de advocatuur belandde. In haar begindagen kon Prakken de strafzaken die zij wilde doen maar mondjesmaat krijgen. Het aantal gespecialiseerde strafpleiters in Nederland was op één hand te tellen. In Amsterdam waren het er twee: de één te goeder trouw, de ander nogal louche. Daar was nauwelijks tussen te komen, al helemaal niet voor een vrouw. Toch deed Prakken als beginnend advocaat al de verdediging van een aantal studenten die betrokken waren bij de bezetting van het Maagdenhuis. Onder juristen ontstond grote ophef over het verdedigen van de actievoerders. De meeste advocatenkantoren wilden zich niet aan de zaak branden, maar Prakken werkte bij een ‘ouderwetse liberaal’, die de acties van de studenten verafschuwde, maar trots was dat Prakken hen bijstond. Het was haar eerste politieke zaak. 

Prakken heeft afwisselend in de advocatuur en in de wetenschap gewerkt. Zo was zij meer dan tien jaar verbonden aan de Universiteit Utrecht, waar ze samenwerkte met Toon Peters en Pieter Bakker Schut. “Dat waren gouden tijden, waarin ik echt iets van het strafrecht heb leren begrijpen en mijn draai vond in het recht.” Na haar promotie (1985) kwam Prakken samen met Bakker Schut terecht bij het Amsterdamse advocatenkantoor Nieuwezijds, een kantoor met een politieke signatuur, waarvan de wortels zijn terug te vinden bij het huidige Böhler Advocaten. Prakken en Bakker Schut hadden er binnen de kortste keren een bloeiende politieke strafpraktijk. “Krakers, actievoerders, allemaal hadden ze ons telefoonnummer op hun hand geschreven.”

 

Grofst

In het boek Politieke Verdediging schetsen Prakken en Fermon onder meer de veranderende betekenis van ‘het politieke strafproces’ in de loop van de geschiedenis. Zij zien in de huidige benadering van politieke delicten een breuk met de geschiedenis. “In de negentiende eeuw was het politieke strafrecht een soort geprivilegieerd strafrecht. Het politieke strafrecht was er niet voor de ‘echte criminelen’ maar voor mensen die het beste met de wereld voor hadden. Het idealistische aureooltje dat om het politieke delict hing, leverde verdachten een zekere coulance op. De revoluties waren nog warm en staten herinnerden zich het geweld dat was gebruikt in het proces van natievorming. Dan kijk je iets relativerender naar geweld of politieke dissidenten. Vandaag de dag hechten staten heel sterk aan hun geweldsmonopolie en bij dat monopolie hoort een definitiemonopolie van wat rechtvaardig is. Het politieke delict neemt nog steeds een uitzonderingspositie in, alleen nu in negatieve zin. Politieke delinquenten worden het grofst aangepakt. Zo wordt iedereen die geweld gebruikt of wil gebruiken of misschien denkt te kunnen gaan gebruiken al snel in de terrorismehoek gepoot. De tendens lijkt te zijn: als een ideologie maar principieel genoeg afwijkt van de norm, dan is die crimineel. 

Dat de status van het politieke delict ingrijpend is veranderd zagen Prakken en Fermon in een Belgische strafzaak tegen aanhangers van de in Turkije verboden marxistische beweging DHKP-C. Die vervolging was een testcase voor de Belgische terrorismewetgeving en heeft zich van 1999 tot 2010 voortgesleept. “Er was nog geen rotje ontploft en de verdachten hadden niet de bedoeling in België iemand een haar te krenken. De DHKP-C had problemen met Turkije, niet met België. Maar wie principiële conflicten heeft met een bondgenoot van de NAVO, wordt tegenwoordig alleen al daarom als een terrorist behandeld. In de DHKP-C zaak kozen wij voor een politieke stijl van verdedigen. Dat betekent dat je probeert het politieke standpunt van je cliënt te legitimeren en via de rechter naar het publiek te communiceren, dan wel de politieke inzet van het openbaar ministerie te delegitimeren. 

Dat laatste heeft de verdediging ook geprobeerd in de zaken tegen leden van de Hofstadgroep. Hun advocaten hebben een gedeeltelijk politieke verdediging gevoerd, niet door de ideologie van leden van de groep te legitimeren – wie zou dat ook willen? – maar door de reactie van de staat op die ideologie te delegitimeren. Die reactie is namelijk om alles op de hoop van het terrorisme te gooien: wie niet voor is, is tegen ons. De verdediging zette daar het principe tegenover dat het in strafrecht gaat over wat je doet en niet over wat je denkt.” 

Prakken en Fermon beschrijven in hun boek dat voor de kans van slagen van een politieke verdediging solidariteit buiten de rechtszaal een belangrijke rol speelt.

“Je hebt die nodig om de rechter ervan te doordringen dat hij rekening moet houden met de boodschap van jouw verdachte. Je staat veel zwakker, als je als advocaat in je eentje iets roept. Tegenwoordig is het organiseren van solidariteit moeilijk, maar niet onmogelijk. Ook dat zagen wij in de Belgische ‘terrorisme’-zaak. Aanvankelijk was er in de publieke opinie nul sympathie voor de verdachten, maar op een aantal cruciale momenten zijn de ogen van mensen open gegaan. Bijvoorbeeld toen de Belgische staat zich niets gelegen liet liggen aan het rechterlijke bevel om de extreme detentievoorwaarden van de verdachten te versoepelen. Mensen zijn lang onverschillig, zeker wanneer ze een beweging niet al te sympathiek vinden, maar er zit een grens aan wat de staat kan maken. Ze pikken niet alles.”

 

De zaak Wilders

In Politieke Verdediging passeert ook de (toen nog prille) strafzaak tegen Geert Wilders de revue. Prakken, één van de advocaten voor de benadeelden in het proces, stelt in het boek de vraag in hoeverre die zaak een politiek proces is.

“Naar de maatstaven die wij in het boek hanteren is dat niet zonder meer het geval. Natuurlijk, Wilders roept vanaf de eerste dag: dit is een politiek proces. Hij legt dat niet uit, maar hij bedoelt daarmee dat hij louter wordt vervolgd omdat hij in de ogen van sommigen te veel stemmen haalt. Het proces zou een politiek doel dienen, namelijk om hem als politicus aan te pakken. Je kunt ook zeggen dat het een politieke zaak is omdat het gaat om politieke uitspraken en om een politicus.

Maar, wat ontbreekt in deze zaak is een politieke verdediging. Met spanning heb ik afgewacht of er een politieke verdediging gevoerd zou worden. Helaas was dat niet het geval. Ik had gehoopt op een mooi doorwrocht verhaal over het belang van de vrijheid van meningsuiting. Daar valt namelijk van alles over te zeggen. Ik ken ook advocaten die zo’n principieel betoog hadden kunnen houden, maar Moszkowicz is daar de advocaat niet naar. Wat hij te berde bracht over de vrijheid van meningsuiting is oude koek. Het was een tamelijk slap verhaal dat de kern van de zaak niet raakt.

In feite volgt de verdediging primair de strategie van een ‘normale’ strafzaak. Wilders beroept zich bijvoorbeeld op zijn zwijgrecht. Voor een ‘normale’ verdachte is dat verstandig, want je kansen liggen beter wanneer je als verdachte niet van alles gaat verklaren. Laat het OM maar bewijzen, is dan het devies. Hetzelfde geldt wanneer Moszkowicz komt met een verdediging in de orde van ‘dit-heeft-hij-niet-precies-zo-gezegd’ en ‘bewijs-dat-maar-eens’. Dit soort feitelijk geneuzel in de marge past bij een verdediging in een gewone strafzaak, die erop gericht is om de specifieke belangen van de persoon van de verdachte te behartigen en niet een groter, individu overstijgend belang. Deze verdediging doet daarom tekort aan Wilders: hij, de politicus, die altijd uitstraalt ‘hoor mij altijd flink zeggen wat ik echt vind’, houdt in de rechtszaal plots zijn mond. Dat is tegenstrijdig. Hij laat het na om via dit proces zijn politieke positie te legitimeren, terwijl dit proces zich daar bij uitstek voor leent. 

De inzet van het OM is daarentegen wel degelijk ‘politiek’. Het OM geeft een onverkort politieke uitleg aan de delictsomschrijving van haatzaaien. Die uitleg is zo beperkt dat van het strafbare haatzaaien niets over blijft. Het OM en de verdediging zijn het perfect met elkaar eens dat deze zaak niet in de rechtszaal thuishoort. Er is in het geheel geen tegenspraak, hierdoor moet wat de rechter niet zelf bedenkt van de benadeelde partijen komen. Je zou kunnen zeggen dat door deze factoren de politieke ruimte voor het proces erg krap is. 

Aan de andere kant zijn er de organisaties die de maatschappelijke spanningen die mede zijn ontstaan door Wilders’ stelselmatig gehak op de islam en op moslims juist willen juridiseren. Ik merk dat er in deze zaak mensen zijn die zich solidair tonen, die het belangrijk vinden dat dit proces plaatsvindt en die het steunen. Dat gebeurt alleen niet luidruchtig. Er heerst ook angst. Het meisje dat tijdens een zitting bij de rechtbank heeft gesproken, moest daarna onderduiken. De hoeveelheid hatemail die zij over zich heen heeft gekregen is niet normaal. Zo zie je precies hoe haatzaaien werkt.”

Prakken hoopt dat de rechters in de zaak Wilders ervan doordrongen zijn dat de bescherming van minderheden tot hun takenpakket behoort en dat het niet alleen gaat om Wilders’ vrijheid van meningsuiting. Als lid van GroenLinks betreurt zij dan ook het standpunt van de partijtop over het proces, dat neerkomt op de afwijzing van de discussie over Wilders in de rechtszaal. Of de rechters in deze zaak bescherming aan minderheden gaan bieden is volgens Prakken nog maar de vraag. “Zoals in de meeste ‘politieke processen’ is de druk op de rechters in deze zaak enorm. Het is een soort gevecht tussen de rechterlijke macht en de waarden achter de rechterlijke macht en het ‘Wilders-denken’.”

 

Jan Fermon & Ties Prakken, Politieke Verdediging: Een analyse van historische en actuele politieke strafzaken en de strategie van de verdediging, Nijmegen:Wolf Legal Publishers 2010.

 

Historische strafzaken besproken in Politieke Verdediging:

Georgi Dimitrov, Secretaris Generaal van de Bulgaarse Communistische partij, werd enkele dagen na 27 februari 1933 opgepakt op verdenking van medeplichtigheid aan de brandstichting in de Rijksdag. De door hem zelf gevoerde verdediging zou de basis vormen van de door Marcel Willard geformuleerde wetten van een politieke verdediging zoals hij die uiteenzet in ‘La défense accuse’. Die wetten luiden onder meer dat de juridische middelen in dienst moeten staan van de politieke doelen van de verdediging, dat er een offensieve strategie gevoerd moet worden en dat over de rechter heen een band met het publiek gelegd moeten worden. Dimitrov beoogde aan te tonen dat de Nazi’s de brand zelf hadden de gesticht en de verdenking hadden verzonnen om de communisten de schuld te geven. Hiertoe zette hij het proces volledig naar zijn hand. Een beroemd voorbeeld van zijn talent om de juridische middelen voor eigen politieke doelen te gebruiken is dat Dimitrov met een beroep op zijn recht om getuigen te horen Göring als getuige oproept en aan een pittig verhoor onderwerpt. Dimitrov, terwijl hij wordt afgevoerd, eindigt zijn ondervraging met: “u bent geloof ik bang voor mijn vragen, meneer de Minister”.

 

De Rote Armee Fraktion (RAF).  In juni 1972 werd in Duitsland een aantal leden van de RAF gearresteerd, onder wie Jan Carl Raspe, Andreas Baader, Holger Meins, Gudrun Ensslin en Ulrike Meinhof. Zij werden onder meer vervolgd vanwege de Mai-Offensive, een serie aanslagen waarmee de RAF wilde protesteren tegen de Vietnamoorlog. De verdachten werden beschuldigd van moord, ontvoering, andere concrete delicten en lidmaatschap van een criminele organisatie. Het begrip ‘terroristische organisatie’ is met de RAF-processen ingevoerd. Het diende uiteindelijk als kapstok om ook mensen uit de omgeving van de verdachten inclusief hun advocaten te criminaliseren. De strategie van de verdediging was om aandacht te vragen voor de kennelijke politieke doelstellingen van de eenzame opsluiting van de verdachten, maar ook om deze isolatie te doorbreken door een communicatiesysteem op te zetten. Het proces eindigt buitengewoon tragisch: met de dood van alle beklaagden. Hun advocaten moeten vluchten. Dit strafproces tegen leden van de RAF heeft wijlen Pieter Bakker Schut, die zelf de advocaat is geweest van RAF-leden, uitgebreid beschreven in zijn proefschrift Politische Verteidigung in Strafsachen.

Gerelateerde artikelen