11 minuten

Moderniseren zonder weemoed

Voorstellen voor de koers van GroenLinks

In de hele Noordwest-hoek van het Europese continent staan progressieve partijen momenteel op een levensbedreigende tweesprong. Zij kunnen verworden tot conservatieve bewegingen die zich vooral bekommeren om het behoud van de naoorlogse verzorgingsstaat, of zij kunnen zich ontpoppen tot brede sociaal-liberale moderniseringspartijen die erkennen dat de verworvenheden van toen niet de zekerheden van nu zijn en bovendien niet langer bijdragen aan wat toch de raison d’être van deze partijen is, namelijk: individuele en collectieve bevrijding.

Progressieve partijen hebben deze keuzedwang te danken aan de aanzwellende ontgrenzingsangst van het electoraat. Kiezers vrezen de bedoelde en onbedoelde overdracht van soevereiniteit naar Europa, naar quasi-statelijke organisaties, naar lokale overheden en naar bedrijven. Kiezers vrezen de sociale, culturele en economische effecten van migratie. Zij vrezen de effecten van nieuwe, buitenlandse eigenaren op de ondernemingen waar zij werken. En zij vrezen verweesd achtergelaten te worden door de eigen elite, die zich steeds meer buiten Nederland manifesteert.

Vals beeld

Deze angsten spitsen zich materieel toe op vrees voor verlies van het comfort van de naoorlogse verzorgingsstaat. De angst is namelijk dat deze viervoudige bedreiging ook de opgebouwde uitkeringsrechten zal eroderen. En dus is behoud de dominante afweerstrategie, zeker nu de politieke constellatie in Nederland heeft geresulteerd in een wedren in goed sociaal-democratisch erflaterschap. Hoewel historisch onjuist hebben veel progressieve partijen zichzelf de laatste decennia namelijk opgedoft als de voornaamste architecten van de verzorgingsstaat; bij ontstentenis van een toekomstgericht programma wordt het politieke kapitaal in toenemende mate gehaald uit een vals beeld van een daadkrachtig links verleden. Gezegend met veel tactisch vernuft, en de existentiële lichtheid die oppositiepartijen nu eenmaal eigen is, is de SP er in geslaagd zichzelf in de positie van de ware erflater van het socialistische gedachtegoed te manoeuvreren, met rampzalige gevolgen voor een sociaal-democratische bestuurderspartij als de PvdA. Voortgaande modernisering wordt succesvol uitgelegd als verraad aan het sociaal-democratische erfgoed en electoraal afgestraft, ook al biedt behoud kiezers alleen maar schijnzekerheid en zal dat op de langere termijn dus eveneens afgestraft worden.

Fata morgana

‘Nationalistisch socialisme’ is namelijk om meerdere redenen een doodlopende weg. Ten eerste gaat behoud van het bestaande er aan voorbij dat de risico’s die de verzorgingsstaat in de jaren vijftig, zestig en zeventig moest wegnemen, niet die van de eenentwintigste eeuw zijn. Het voornaamste risico waartegen de naoorlogse verzorgingsstaat beschermde was werkloosheid. Dat was zowel in het belang van de werkende en de werkgever als van de staat. De eerste zag zijn levensstandaard min of meer behouden, de tweede zag zijn afzetmogelijkheden op peil blijven, terwijl de derde een bodem wist onder de geaggregeerde koopkracht waardoor een bestedingscrisis à la de jaren dertig kon worden voorkomen. Centraal in de architectuur van de naoorlogse verzorgingsstaat stond dan ook het garanderen van de koopkracht van de kostwinner; de zekerheden van vrouw en kind waren daarvan afgeleid.

Inmiddels is werkloosheid allang niet meer het grootste risico waar burgers aan zijn blootgesteld. Belangrijker is de inkomensval als gevolg van het krijgen van kinderen, als gevolg van scheidingen, en als gevolg van overgangen van baan naar baan, van sector naar sector, en van locatie naar locatie. De koopkrachtlogica van de oude verzorgingsstaat is op geen enkele manier toegesneden op deze nieuwe bronnen van onzekerheid. Ook al is de omvang van deze risico’s vooralsnog beperkt, zij is wel stijgende, vooral van die risico’s die het gevolg zijn van veranderende gezinsstructuren. Langzaam zien we in de data van het SCP dan ook een verschuiving van de armoede in Nederland van de grijze weduwe met alleen AOW naar het eenoudergezin met geen of slechts een precaire arbeidsbetrekking.

Maar er zijn ook goede ideologische redenen om te moderniseren. De verzorgingsstaat waarvan de sociaal-democratie zozeer haar politieke bestaan afhankelijk heeft gemaakt, is namelijk niet de beste van alle mogelijke werelden maar kent een aantal belangrijke ontwerpfouten. Hoewel zelden in de morele winst- en verliesrekening meegenomen, kent het ‘nationalistisch socialisme’ namelijk belangrijke uitsluitende effecten. Gestoeld als het is op herverdeling binnen een cultureel, sociaal en etnisch relatief homogene populatie, is het slecht te combineren met gastvrijheid voor mensen die de domme pech hebben gehad om te zijn geboren op plekken met minder levenskansen. Het is dan ook niet verbazend dat het internationale geweten van een partij als de SP slecht ontwikkeld is. Bovendien staat de nationale verzorgingsstaat een efficiënte verdeling van arbeid over de wereld in de weg door deelnemers met uitkeringskluisters aan één grondgebied te binden en onoverkomelijke blokkades op te werpen voor arbeid van buiten. Het nationalisme van de verzorgingsstaat vertraagt het proces van economische specialisatie, is daarmee welvaartverlagend, gaat ten koste van de levenskansen van buitenstaanders en is dus moreel arbitrair.

Ook binnenslands kent de verzorgingsstaat gebreken. Gestoeld als zij is op een historisch specifieke modelbiografie, namelijk dat van de witte werkende man uit de jaren zestig, zijn haar zekerheden en beschermingsarrangementen slecht toegankelijk voor mensen die er andere biografieën op na houden, en dat zijn in het Nederland van de eenentwintigste eeuw de zzp’ers, de job-hoppers, barende en zogende vrouwen, echtbrekers, deeltijdouders, drop outs en al die anderen die zich niet willen of kunnen voegen naar het kostwinnersmodel en dat van het nucleaire gezin. Ook intern blijkt de verzorgingsstaat dus maar een beperkte groep burgers te bedienen, en worden de voorrechten waarover zij kunnen beschikken onthouden aan de rest, die er evenwel via de fiscus wel aan mag bijdragen.

Ten derde houdt de verzorgingsstaat ons ‘kleiner’ dan we kunnen zijn. Het is al vaker geconstateerd: van staatswege gegarandeerde zekerheden blijken gepaard te gaan met een risicomijdend gedrag, terwijl minder statelijke zekerheden juist tot grotere inventiviteit en dynamiek leidt. En dat is niet alleen maar omdat er domweg minder zekerheden zijn, maar blijkt door de betrokkenen zelf ook als een verworvenheid te worden beschouwd. Hoezeer de ‘Amerikaanse droom’ ook een fata morgana is, in het Amerikaanse patriottisme speelt het idee van sociale mobiliteit en ondernemingszin een niet te onderschatten rol. Als we accepteren dat er twee antropologische constanten zijn, namelijk: groots en meespelend kunnen leven, maar ons ook beschermd, beschut en geborgen te weten, dan voldoet de Nederlandse verzorgingsstaat te goed aan het laatste en laat zij te weinig ruimte voor het eerste. Paternalistisch en comfortabel als zij is, heeft zij door haar herverdelend egalitarisme de waaghalzen, de doeners, de dromers, de denkers en de entrepreneurs van zich vervreemdt. Met alle gevolgen van dien: anno 2007 dreigt Nederland een laffe, rancuneuze, gemakzuchtige en in zichzelf gekeerde renteniersnatie te worden.

Er is dus alle reden om zonder weemoed te moderniseren. Mijns inziens moet zo’n moderniseringsprogramma uit zes onderdelen bestaan.

1. Kies je uitbuiter

Ten eerste, gun burgers zoveel mogelijk exit rechten, oftewel complementeer de reeds bestaande bewegingsvrijheden van kapitaal, goederen en diensten met die van arbeid. Binnen staten, binnen de EU, maar ook daarbuiten. Dat is veel belangrijker dan het uitbreiden van voice rechten, waar zoveel politieke energie in gaat zitten. Dat betekent dat moet worden geaccepteerd dat de allocatie van goederen en diensten in beginsel het beste via markten kan gebeuren. Het betekent ook dat moet worden geaccepteerd dat de oude Marxistische uitbuitingskritiek niet van deze tijd is. In de kapitalistische werkelijkheid van vandaag geldt het credo van Joan Robinson: “There is one thing worse than being exploited and that is not being exploited at all.” Vrijheid in een kapitalistische economie begint met de mogelijkheid om tenminste je eigen uitbuiter te kiezen. Dat vereist een harde en radicale aanpak van alle monopolies, waar ze ook voorkomen en wie ze ook organiseert: bedrijven, staten of beroepsorganisaties. Waarom hebben we in Nederland wel een mededingingsautoriteit voor factor- en consumptiemarkten, maar is er geen organisatie die kritisch kijkt naar de afscherming van arbeidsmarktsegmenten achter onzinnige diploma’s en certificaten?

2. Alles op scholing

Ten tweede, maak van scholing in brede zin dé centrale dienst die de Nederlandse verzorgingsstaat haar burgers biedt. Zorg ervoor dat jonge burgers van 1 tot 16 jaar zich zo goed en breed mogelijk kunnen ontwikkelen. Vervang uitkeringsrechten door scholingsrechten en stel werknemers gedurende hun arbeidscarrière constant in staat de competenties te verwerven die nieuwe banen, nieuwe sectoren en nieuwe economische locaties vragen. Hoewel er in Nederland het afgelopen jaar veel over onderwijs gesproken en geschreven is, zijn de daden er niet naar. Uitkeringen zijn nog altijd het voornaamste product. Het basisonderwijs moet het nog steeds met te weinig middelen stellen, brede scholen en sluitende dagarrangementen zijn maar mondjesmaat van de grond gekomen, en de belofte om van goede kinderopvang een publieke voorziening te maken is op grove wijze geschonden. Bovendien biedt het Nederlandse onderwijs door te vroege en te onverbiddelijke selectie teveel kinderen juist te weinig ontplooiingskansen. Ten slotte wordt schooluitval nog altijd bestreden met scherpere verplichtingen en hardere sancties en is er nog altijd te weinig aandacht voor het verruimen van de mogelijkheid tot schoolterugkeer, terwijl de schamele budgetten voor postinitieel onderwijs vrijwel uitsluitend naar de hoger geschoolden gaan en on(der)geschoolden nauwelijks bereiken.

3. Scandinavisering light

Besef, ten derde, dat de Nederlandse verzorgingsstaat het met de huidige belastinginkomsten zal moeten rooien. Verhoging tot Zweeds niveau om de verdere ‘Scandinavisering’ van de Nederlandse verzorgingsstaat te financieren zit er door afnemend vertrouwen en gebrekkige dienstverlening domweg niet in. Dat betekent dat ‘Scandinavisering’, in ieder geval op de korte termijn, geen optie is, en dat progressief Nederland dus een eigen route naar een activerende verzorgingsstaat zal moeten uitstippelen. Noem het ‘Scandinavisering light’. Er zal dus gekozen moeten worden en dus zullen er belangen gekwetst moeten worden. Wat mij betreft is dat een keuze voor onderwijs, ten koste van de huidige uitkeringsrechten. Presenteer die keuze vervolgens als een aantrekkelijke ruil aan het electoraat: wij verwijderen de mobiliteit belemmerende elementen van de verzorgingsstaat van vroeger, maar gebruiken de vrijkomende middelen om U en Uw nageslacht tot in de puntjes toe te rusten voor de transnationale arbeidsmarkt van morgen. Op prijs concurreren verliest U namelijk sowieso. Door te investeren in Uw ‘human capital’ bent U in staat op kwaliteit de concurrentie met iedereen aan te gaan. Dat beloven we U.

4. Kleine staat

Ten vierde, streef naar een kleine maar sterke staat, die haar middelen en verantwoordelijkheden niet, zoals de huidige Nederlandse staat, spreidt over teveel zaken, daardoor te vaak in gebreke blijft, te vaak burgers in de weg loopt, en door diezelfde burger daardoor ook te vaak verantwoordelijk wordt gehouden voor zaken waar zij niets aan kan doen (vetzucht, wilde apen, droogte of juist teveel regen). De staat moet primair verantwoordelijk worden gehouden voor het basis- en voortgezet onderwijs, voor zorg, interne en externe veiligheid, marktordening en publieke infrastructuur. Kunst, cultuur, inkomensvorming, topsport, tertair onderwijs, beroepsonderwijs, oudedagsvoorzieningen, verzekeringen zijn zaken die niet langer onder de verantwoordelijkheid van de staat vallen maar moeten worden overgelaten aan burgers zelf.

5. Verschillen

Ten vijfde, accepteer dat er verschillen tussen mensen bestaan die weliswaar onverdiend en oneerlijk zijn maar die desalniettemin geen aanspraak geven op correctie of compensatie door de staat. De staat heeft niet het recht om de gelukjes van burgers onmiddellijk af te romen, noch heeft de staat de plicht burgers ogenblikkelijk te compenseren voor pech of leed. Hieruit volgt een fiscaal stelsel dat grotendeels ontdaan is van zijn herverdelende effecten, en alle burgers een gelijke relatieve plicht oplegt om bij te dragen aan de publieke taken van de staat. Niet alleen biedt dit burgers meer zekerheid over het gedrag van de staat, stimuleert het een grotere bereidheid om risico’s te nemen, ook doet een of andere variant van de ‘vlaktaks’ meer recht aan het idee van individuele vrijheid dan de paternalistische progressieve belastingstelsels die linkse partijen steevast prefereren.

6. Kansengelijkheid

Tenslotte, onderbouw deze vernieuwingen met een politiek-filosofisch verhaal waarin kansengelijkheid geldt als de nieuwe invulling van het aloude gelijkheidsprincipe, namelijk als een vorm van gelijkheid die meer recht doet aan individuele vrijheid en verantwoordelijkheid en om die reden ook beter past bij de ontgrensde wereld van morgen. Wat moreel relevant is, is niet dat iedereen in gelijke mate een deels door anderen bedacht levensplan mag realiseren, maar dat iedereen een gelijke kans heeft om zijn of haar eigen levensplan te verwerkelijken. Of zij daar ook in slagen is uiteindelijk aan henzelf. Garanties zijn in dit leven niet te geven, en die illusie, lang verbreid door politieke partijen die zich bezondigden aan de utopie van de volstrekte maakbaarheid, kan niet snel en niet radicaal genoeg worden doorgeprikt.

Veel van deze punten zijn al gemeengoed in het GroenLinkse denken. Maar te vaak nog vormen zij een ongemakkelijk amalgaam met de sociaal-democratische clichees van weleer. In de discussies over de topinkomens, in debatten over het financiele kapitalisme, maar ook in die over inkomensontwikkeling en armoedebestrijding onderscheidt GroenLinks zich te weinig van SP en PvdA. Onvoldoende lijkt de partij te beseffen dat de modernisering die zij voorstaat lastig te rijmen is met een overmatige aandacht voor kapitalistische excessen en een politieke verdediging van de vele douceurtjes die ‘kansarmen’ in Nederland van staat en gemeente ontvangen. De reflex om ogenblikkelijk in het geweer te komen voor de ‘laagste inkomens’ die typerend is voor de vernederende, krenkende want paternalistische en uiteindelijk autonomie ontkennende kanten van de sociaal-democratie, kenmerkt te vaak ook nog het optreden van GroenLinks.

Het is met name op dit punt dat mijn blijmoedige modernisering zich onderscheidt van de toch wat tobberige modernisering die GroenLinks kenmerkt. Wat mij betreft is er voor een politieke partij als GroenLinks maar één toekomst, en dat is die van een door en door sociaal-liberale partij die de verantwoordelijkheid van de staat beperkt tot het garanderen van kansengelijkheid via forse investeringen in het onderwijs en voor de rest vertrouwt op de wijsheid en het initiatief van ondernemingen, burgers en hun organisaties. Daar liggen mijns inziens bovendien de grootste electorale mogelijkheden. Verkwanseld als deze verlichtingserfernis is door een steeds meer naar conservatief nationalisme neigende VVD is het liberale geluid tot schade en schande van het publieke debat zo goed als volledig uit het politieke spectrum verdwenen. GroenLinks zou er goed aan doen deze erfenis te kapen. Voordat D66 het doet.

Ewald Engelen is samen met Ido de Haan en Jan Willem Duyvendak auteur van Het bange Nederland. Pleidooi voor een open samenleving.

Gerelateerde artikelen