10 minuten

Na de oorlog

De militarisering van de internationale politiek

Het succesvolle verloop van de oorlog tegen Irak versterkt de dominantie van het neoliberalisme en de militarisering van internationale politiek. Europa moet zich daar tegen verzetten.

De oorlog tegen Irak heeft ook in Nederland tot grote consternatie geleid. Gedurende de maanden voorafgaand aan de Amerikaans-Britse aanval overheersten verontrusting en kritiek, met name geuit door de linkse partijen. Er vonden massale demonstraties plaats, die deden denken aan de jaren van de oorlog in Vietnam. De critici voerden verschillende argumenten aan. Het gezag van de Veiligheidsraad en de Verenigde Naties dreigden te worden ondermijnd door het unilaterale optreden van de Amerikaanse regering. De oorlog was zonder aanvullende resoluties van de Veiligheidsraad in veler ogen niet legitiem. Een aanval op Irak zou het Westen verder van de Arabische wereld vervreemden. Bovendien zou de oorlog, zo werd gevreesd, bloedig zijn. De bevolking van Irak raakte van de regen in de drup. Wat zou er immers na de oorlog van Irak worden? Een door tegenstellingen en chaos verdeeld land, dat de onrust in de regio alleen nog maar zou vergroten?

Inmiddels is Irak door Amerikaanse en Britse troepen bezet. De oorlog is, in weerwil van alle doemscenario’s, eigenlijk vlot verlopen. De Amerikaans-Britse legermacht behaalde voor het oog van de televisiekijkende wereld een gemakkelijke overwinning. Het aantal directe Irakese slachtoffers van het oorlogsgeweld bleef beperkt. Er kwamen ook nauwelijks Amerikaanse en Britse militairen om het leven. De slag om de hoofdstad Bagdad, dat het klapstuk van de oorlog zou worden, liep met een sisser af. En de Irakese bevolking lijkt vooralsnog een afwachtende houding aan te nemen. Van massaal verzet, of van het uiteenvallen van het Irakese grondgebied is, althans vooralsnog, geen sprake.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de voorstanders van de oorlog opluchting heerst, en zelfs een zekere triomfantelijkheid. Zoals de voormalige ambassadeur en permanent vertegenwoordiger A. P. van Walsum tijdens een lezing in Utrecht opmerkte: voor de oorlog was het moeilijk sprekers te vinden die publiekelijk hun steun aan de Amerikaans-Britse oorlogsvoorbereidingen gaven, maar nu, na de oorlog, is het veeleer andersom. Niemand lijkt zich meer tegen de oorlog uit te willen spreken. De tegenstanders van de oorlog drukken hun snor. Of zij erkennen thans publiekelijk – en terecht – dat het goed is dat Saddam Hoessein van het toneel is verdwenen.

Liberalisering

Hebben de critici ongelijk gekregen, zoals Van Walsum concludeerde? De pessimistische voorspellingen over het oorlogsverloop (“tienduizenden doden”) zijn zonder twijfel onjuist gebleken. Daar moet aan worden toegevoegd dat Irak klaarblijkelijk niet die levensgevaarlijke militaire macht was, die kost wat kost moest worden uitgeschakeld voordat het te laat zou zijn. Er zijn door het Irakese leger geen massavernietigingswapens ingezet. Indien ook achteraf geen concrete bewijzen worden gevonden van voorraden van massavernietigingswapens, dan staat de van tevoren aangevoerde rechtvaardiging van de oorlog op losse schroeven.

Maar inderdaad, het is goed dat het regime van Saddam Hoessein kapot is gemaakt. De despotische machtsconcentratie, de repressie en corruptie; ook de tegenstanders van de Amerikaans-Britse oorlog kunnen mede aan de hand van de berichten vanuit het bezette Irak vaststellen hoe erg het is geweest. Niettemin moet daarbij in herinnering worden geroepen dat de westerse landen Saddam Hoessein ook lang hebben gesteund. Het is bovendien nog moeilijk vast te stellen welke gevolgen de oorlog op langere termijn zal hebben, niet alleen voor Irak zelf maar ook voor de rest van de wereld. Ik zal proberen na te gaan hoe de oorlog tegen Irak in een bredere context kan worden geplaatst. Ik schets vier tendensen, ofwel ontwikkelingen, en zal aangeven hoe die hebben bijgedragen aan, of tot uitdrukking komen in het Amerikaans-Britse optreden tegen Irak.

De eerste tendens is de liberalisering die de wereld vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw beheerst. Men zou ook kunnen zeggen: de golf van het neoliberalisme die de wereld sindsdien heeft overspoeld. Deze ontwikkeling heeft zich al voor het einde van de Koude Oorlog ingezet en heeft alle delen van de wereld sterk beïnvloed. Het terugdringen van de staat, het decentraliseren dan wel privatiseren van overheidstaken, het bevorderen van de werking van de markt, het openbreken van handelsgrenzen, heeft zich in de afgelopen twee decennia in allerlei gedaanten voorgedaan.

De andere kant van de neoliberale medaille is de verzwakking van socialistische bewegingen, projecten en opvattingen en het loslaten van hervormingsstrategieën op zowel nationale als internationale schaal. Het neoliberale offensief heeft een niet te onderschatten invloed gehad op het politieke denken. Het heeft ook een krachtig stempel gedrukt op het politieke debat in linkse kring in Nederland.

Overal in de wereld zijn hervormingsgerichte bewegingen in het defensief geraakt, vooral in de niet-westerse landen. De tijd van het streven naar een Nieuwe Internationale Economische Orde is allang voorbij: in de jaren zeventig waren westerse regeringen nog bereid met de Derde Wereldlanden om de tafel te zitten en te praten over hervormingen van de wereldeconomie en een rechtvaardiger verdeling van werk en welvaart. De belangrijkste niet-westerse krachten die het westerse neoliberale denken heden ten dage uitdagen zijn conservatieve, fundamentalistische groepen en bewegingen. Dergelijke bewegingen – nog even voorbijgaand aan de gehanteerde methodes – zijn evenwel niet geschikt en in staat om een wereldwijde, ook binnen het Westen aanvaarde, hervormingsstrategie tot stand te brengen.

Ineenstorting

De politieke heerschappij van de rijke Westerse landen, en van de neoliberale opvattingen over de wereldeconomische verhoudingen en het ontwikkelingsvraagstuk, is sterker dan ooit. Het eigenbelang staat sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw weer sterker voorop bij de westerse opstelling tegenover de niet-westerse landen. Staten die niet binnen de dominante westerse visie passen, worden onder toenemende druk gezet. Deze druk wordt aangewend om er voor te zorgen dat niet-westerse landen zich zowel in economisch als politiek opzicht conformeren aan de dominante westerse opvattingen.

Een samenhangende tweede ontwikkeling vond plaats in de jaren negentig: het ontstaan van een unipolaire wereldorde. De ineenstorting van het Sovjetblok was een spectaculair onderdeel van de zojuist geschetste wereldwijde neoliberale beweging, maar zeker niet de start of de oorzaak ervan. Hoe we de oorzaken ervan ook beoordelen, door de ineenstorting van het Sovjetblok veroverde de Verenigde Staten een unieke machtspositie. Er was in de jaren negentig nog één supermacht over.

Daarmee nam de invloed van neoliberale denkbeelden toe. Spraken we zojuist nog over de politieke heerschappij van de westerse landen, in vele opzichten zijn het heden ten dage vooral de Verenigde Staten die deze heerschappij uitoefenen. Neoliberalisme en Amerikaanse overheersing hangen samen.

Direct na het einde van de Koude Oorlog werd aanvankelijk nog gespeculeerd over het ontstaan van een geheel andere wereld, geleid door de Verenigde Naties. De eerste Golfoorlog leek bij te dragen aan het ontstaan van zo’n nieuwe wereldorde. Dergelijke illusies verhulden evenwel het ontstaan van zeer onevenwichtige, door de Verenigde Staten beheerste, machtsverhoudingen in de wereld. Hoewel in economisch opzicht kwetsbaar, beschikken de Verenigde Staten inmiddels over een ongekende militaire overmacht. Tijdens het presidentschap van Clinton werd deze overmacht minder nadrukkelijk politiek en diplomatiek aangewend. Sinds het aantreden van Bush jr, en met name na de aanslagen van 11 september, heeft de Amerikaanse regering minder scrupules wat dit aangaat.

Ingrijpen

Een derde tendens is die van de militarisering van de internationale politieke verhoudingen, met name die tussen het Westen en de niet-Westerse landen. Het is een ontwikkeling die vanaf het midden van de jaren negentig duidelijk werd. Ook wat dit betreft leek aanvankelijk, na het einde van de Koude Oorlog, een andere weg te worden ingeslagen. In vele Westerse landen namen de defensie-uitgaven in eerste instantie af. Het ‘vredesdividend’ werd geïncasseerd. Al snel zette een tegenbeweging in. Immers, tegelijkertijd groeide de neiging van de Westerse landen met militaire middelen in te grijpen in regionale conflicten zoals die in voormalig Joegoslavië.

Onder het vaandel van een nieuw humanitair interventionisme werden de strijdkrachten van de westerse landen hervormd en voorbereid op hun nieuwe taken. Inmiddels stijgen de defensie-uitgaven weer in verscheidene Westerse landen, met name de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Opvallend is het vertrouwen dat – expliciet of impliciet – in de politieke capaciteiten van interveniërende militairen wordt gesteld. Terwijl in toenemende mate wordt getwijfeld aan de politieke effecten van ontwikkelingssamenwerking, krijgen militairen de taak hele samenlevingen (Bosnië, Kosovo, Afghanistan) weder op te bouwen, rechtstaten te herstellen en democratieën in te voeren.

Aanvankelijk steunde de publieke opinie binnen de westerse landen dit nieuwe humanitaire interventionisme. Tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië ontstond er zelfs publieke druk tot militair ingrijpen. In linkse kringen werd ambivalent geoordeeld over de westerse humanitaire interventies. Aan de ene kant moest worden erkend dat er goede gronden waren voor ingrijpen; aan de andere kant bestond, zoals in het geval van de Kosovo-oorlog, grote twijfel over de inzet van grof militair geweld. Maar de oorlog tegen Irak, ook gerechtvaardigd omwille van humanitaire beweegredenen, werd in vele landen minder gemakkelijk geaccepteerd.

Een vierde ontwikkeling is die van de stagnerende politieke samenwerking binnen de Atlantische wereld. Dat betreft niet alleen de Europese Unie maar ook de samenwerking binnen de NAVO. De stagnatie van de politieke samenwerking binnen de EU is niet nieuw, men zou kunnen zeggen dat stagnatie zo oud is als de Europese integratie zelf. Niettemin is deze ontwikkeling ook een herkenbaar onderdeel van de internationale politieke verhoudingen van na de Koude Oorlog en van grote invloed op wijze waarop de oorlog tegen Irak is gevoerd. De gemeenschappelijke EU-markt is voltooid, met als sluitstuk de invoering van een gemeenschappelijke munt – een ontwikkeling die deel uitmaakte van het boven aangeduide wereldwijde proces van economische liberalisering. De EU is evenwel op cruciale momenten niet in staat gebleken politiek handelend op te treden, zoals tijdens de oorlog in Joegoslavië. Bovendien beschikt de EU niet over een effectieve militaire macht. Dit politieke en militaire onvermogen lijkt door de toekomstige uitbreiding van de EU niet geringer te worden.

De politieke onmacht van de EU bevestigt de Amerikaanse politieke en militaire heerschappij, en ook de Amerikaanse neiging tot unilateraal optreden. Bovendien is de Amerikaanse regering in staat gebruik te maken van de wisselende verhoudingen en coalities die binnen de EU, en ook binnen de NAVO, bestaan. Deze ontwikkeling reduceert met name de kleinere NAVO- en EU-lidstaten, als ze bereid zijn mee te werken aan door de VS geleide militaire operaties, zoals de bezetting van Irak, tot een soort huurlingenleveranciers.

Terrorisme

Het is, zoals gezegd, nog niet goed mogelijk te bepalen welke gevolgen de oorlog tegen Irak op langere termijn zal hebben. Veel zal afhangen van het verdere verloop van de bezetting van Irak. Het is vooralsnog onduidelijk welke internationaal-rechtelijke grondslag deze bezetting zal hebben. Ook is onduidelijk welke doelstellingen de bezetters zullen nastreven, hoelang zij in Irak zullen blijven, hoe de Irakese bevolking zich tegenover de bezetters zal opstellen, en hoe met name binnen de Arabische wereld over een langduriger bezetting van Irak zal worden geoordeeld.

Maar vooralsnog lijkt het succesvolle verloop van de oorlog de dominantie van het neoliberalisme te bevestigen. De krachtige oppositie tegen de oorlogsvoorbereidingen was opvallend, maar gedurende de eerste maanden na afloop is het weer stiller geworden. Sterker dan ooit tevoren hebben de Verenigde Staten de eenzijdige politieke leiding binnen de westerse wereld, onder voorbijgaan van niet alleen de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad, maar ook van de NAVO en de Europese Unie. De vooral door de Verenigde Staten uitgedragen militaire visie op de wereldpolitiek wordt dominanter. Volgens deze visie zijn de grootste politieke problemen waarvoor het Westen zich geplaatst ziet: veiligheid, de uitdaging van rogue states en terroristische bewegingen. De Verenigde Staten zijn inmiddels doende hun defensie-uitgaven weer drastisch te laten stijgen.

Tegenover deze ontwikkelingen geplaatst staan de West-Europese regeringen voor een keuze. Zij kunnen eveneens besluiten hun militaire uitgaven te doen stijgen om daarmee de Amerikanen op een meer gelijkwaardige basis terzijde te kunnen staan. Een dergelijke West-Europese bijdrage levert ook de mogelijkheid enige invloed op de Amerikaanse politiek uit te oefenen, zullen aanhangers van deze beleidslijn zeggen. De EU zou eindelijk werk kunnen maken van een eigen interventiemacht om het diplomatieke gewicht van de Unie te versterken. Het probleem is evenwel dat de EU-landen, ofwel de Europese NAVO-landen, vooralsnog een militaire junior-partner van de VS zullen blijven, hierbij nog even voorbijgaand aan alle politieke verdeeldheid binnen West-Europa.

Het is zeer de vraag of de Europese Unie het Amerikaanse voorbeeld moet volgen. De EU-landen zouden veeleer moeten trachten de neiging tot militarisering van de internationale verhoudingen te stuiten. De grote vraagstukken van deze wereld, zoals armoede, burgeroorlogen, vluchtelingen en medische crises, vragen om politieke en sociaal-economische oplossingen. Zij vragen bovendien om legitieme en effectieve internationale instanties. Daarom blijft de oorlog tegen Irak een aanvechtbare zaak. En het blijft ook de vraag wat die oorlog op termijn voor gevolgen zal hebben. Militair ingrijpen zoals in Irak kan immers de bestaande machtsstructuur in een samenleving vernietigen, het kan de problemen waaruit de voorafgaande verloedering van de politieke orde is voortgevloeid niet oplossen (zie Bosnië). En dat geldt mutatis mutandis ook voor het terrorisme-probleem. Het militair verdelgen van terrorisme is een illusoire strategie, zoals bijvoorbeeld uit het Israëlisch-Palestijns conflict wel blijkt.

Gerelateerde artikelen