14 minuten

Nieuw links in Latijns-Amerika

Links grijpt de macht

In een stille revolutie heeft links de macht gegrepen in veel Latijns-Amerikaanse landen. Het eeuwige probleem is de spanning tussen de sociale beloftes en de economische spelregels. Met op de achtergrond de hoge verwachtingen en het ongeduld van de arme bevolking. 

“En nu was hij daar, de krachtige Christus waarop was gewacht, die Guadalajara zou reinigen van den aankleve van onreine elementen, die het volk zou doen herleven en herstellen in den ouden…voorspoed…” In het boek De opstand van Guadalajara van Jan Jacob Slauerhoff zien de Indiaanse arbeiders van Guadalajara een bevrijder in een langs reizende glazenmaker. Maar zoals zo vaak in Latijns-Amerika loopt de aangewakkerde revolutie uit op een mislukking. De glazenmaker ontkomt daarna nauwelijks aan de volkswoede.

Het thema van het boek – uitgegeven in 1937 – is nog steeds actueel. Geef de glazenmaker de naam Lucio Gutiérrez (Ecuador), Carlos Mesa (Bolivia) of Fernando de la Rua (Argentinië); allen waren presidenten waarop de bevolking hun hoop had gevestigd. Maar na een mislukte regeerperiode werden ze recentelijk door een woedende volksmassa gedwongen op te stappen.

Deze protesten vallen samen met een heropleving van links in Latijns-Amerika. Bij de verkiezingen van de laatste jaren zat links flink in de lift; volgens sommigen een ‘stille revolutie’. Langs democratische weg zoekt links naar een eigen, onafhankelijk antwoord om de problemen van het continent het hoofd te bieden. De meeste Latijns-Amerikanen zijn het zat nog langer te worden gedicteerd door de Verenigde Staten, het (buitenlandse) grootkapitaal en multilaterale instellingen als het IMF en de Wereldbank.

The New York Times becijferde dat op dit moment driekwart van de Zuid-Amerikanen wordt geregeerd door linkse leiders: de bevolking van Chili, Venezuela, Argentinië, Brazilië en Uruguay. Voor eind 2005 en 2006 staan belangrijke presidentsverkiezingen gepland waarmee links haar machtsbasis wil prolongeren of waarmee het een reële kans heeft voet aan grond te krijgen. In november zijn er verkiezingen in Chili, in december is het de beurt aan Bolivia en volgend jaar volgen Mexico, Nicaragua, Peru, Venezuela en Brazilië.

Terugkijkend zou je de verkiezing van de populistische linkse leider Hugo Chávez tot president van Venezuela in februari 1999 het beginpunt kunnen noemen. Zijn radicale politieke koers staat bekend als de Bolivariaanse Revolutie, een verwijzing naar Simon Bolivar die in de 19e eeuw Latijns-Amerika bevrijdde van imperialistische machten. Chávez’ beleid is sterk anti-Amerikaans en anti-kapitalistisch. De verschijning van deze beroepsprovocateur op het politieke toneel heeft met name arme bevolkingsgroepen op het hele continent het bewustzijn gegeven dat een ander politiek geluid mogelijk is naast het gangbare adagium van privatiseren en bezuinigen op de sociale voorzieningen.

Op 16 januari 2000 was het de beurt aan Chili. Daar koos de bevolking na een historische en felle verkiezingsstrijd de gematigde socialist Ricardo Lagos tot president. Lagos, lid van de regering van Salvador Allende (1970-1973), werd daarmee de eerste socialistische president van Chili sinds de val van Allende. En nog een jaar later in oktober 2002 kwam de socialist Luiz Inacio da Silva, bijgenaamd Lula, in Brazilië aan de macht. Deze verkiezingswinst van Lula droeg ook sterk bij aan het zelfbewustzijn van links in omringende landen. Tegelijkertijd zagen mensen uit de midden- en hoge inkomensklasse, die eerst sceptisch waren over de linkse tendensen, dat links niet de fouten uit het verleden herhaalde en eerder pragmatisch dan dogmatisch handelde en de vrije marktwerking respecteerde. Mede hierdoor kon bij de presidentsverkiezingen van mei 2003 in Argentinië de links georiënteerde perronist Nestor Kirchner winnen. In Uruguay wist in oktober 2004 de socialist Tabaré Vázquez een einde te maken aan 150 jaar alleenheerschappij van twee conservatieve politieke partijen.

Desastreus

Nu links weer electoraal succes behaalt, is het de vraag in hoeverre het in staat is echt een ander geluid te laten horen. Links in Latijns-Amerika is moeilijk te definiëren. Daarvoor zijn de onderlinge verschillen te groot. Het gaat om uiteenlopende brede coalities waar socialisten, communisten, anarchisten, milieuactivisten, links-liberalen en soms ook industriëlen samenwerken. “We zijn veranderd omdat de wereld is veranderd. We leven nu in een unipolaire wereld, sinds socialistische pogingen hebben gefaald zijn er geen alternatieven. We moeten de pragmatische lijn volgen.” Dat zei José Mújica, een van de oprichters van de socialistische Tupamaro guerrillabeweging uit de jaren zeventig in Uruguay, vlak na de spectaculaire verkiezingsoverwinning van het brede linkse front in het kleine Zuid-Amerikaanse land.

De nieuwe linkse bewegingen staan voor een moeilijke taak: ze moeten een alternatief ontwikkelen voor de neoliberale koers die de Latijns-Amerikaanse landen de afgelopen decennia werden gedwongen te volgen, in ruil voor leningen uit het buitenland. Deze koers heeft tot een algemene onvrede geleid omdat ze desastreus uitpakte voor het grootste deel van de bevolking inclusief de middenklasse. De kloof tussen arm en rijk is nooit zo groot geweest. Nieuwe belastingen voor de armen kwamen in de plaats van inflatie. Staatsmonopolies werden vervangen door particuliere monopolies die de instemming hadden van de overheid. De rechtbanken werden onderworpen aan de grillen van de machthebbers. Daarmee groeide de kloof tussen de instellingen en het gewone volk en raakten mensen teleurgesteld in de democratie.

“Deze teleurstelling heeft de deuren naar de macht geopend voor links”, schreef Alvaro Vargas Llosa, verbonden aan het Independent Institute onlangs in The New York Times. “Met een enkele uitzondering, zoals Venezuela, probeert dit nieuwe links de fouten van het oude links uit de jaren tachtig te vermijden, met name de hyperinflatie en de openlijke oorlog tegen buitenlandse investeerders. Toch is het onjuist te denken dat deze regeringen alleen maar op koers hoeven te blijven. Als ze niet bereid zijn tot nog grondigere hervormingen, zal Latijns-Amerika zich waarschijnlijk niet kunnen ontworstelen aan zijn herhaalde cyclus van economische stagnatie en politieke ontgoocheling.”

Honger Nul

Om te zorgen dat links niet klem komt te zitten tussen de internationale economische principes en de uitvoering van haar sociale programma’s moet links volgens Vargas Llosa het mes zetten in de corporatistische staat. Deze hindert ondernemingen die geen nauwe banden hebben met de overheid en belet door wettelijke privileges elke vorm van rechtsgelijkheid. “Veel bedrijven die in de jaren negentig werden geprivatiseerd, hebben in feite nog altijd een monopolie en spelen onder een hoedje met de regelgevers. Afschaffing van deze privileges zou kunnen helpen de armen over te halen het idee van economische vrijheid te omarmen,” aldus Vargas Llosa. “Door de mensenrechten te verzoenen met de vrije markt – twee begrippen die in Latijns-Amerika altijd op gespannen voet hebben gestaan – zouden miljoenen mensen meer bij de maatschappij betrokken kunnen worden. De werkelijke uitdaging voor links zal uiteindelijk zijn de verleiding te weerstaan om te conservatief te zijn.”

Dat geldt zeker voor de Arbeiderspartij (PT) in Brazilië. Als regeringspartij had ze een vliegende start, maar nu beleeft ze een absolute existentiële crisis. Door recente grote corruptiezaken binnen de partij en door kritiek op het pragmatische economische beleid staat de PT onder zware druk. Na drie jaar regeringsmacht weet de partij nog niet welke rol het wil vervullen: regeringspartij, oppositiepartij of beiden tegelijk.

Een van de grootste binnenlandse projecten van Lula is het Honger Nul programma. Hierop wil de regering bij de volgende verkiezingen eind volgend jaar worden afgerekend. Ondanks veel bureaucratie en startproblemen op lokaal niveau, ontvangen grote delen van de arme bevolkingsgroepen tegenwoordig een maandelijkse extra uitkering van twintig euro. Er is veel kritiek over dat de invoering te langzaam gaat en dat niet iedereen die de uitkering moet ontvangen het geld daadwerkelijk krijgt, maar elk jaar laat een verbetering zien. Het voordeel is dat de koopkracht in de arme gebieden toeneemt, waardoor ook in de dorpen de winkels kunnen groeien en er bijvoorbeeld internetmogelijkheden ontstaan. De aloude patronen kenmerkend voor armoede zijn hierdoor op enkele plaatsen doorbroken. Maar het echte succes kan de PT nog niet claimen, omdat er nog te veel geld aan de strijkstok blijft hangen van lokale functionarissen.

Een ander wapenfeit van de linkse regering onder Lula is de hervorming van het pensioenstelsel. Hierdoor werd de pensioengerechtigde leeftijd met vijf jaar verhoogd naar 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen. De PT heeft deze hervorming in haar oppositietijd altijd met kracht tegengehouden, maar Lula legt zijn actie als volgt uit: “Of we hervormen de pensioenen nu, of er is binnen vijf tot tien jaar geen geld meer voor mensen die met pensioen gaan.” Voor Lula’s trouwe aanhang zijn dit soort besluiten moeilijk te begrijpen, maar Lula weet dat hij moet bezuinigen om uit de financiële wantoestand te komen die hij overnam van de vorige regering onder president Cardoso. Het geld dat beschikbaar komt door gerichte bezuinigingen, bijvoorbeeld door de afschaffing van de algehele studiebeurs en door deze alleen te laten gelden voor arme studenten, heeft hij nodig voor zijn sociale programma’s, zoals het genoemde Honger Nul.

Spierballen

Een andere teleurstelling voor PT-aanhangers is dat de linkse regering burgerparticipatie niet langer als prioriteit ziet. De aandacht voor burgerparticipatie heeft de partij in het verleden geen windeieren gelegd. Hoewel niet altijd succesvol, kreeg de bevolking op lokaal niveau meer stem onder PT-bestuur. Het boek The Left in the city: Participatory Local Governments in Latin America (2004), van Daniel Chavez en Benjamin Goldfrank (redactie) geeft hiervan een uitgebreide analyse. Het succesverhaal van de stad Porto Alegre is het meest bekend. De mensen beslissen er zelf in open buurtvergaderingen over de prioriteiten van sociale investeringen, zoals drinkwatervoorziening, straatverlichting, vuilnis ophalen, onderwijs en gezondheidszorg. Dit noemt men 'het systeem van participatief budgetteren'. Hoewel de kritiek vaak is dat het botst met de representatieve democratie, omdat het de gekozen leden van de gemeenteraad passeert, beantwoordt het systeem wel degelijk aan het verlangen van de bevolking om betrokken te worden bij lokale besluitvorming. De resultaten zijn, volgens het genoemde boek,  betere voorzieningen in de armere wijken en minder corruptie door toenemende transparantie.

In Argentinië en Chili is de situatie anders, omdat daar met de verkiezing van Kirchner en Lagos niet een nieuwe politieke beweging aan de macht kwam, zoals wel met de PT in Brazilië en het Frente Amplio in Uruguay. Lagos en Kirchner komen uit de radicale linkse vleugel van een politieke beweging met een lange staat van dienst in de nationale politiek. Voor Kirchner is dat de perronistische partij en voor Lagos is dat de Concertación, de centrum-linkse coalitie die vanaf het einde van de militaire dictatuur van Pinochet in 1990 ononderbroken aan de macht is.

Van beiden is het programma duidelijk meer links georiënteerd dan de partijgenoten die hen voorgingen. Dat komt onder andere tot uitdrukking in het beleid ten aanzien van de mensenrechtenschendingen uit het verleden. Zowel voor Kirchner als voor Lagos geldt dat zij de donkere jaren van de dictatuur niet als een gesloten boek beschouwen. Er is sprake van nieuw justitieel onderzoek naar de verdachten, de onschendbaarheid van oud-militairen wordt opgeheven en musea over het bloedige recente verleden openen de poorten dankzij overheidsubsidies. Maar, zo verklaart cultureel antropologe Marieke Denissen van de Universiteit Utrecht, er is groot onderscheid tussen oude en nieuwe mensenrechtenschendingen. “President Kirchner van Argentinië heeft twee gezichten. Hij verricht goed werk bij het onderzoek naar de oude mensenrechtenschendingen in het land, maar onder zijn leiderschap neemt het politiegeweld toe. Er wordt nog steeds gemarteld en de gevangenissen zitten vol met mensen die zonder proces vastzitten omdat ze meededen aan demonstraties.” Dezelfde kritiek krijgt president Lagos in Chili, vooral door het onophoudelijke geweld tegen de inheemse Mapuche-indianen in hun strijd voor meer rechten.

Terwijl linkse regeringen in Latijns-Amerika met hun binnenlandse beleid op moeilijkheden stuiten, laten ze internationaal de spierballen zien. Dit tot groot ongenoegen van de Verenigde Staten. Zo steunden de Latijns-Amerikaanse landen eerder dit jaar voor het eerst in de geschiedenis niet de door de VS naar voren geschoven kandidaat als nieuwe voorzitter van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). Deze functie ging naar de Chileense socialist José Miguel Insulza. Vervolgens weigerden de meeste Latijns-Amerikaanse landen een door de VS voorgesteld verdrag te ondertekenen over de interventie in landen die een bedreiging vormen voor de democratie in de regio.

De pot op

Ook het ambitieuze plan van de VS voor een vrijhandelszone op het Amerikaanse continent is met grote scepsis ontvangen. Omdat de grote landen als Brazilië en Argentinië tegen de plannen zijn, hebben de Verenigde Staten de bakens inmiddels verzet en mikken nu op vrijhandel met alleen Midden-Amerika, waar tot op heden nog rechtse regeringen aan de macht zijn. President Bush noemt het vrijhandelsakkoord de “vital link for prosperity”. Chávez aan de andere kant noemt het “het medicijn van de dood”.

Links Latijns-Amerika lijkt de onderlinge internationale banden aan te trekken om een ander geluid te laten horen. Vaak is Venezuela daarbij betrokken. Het land kan dure projecten bekostigen waar omliggende landen van kunnen profiteren, door de enorme oliereserve en de hoge olieprijs. Zo gaat Brazilië in Venezuela meehelpen met irrigatieprojecten en de bouw van metrolijnen. Venezuela wil ook een fabriek in Cuba neerzetten om olie te verwerken tot smeermiddelen voor de auto-industrie. Verder heeft Chávez 24 Braziliaanse vliegtuigen aangeschaft onder het motto “het mag wat meer kosten voor het goede doel”.

Daarnaast werken Venezuela, Uruguay en Argentinië samen aan de door de Verenigde Staten verfoeide satellietnieuwszender Telesur, dat een alternatief moet worden voor CNN en andere buitenlandse nieuwszenders. Ook heeft Chávez het initiatief genomen tot oprichting van de Gemeenschap van Zuid-Amerikaanse landen. Het lijkt alsof er een continentale kloof ontstaat tussen de conservatieve Verenigde Staten en de progressievere Zuid-Amerikaanse landen, maar dat is misschien een te snelle conclusie. Chili heeft onder Lagos als enige Zuid-Amerikaanse land wél een vrijhandelsakkoord gesloten met de Verenigde Staten omwille van de exportbelangen. Toch loopt ook Chili niet aan de leiband van de Verenigde Staten, zoals het vaak wordt verweten. Het land weigerde als lid van de Veiligheidsraad de oorlog tegen Irak te steunen en bij de topconferentie van de landen aan de Stille Oceaan in Santiago zei Lagos dat Bush “de pot op kan” toen die laatste bij een diner aandrong op detectiepoortjes voor alle gasten.

Als er al sprake is van een continentale kloof tussen de Verenigde Staten en Zuid-Amerika, dan is de vraag van belang welke positie de landen in Midden-Amerika innemen. Heel voorzichtig zijn ook daar de eerste tendensen van een linkse heropleving zichtbaar. Hierbij is vooral de situatie in Mexico van belang. Het linkse front onder leiding van de Revolutionaire Democratische Partij (PRD) in Mexico heeft goede papieren om de verkiezingen van juli 2006 te winnen. De PRD-kandidaat, de populaire burgemeester van Mexico Stad Andrés Manuel López Obrador, staat in betrouwbare polls op ruim veertig procent en houdt de andere kandidaten ver achter zich.

Haantje

Dat leidde in april van dit jaar tot een fantastische Mexicaanse klucht. López Obrador werd uit zijn functie gezet door de twee grootste conservatieve partijen PRI en PAN, die zijn immuniteit na een parlementaire ingreep ophieven. Hierdoor kon hij worden aangeklaagd wegens fraude bij de aanleg van een weg naar een ziekenhuis. Zijn politieke tegenstanders dachten hem hiermee onschadelijk te maken voor de aanstaande presidentsverkiezingen. Deze actie pikten vele Mexicanen niet. De populaire burgemeester moest voor de rechter verschijnen voor een betrekkelijk kleine corruptiezaak, terwijl juist de PRI en PAN verweven zijn in grote corruptiezaken, waar ze elkaar altijd de hand boven het hoofd houden. Het ongenoegen resulteerde in een megabetoging op 24 april van meer dan een miljoen personen. Zelfs voor Mexicaanse begrippen een ongeëvenaard aantal. Een paar dagen later zei president Vincent Fox tijdens een televisietoespraak dat López Obrador zijn werkzaamheden als burgemeester weer kon oppakken.

De linkse PRD staat er dus goed voor. Toch roept de persoon van López Obrador veel weerstand op, ook binnen zijn eigen partij. De oud-mensenrechtenactivist uit het zuiden van Mexico is in alles een populist. Hij geeft veel geld uit aan sociale programma’s en werkgelegenheid, is verantwoordelijk voor de aanleg van grote dubbeldekssnelwegen in zijn stad en praat graag over het beteugelen van de vrijhandelspolitiek. Hierdoor en door zijn autoritaire trekjes zien velen hem als een nieuwe Hugo Chávez, de links populistische president van Venezuela. Mexico-deskundige Wil Pansters van de Universiteit Utrecht: “López Obrador is absoluut een haantje. Net als Venezuela zou López Obrador er voor kunnen kiezen het vele Mexicaanse oliegeld te besteden aan sociale programma’s ten behoeve van zijn binnenlandse reputatie, maar de vraag is of hij dat zal doen. Je ziet nu al dat López Obrador probeert rijkere industriëlen aan zich te binden.”

Voor alle regerende linkse politieke partijen in Latijns-Amerika is het grote probleem hoe de binding met de achterban in stand te houden. Een te groot pragmatisme ten aanzien van de markteconomie en te goede banden met het bedrijfsleven maken het moeilijk de gelederen binnen de eigen beweging gesloten te houden. De eerste signalen van verbrokkeling binnen de coalitie om deze redenen zijn al zichtbaar in Chili en Brazilië. De Mexicaanse sociologe Beatriz Stolowicz schrijft in haar essay The Latin American Left - Between governability and change (opgenomen in het eerder genoemde boek The Left in the city) dat er voor een daadwerkelijke verandering meer nodig is dan alleen “links aan de macht.” De linkse politieke partijen moeten een langdurig strategisch bondgenootschap aangaan met de volksbewegingen en protestorganisaties. Probleem is alleen dat dát makkelijker is te realiseren in een oppositionele rol. “Als niet de onafhankelijke krachten als katalysator functioneren voor politieke hervormingen maar de bureaucratische instellingen, dan zal dit leiden tot een uitgebluste overheid”, schrijft Stolowicz.

De aankomende verkiezingen in Latijns-Amerika zijn daarom een belangrijke graadmeter. Houden de kiezers in Chili, Venezuela en Brazilië het linkse front aan de macht en kiest de bevolking van Bolivia, Peru, Nicaragua en Mexico voor het linkse alternatief? Belangrijk is om meer dan tot nu toe gebeurt eerlijk te zijn tegen de kiezers – geen valse beloften te doen. Anders bezorgt het de bevolking de zoveelste teleurstelling. In de woorden van de Uruguyaanse politicus en oud-guerrillaleider José Mújica: “De kiezers zullen het niet pikken dat je ze voor de gek houdt. Ze zullen niet accepteren dat je de fouten niet erkent en niet probeert te herstellen.”

Gerelateerde artikelen