14 minuten

Nieuwe meentes

Netwerken naast staat en individu

Het vrijzinnig paternalisme, de nieuwste vondst in de post-Fortuynistische cultuurstrijd, vraagt zich af hoe het kan verhinderen dat het individualisme doorschiet in narcisme, hebzucht en hufterigheid. Het antwoord hierop luidt als volgt: door het individu en de staat niet langer als de maat aller dingen te beschouwen, maar de ogen te richten op de mogelijkheden van gemeenschappen en netwerken.

Hoe moet een kind dat opgroeit in een multiprobleemgezin overeind komen en zich staande leren houden? Dit is een van de belangrijkste vragen die het vrijzinnig paternalisme zou moeten kunnen beantwoorden. Maar de insteek in het debat is tot nu toe overwegend negatief. Volgens Dick Pels moet links eerst erkennen dat onze samenleving moreel failliet is en vervolgens dat failliet kenteren met een “nieuwe ethiek van matiging en beheersing” (Pels 2011). Als het debat over een nieuwe richting voor links hierbij blijft, is dit geen overtuigend vergezicht, maar een zoveelste invocatie van de eigen verantwoordelijkheid.

Het egoïstische individu heeft vanaf het begin van de moderniteit een belangrijke positie ingenomen in het denken over de staat. Thomas Hobbes levert met zijn concept van de wolfachtige mens het recept voor de omgang tussen al deze wolfmensen: laat iedereen een deel van zijn macht inleveren bij de soeverein. Die krijgt het monopolie op geweld, zodat hij iedereen kan straffen die een ander ernstig benadeelt. Vanwege de angst van elke wolfmens voor zijn gelijken – want er is niemand, hoe sterk ook, die niet door een andere zelfzuchtige verslagen, bestolen, bedrogen of vermoord kan worden – zullen alle egoïsten vanzelf besluiten de natuurstaat, die altijd in staat van oorlog verkeert, op te laten gaan in de burgerlijke staat, waar orde en rust heerst.

Dit besluit van individuen om zich onder de soeverein te schikken, is het fundament van de staat. Dat geldt overigens ook voor de economie. Sinds de tijd dat Kant het autonome en rationale individu ontwierp, zijn economen modellen gaan maken rondom het gedrag van deze slimme eenlingen, die ook meer dan drie-en-een-halve eeuw na de verschijning van Hobbes’ Leviathan nog niet willen deugen. Of zo u wilt: niet meer willen deugen. De emancipatie van het moderne individu heeft, met de woorden van Dick Pels in 2011 in het boek Vrijzinnig Paternalisme “monsters gebaard”, die alleen nog willen doen waar zij zin in hebben. Het bindende project van de vorming van de natiestaat zoals Hobbes dat zag, is niet langer een dragend element. De individuen waarmee het allemaal is begonnen, slaan weer los.

 

Relationeel

Met de economisering van de politiek is de bevrijdingslust van het links van weleer gekaapt door rechts. Was het individu na de benepen jaren vijftig nog de eenheid van emancipatie, nu loopt elke politieke strategie die zich beroept op het individu het risico dat een bijbehorend appèl op sociale of ecologische solidariteit verloren gaat aan de “moderne dikke ikken” (Pels en Van Dijk 2011). Wat gebonden werd door de staatsvorming, ontsnapt op de markt. Maar het gaat te ver om de dikzakjes nu terug in hun kooi te stoppen. Maar wat dan wel? Iemand manen om zijn gedrag te temperen zal immers alleen werken als onthouding diegene iets zal opleveren. Zolang je blijft schipperen tussen het autonome individu en de staat – die weer het gezag moet krijgen om “burgers aan te zetten tot gewenst, bijvoorbeeld milieubewust en solidair gedrag” (Pels en Van Dijk 2011) – houdt je vast aan een probleem dat op zijn minst al sinds Hobbes bestaat. Maar mensen zijn geen losse individuen die pas daarna relaties aangaan. Ze worden doorgaans geboren in een netwerk van relaties. Daarbinnen leren ze hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Wanneer je enkel uitgaat van het individu aan de ene kant en de staat aan de andere kant, ontken je het feit dat mensen door en door relationele wezens zijn. Overigens biedt het communitarisme evenmin een oplossing als het individualisme.

Het communitarisme stelt de gemeenschap voorop en verlangt van individuen dat zij zich aanpassen aan de noden (wetten, normen…) van die gemeenschap. Maar sinds de overheid de plaats van de zuilen heeft ingenomen, is er geen sprake meer van een echte gemeenschap. Iedereen woont in de staat en bijna iedereen is een burger, maar dat zijn rechtsstatelijke abstracties die in ons dagelijks leven niet of nauwelijks voelbaar zijn. De staat is geen gemeenschap, maar herbergt ze wel. Van oudsher kent Nederland een groot palet aan verbanden van mensen die bijeen kwamen om een bepaald doel te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan de gilden, de vakbonden en ook de financieringsmodellen van de V.O.C. en de vroege polders. Ook in de taal wordt dit weerspiegeld. De stam van het woord ‘gemeenschap’ vinden we terug in de ‘meent’, de gemeenschappelijke weide op de woeste gronden buiten het dorp. Daar konden boeren hun vee laten grazen en verbouwden zij soms ook, aan strikte regels gebonden, enkele gewassen. Een nieuw begrip van de meent kan de oubollige gemeenschap een nieuwe invulling geven.

 

Lichte gemeenschappen

Binnen GroenLinks zijn verschillende pogingen gedaan na te denken over het individualisme. Een belangrijk boek hierbij is Kiezen voor de kudde van Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp (2004). Hierin lezen we dat de algemeen verspreide veronderstelling niet klopt dat wij in een door en door geïndividualiseerde samenleving leven, maar dat Nederland een land is waar lichte gemeenschappen de dienst uitmaken. Deze staan in het boek tegenover zware gemeenschappen, zoals het dorp uit de jaren vijftig met zijn patriarchale, hiërarchische, traditionele, conservatieve, volgzame en kleingeestige cultuur. De zware gemeenschap is kortom de plek waaruit elke tiener wil ontsnappen. De lichte gemeenschap daarentegen is een gemeenschap van ‘lichte verbanden’ waarvoor mensen zelf kiezen. Je kunt er altijd weer uit, ze is open, nieuwsgierig, met “minimaal gedeelde praktijken, normen en waarden”(Duyvendak en Hurenkamp 2004, 218). Maar dat is niet de enige definitie. Mensen ontplooien nu eenmaal op basis van gemeenschappelijke, maar reeds voorbepaalde voorkeuren vaak dezelfde activiteiten. Het is gewoon een sociologisch feit, zeggen de auteurs, dat mensen met eenzelfde achtergrond veelal dezelfde keuzes maken. Dat doen ze niet bewust of gezamenlijk. “Kuddedieren vertonen wel hetzelfde gedrag, maar vormen daarmee nog geen gemeenschap.” (Duyvendak en Hurenkamp 2004, 220) Individualisme is zo bezien geen gekozen levenspad, maar de aard van het individu. Zelfs een kudde is kennelijk niets anders dan een verzameling eenlingen die toevallig op elkaar lijken. Een lichte gemeenschap kan dus ook een toevallige gemeenschap zijn.

Dit roept de nodige vragen op: is een relatie volgens de auteurs pas werkelijk een relatie wanneer deze bewust is gekozen? De toevallige verbanden waaruit volgens de auteurs lichte gemeenschappen voortkomen, ontkennen en bevestigen de keuzevrijheid en de autonomie van het individu tegelijkertijd. Binnen de parameters van je leven heb je tot op zekere hoogte keuzevrijheid, maar niemand is vrij te kiezen wat de bandbreedte is van de keuzes die hij wil maken. Een zekere autonomie blijft bewaard, maar slechts in de reële keuzes van het individuele leven. Chips of havermout, auto of fiets, kauwgomballendrank of single malt. Deze kanttekeningen bij individualiteit zijn van groot belang, maar via de achterdeur worden ze teniet gedaan. In het publieke debat krijgt deze sterk ingekaderde autonomie namelijk het statuut van brede autonomie toebedeeld, en wel op twee manieren. Het dikke ik ontkent de eigen verantwoordelijkheid en benadrukt die van anderen, de overheidsprofessional blaast zijn eigen verantwoordelijkheid op en ontkent die van particulieren en collectieven.

In conflicten met de overheid of corporaties krijgen burgers die gemene zaak maken steevast te horen dat zij slechts een particulier belang hebben en dat de overheid of de corporatie alle belangen moet afwegen. Zelfs dat particuliere belang wordt hen vaak nog ontzegd, met de redenering dat ze niet representatief zijn voor de groep die ze willen vertegenwoordigen. Hieronder schuilt de aanname dat overheidsdiensten en semipublieke organisaties weten wat het publiek belang is. Maar deze benadering bevordert slechts de isolatie van het individu. Hulpverleners worden bijvoorbeeld afgerekend op het aantal uitgebrachte bezoeken, in plaats van dat wordt bekeken of er sprake is van verbetering in de situatie van een persoon of een gezin. Dat komt eenvoudig omdat het aantal bezoeken meetbaar is en een kwalitatieve verbetering niet. Zo krijgt het individu slechts een plek als ontvanger van een service, niet als actor in de verbetering van de eigen situatie. Het publieke belang wordt bepaald vanuit het perspectief van de buitenstaander.

 

Zowel de cultuurpessimistische premisses van Vrijzinnig paternalisme als de optimistische conclusies van Kiezen voor de kudde komen voort uit een dergelijk buitenstaandersperspectief. Hoewel Kiezen voor de kudde geschreven is als sociologisch document dat de mythe van het individu onderuithaalt, introduceert het de lichte gemeenschap als alternatief, zonder na de denken over de vraag waarop de lichte gemeenschappen drijven. Dat geldt ook voor het derde belangrijke boek voor deze discussie over individualisme binnen GroenLinks, Een zwak voor Nederland van Dick Pels (2005). Ook hij valt de individualiseringsmythe aan en noemt het “lichtzinnig om het non-conformisme alsnog tot leidende waarde van een nieuwe progressieve beweging uit te willen roepen” (74). Doen waar je zin in hebt heeft immers tot vergaande perversies geleid. Pels raakt de kern van de zaak met de uitspraak dat de wil om een individu te zijn een “door markt en media” ingegeven ideaaltype is. Besef hiervan kan “het verzet tegen marktconforme definities van het ideale individu” aanwakkeren (Pels 2005, 75). Tot zover akkoord. Maar volgens Pels moet dit gebeuren door het sociaal-individualisme te omarmen, dat “zware, gesloten gemeenschappen zoveel mogelijk wil veranderen in lichte, open gemeenschappen” (Pels 2005, 77). Er wordt echter net zo min als in Kiezen voor de kudde uit de doeken gedaan hoe mensen van binnenuit hun gemeenschap zouden kunnen doen veranderen. Bovendien spreekt uit het betoog van Pels het geloof dat je – autonoom als je bent – zomaar van een zware naar een lichte gemeenschap zou kunnen hoppen.

 

Doorknopen

De zogenaamde neotribale verbanden, zoals Kiezen voor de kudde lichte gemeenschappen ook noemt, worden door andere politieke commentatoren zoals Manuel Castells en Benjamin Barber heel anders beoordeeld. Zij zien ze als negatieve gevolgen van een samenleving waarin groeperingen zich volgens hun eigen voorkeuren ordenen en de publieke zaak wordt uitbesteed aan professionals. Een verzuiling in extremis, die zijn eigen onontkoombare logica kent. Zij vindt plaats binnen het project van de vrije markt: onder de lichte gemeenschappen schuilt in feite de topzware markt.

De tegenstelling tussen individu en gemeenschap nodigt uit tot de Dalrymple-achtige retoriek waar ook Pels zich niet aan kan onttrekken. Er mag dan sprake zijn van een zowel publiek als privaat moreel failliet, maar dat betekent meer dan dat er hufterige burgers zijn en schofterige bedrijven. Hetzelfde verwijt treft de overheid: de flexibilisering van de arbeid, de introductie van marktwerking in die delen van de maatschappij die op reproductie zijn gericht, en de militarisering van de hulpverlening zorgen voor een groeiende sociale scheiding. Ontsnappen uit zogenaamde zware gemeenschappen is voor het gros van de mensen alleen mogelijk door opties te creëren die hun eigen gemeenschap acceptabel maken. Het is, met andere woorden, voor een groot deel zaak om in groepen verandering te stimuleren en op gang te helpen, niet om over groepen te beslissen wat er veranderd moet worden. Jos van der Lans benadrukt dat, als hij in Vrijzinnig paternalisme waarschuwt voor de bemoeizucht van de uit de klauwen gegroeide publieke sector. “[A]ls het gaat om sociaal-maatschappelijke problemen” zijn mensen het meest gebaat “bij de steun van betekenisvolle anderen in hun omgeving.” De verzorgingsstaat focust echter niet op dit soort netwerken, maar op “individuen met mankementen die gerepareerd moeten worden” (Vrijzinnig paternalisme, 183). Als links een programma wil opstellen dat kan helpen ontsnappen aan de vrije markt en zijn uitwassen, moet ook de publieke sector op de schop. Het zogenaamde dikke ik heeft iets anders nodig dan een dieet.

Noch het worden teruggeworpen op de eigen verantwoordelijkheid, noch de inzet van twintig handen in een multi-probleemgezin zullen mensen helpen hun leven anders in te richten. Toch lukt het enkelingen soms wel zich uit moeilijke situaties omhoog te trekken. Filosoof Henk Oosterling vraagt zich in het boek Woorden als daden. Rotterdam Vakmanstad / Skillcity 2007-2009 (2009) af, hoe dit kan. Net zoals Jos van der Lans concludeert hij dat die mensen vaak hebben kunnen terugvallen op netwerken; of dat hun netwerken hebben gefunctioneerd als een trampoline. Daarop doorredenerend zegt hij dat niet langer de expliciet individuele aanpak van bijvoorbeeld het welzijnswerk van belang is, maar dat er stimulansen nodig zijn voor hele netwerken tegelijkertijd. We moeten achter onze identiteit komen en het individu niet uit de knoop proberen te halen, maar de relaties doorknopen waaruit de netwerken bestaan waarin hij is ingebed (Oosterling 2009, 256-57). Door mensen zich slechts in te laten zetten (en aan te spreken) op een schaal waarop zij de verantwoordelijkheid nog kunnen dragen, en door vervolgens trajecten te beginnen waardoor die schaal langzaam, in conclaaf, gezamenlijk wordt opgevoerd, verandert ook de rol van de professional. In plaats van observerende hulpverlener, wordt hij actor in het netwerk. Dan wordt pas duidelijk dat de negatieve retoriek over zware gemeenschappen, dikke ikken, achterstandswijken en hangjongeren alleen werkbaar kan worden gemaakt door de actoren weer op de eerste plaats te zetten. Pure dwang, zoals bijvoorbeeld workfare, kan daarbij niet de doorslag geven.

 

Nieuwe meentes

De netwerken waaruit individuen voortkomen, bestaan uit relaties. Die relaties kennen verschillende schalen en momenten, en slechts sommige netwerken zijn gemeenschappen. Autonomie, individualisme en vrijheid zijn daarbinnen nog slechts “consumptieartikelen die economisch steeds geraffineerder in de markt worden gezet” (Oosterling 2009, 251). De lichte gemeenschap is daarom een te zwak concept om achtergestelde groepen te doen ontsnappen uit hun zware milieus, zeker niet zoals Pels dat voorstaat. De overheid kan niet volstaan met meer beleid om mensen naar wenselijke situaties toe te leiden. Efficiëntie kent geen menselijke maat en als mensen zich gedwongen aanpassen aan de markt, betekent dat nog niet dat zij ook goede burgers zullen worden. Tussen de schaal waarop het individu en de staat verantwoordelijkheid moeten nemen, schuilt niet de derde weg van het sociaalneoliberalisme en de markt, maar vinden we het netwerk. Dat deze term nog relatief ongebruikt is in het publieke debat, ligt zoals we al zagen in ieder geval niet aan de geschiedenis van onze streken. Juist voor Nederland is deze schaal een zeer bekend gegeven. Als we de geschiedenis van de meent bekijken, dan zien we dat vooral van belang was dat de meent een strikt gereguleerde vorm van onderhoud en beheer was. De vruchten van de arbeid kwamen ten goede aan degenen die de meent onderhielden. Producten van de meentes mochten niet buiten de eigen gemeenschap verhandeld worden. Wie dat wel deed, of wie de meent liet overbegrazen of een andere regel overtrad, werd door de gemeenschap gestraft zonder dat daar een hogere autoriteit aan te pas moest komen. De meentes leverden dus alleen producten voor een interne economie die gebaseerd was op het levensonderhoud, niet voor een op winst gerichte, externe economie van productie en consumptie op de vrije markt.

Oosterling noemt het aanleren van verantwoordelijkheid bij jonge burgers een kwestie van ‘terugploegen’. Het is van groot belang dat mensen tussen verschillende verantwoordelijkheidsschalen blijven bewegen, al was het maar om anderen een blik op een andere soort verantwoordelijkheid te gunnen. Een dergelijke ervaring werkt door op affectief, intellectueel, relationeel en sociaal niveau. naarmate er meer over wordt gecommuniceerd. Als dit niet gebeurt, leren kinderen bijvoorbeeld veel minder over eventuele mogelijkheden voor later. In buurten zie je vaak dat de overprofessionalisering de bewoners de kans ontneemt om zelf verantwoordelijkheid voor hun buurt te nemen. Zorg voor gebouwen, de straat, het groen en zelfs de kinderen wordt door de overheid actief overgedragen op de markt. Zo worden mensen ook gereduceerd tot consumenten, tot atomaire individuen op de markt, terwijl zij in werkelijkheid genetwerkte, relationele individuen zijn. Elk ‘beschavingsoffensief’ zal deze netwerken moeten in zien te schakelen. Militaristische taal en marktgerichtheid vanuit de overheid verhindert zulke koppelingen echter, omdat die de andere partijen niet gelijkstelt aan zichzelf.

Gemeenschappelijke activiteiten staan dus naast private en publieke. Daarom leveren de oude meentes ons een organisatiemodel dat een veel passender antwoord geeft op de problemen van een overvoedde private sfeer en een overhangende overheid. Netwerken ontstaan immers veelal rondom zaken die niet direct marktgericht zijn, zoals opvoeding, zorg, onderwijs, groen- en voedselvoorziening. Zodra deze domeinen worden uitgeleverd aan de markt, komen zij terecht in een onmenselijke logica die sociale relaties gebruikt als bron voor winst. Als zij echter als revolverende constructies worden ingericht – als structuren die wat zij voortbrengen weer aanwenden voor de volgende cyclus, zonder dat belangrijke elementen daarvoor kunnen worden afgevangen door een externe markt – dan kosten zij minder geld en zijn zij vele malen effectiever. Overheden worden minder afhankelijk van private partijen met enorme overheadkosten voor zaken die in zelfbeheer door burgers kunnen worden opgenomen, en burgers kunnen sneller van elkaar leren dan van professionals – zeker als zij geen grote fondsen tot hun beschikking hebben. Net zoals overheden, kunnen ook burgers dus minder afhankelijk van de markt worden als overheden hen helpen nieuwe meentes in te stellen.

Kortom: de valse keuze tussen het individu en de staat kan ondervangen worden door een relationeel individu dat zich tussen vele netwerken beweegt en dat altijd kan worden aangesproken op zijn verantwoordelijkheden, mits degene die hem aanspreekt hem niet bij voorbaat wegzet als niet ter zake doende. Die netwerken moeten we laten werken, niet onze paternalistische aandriften.

 

Literatuur

Dick Pels, Een zwak voor Nederland. Ideeën voor een nieuwe politiek, Amsterdam: Anthos 2005.

Dick Pels,“Feestgeweld. Verloren generatie Engelse toestanden” in: De Groene Amsterdammer, jaargang 2011, nr. 38.

Dick Pels en Anna van Dijk (red.), Vrijzinnig paternalisme. Naar een groen en links beschavingsproject. Amsterdam: Bert Bakker 2011.

Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp (red.), Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid. Amsterdam: Van Gennep, 2004.

Henk Oosterling, Woorden als Daden. Rotterdam Vakmanstad / Skillcity 2007-2009.Heijningen: Jap Sam Books 2009.

Gerelateerde artikelen