11 minuten

Noodzaak & grenzen van de twijfel

Tussen relativisme en fundamentalisme

Lange tijd was Zijderveld als een invloedrijk CDA’er, al karakteriseert hij zichzelf als agnost. In 2009 zegde hij echter zijn lidmaatschap van het CDA op omdat die samenwerking met de PVV niet uitsloot. Recent verscheen zijn boek Lof der Twijfel, wat hem de uitnodiging opleverde om op het congres over godsdienstvrijheid de openingsrede te houden. Hieronder de tekst.

Ze is volgens mij een prachtige en tegelijkertijd logisch krakkemikkige bewering. De Vlaamse dichter Paul van Ostaijen die er een meester in was dichterlijke schoonheid aan logische onzin te koppelen, schreef: “De menselijke functie schijnt van eerstaf als twijfel aan de twijfel te zijn gedetermineerd.” De werkwoorden schijnen en determineren staan logisch haaks op elkaar en het woord functie klinkt behoorlijk zeker. Maar dan de twijfel aan de twijfel. Ik denk dat dit de beste omschrijving is van de geestesgesteldheid van een agnost. Immers die twijfelt aan het meest absolute dat de mens heeft uitgedacht – God of het goddelijke – maar begint wanneer hij met een gelovige of een atheïst discussieert onherroepelijk te twijfelen aan eigen twijfel. Robert Musil verwoordde deze geestesgesteldheid misschien nog wel fraaier dan Van Ostaijen. In zijn onvoltooide monsterroman Der Mann ohne Eigenschaften lezen we de volgende opmerking: “God maakt de wereld en denkt erbij dat het net zo goed anders zou kunnen zijn.” Het klinkt mooier, want pregnanter, in het Duits: “Gott macht die Welt und denkt dabei, es könnte ebensogut anders sein”. God, de ultieme waarheid en zekerheid, twijfelt terwijl hij de wereld aan het creëren is. Beslist niet het optimum van creative design.

Musil noemt dit het ‘mogelijkheidsdenken’ dat hij hoger acht dan het gebruikelijke ‘werkelijkheidsdenken’. Wat zou kunnen zijn, of wat had kunnen wezen, is volgens hem interessanter dan wat is, of werkelijk is geweest. In de wereld van de kunst is dat evident, maar in de wereld van de wetenschap een ketterij. Het empirisch-wetenschappelijke werkelijkheidsdenken koloniseert in zekere zin ons denken en handelen, schermt het af tegen het mogelijke dat niet is of was, maar wellicht wel zou kunnen zijn, of geweest had kunnen zijn. Toch kan het mogelijke zich ineens aan het werkelijke opdringen, of beter: er in binnendringen en het van zijn verheven voetstuk stoten. Dat heet in het wetenschappelijke onderzoek serendipity. Je bent bezig iets volgens de methodologische canon te onderzoeken en dan ontdek je ineens iets waar je helemaal niet op uit was, iets dat afwijkt en een geheel nieuwe opening voor het onderzoek biedt. Voor Max Weber was dit mogelijkheidsdenken een essentieel onderdeel van zijn sociologische methodologie. Politieke en maatschappelijke verschijnselen definieerde hij steeds met de formule ‘de kans dat’. Zo omschreef hij macht als de kans die een persoon of een instantie heeft de eigen wil door te zetten, zonodig tegen de wil van anderen in. Macht als kans en mogelijkheid, en wordt ze werkelijkheid dan blijft die onderhevig aan de twijfel. Immers, mensen kunnen op een gegeven moment weigeren de wil van de machthebber te volgen.

Maar ook buiten de wetenschap en de politieke arena is de twijfel van het mogelijkheidsdenken actueel. Alleen orthodoxe calvinisten en moslims die in predestinatie geloven en aanhangers van de astrologie die menen dat ons leven door de stand van de sterren bij onze geboorte is voorbestemd, zijn blind voor de mogelijkheid dat alles net zo goed anders had kunnen zijn. Dat is een wat benauwde en benauwende tunnelvisie die evident misleidend is. Ik neem een eenvoudig voorbeeld. Als één van mijn ouders tijdens het liefdesspel waarin ik verwekt werd een niet tegen te houden niesaanval had gekregen – wat toch alleszins tot de mogelijkheden behoort – zou ik hier nu niet voor u staan. En Freud voegde daaraan toe: “We vergeten maar wat graag dat eigenlijk alles in ons leven toeval is, te beginnen bij ons ontstaan door het samenkomen van een spermatozoon en een ei.” Roald Dahl vertelt in één van zijn vaak bizarre verhalen dat er eind negentiende eeuw in een Oostenrijks grensstadje een baby na de geboorte bijna stierf omdat het nauwelijks levensvatbaar was. De ouders waren zielsgelukkig dat het ventje overleefde en opgroeide als…. Adolf Hitler. Weegt de werkelijkheid van zijn leven echt op tegen de mogelijkheid van zijn wiegendood? De vraag stellen is haar beantwoorden.

In de wereld van de politiek is er weinig ruimte voor de twijfel. Politici baseren zich in hun beleid op de wetenschappelijke uitkomsten van de planbureaus, vooral het economische planbureau. Meten is weten, waarbij doorgaans vergeten wordt dat je eerst moet weten wat je hoe en waarom gaat meten. Politici zullen in interviews niet snel uiting geven aan hun twijfels maar met heldere oneliners en opmerkingen als “onderzoek heeft aangetoond dat” zekerheid uitstralen. Niet twijfel aan hun kennelijk onterechte zekerheid met betrekking tot de economische en econometrische inzichten en adviezen beving politici, toen de financieel-economische crisis uitbrak, maar verbazing en verbijstering.

Maar nu toch de belangrijkste twee vragen die ik hier kort wil bespreken: ten eerste wat is en doet twijfel en ten tweede wat zijn de grenzen van de twijfel. Om met de eerste vraag te beginnen, er zijn verschillende soorten twijfel. Zo is er om te beginnen de religieuze twijfel. Gelovigen benadrukken steeds dat geloof geen zeker weten is, dat het als het ware omzoomd wordt door twijfel. Geloofswaarheden kunnen niet wetenschappelijk bewezen worden, kunnen alleen gelovend aanvaard worden. Op dit punt komen religieuze fundamentalisten en natuurwetenschappelijk argumenterende atheïsten met elkaar in conflict. Volgens een christelijke fundamentalist werd de wereld in zeven dagen door God geschapen, heeft de ark van Noach tijdens de zondvloed echt bestaan en was het graf van Jezus van Nazareth twee dagen na zijn kruisdood echt leeg. Volgens de natuurwetenschappelijke sciëntist en atheïst is dat baarlijke onzin. De wereld is volgens de theorie van Darwin in een tergend langzame evolutie ontstaan, die ark was een fabeltje en dat lege graf een leugen van de aanhangers van Jezus. Beide posities kennen geen twijfel. Maar dan is er een derde mogelijkheid die met een duur woord hermeneutiek wordt genoemd. In de drie voorbeelden die ik gaf gaat het volgens de hermeneutiek niet om feiten maar om mythen die verhalen zijn met een boodschap. Neem het verhaal van Jona in de walvis. Om te beginnen was het volgens de oorspronkelijke tekst in het Oude Testament geen walvis maar een mythisch zeemonster. En in de buik van dat monster bidt de opgeslokte Jona om verlossing uit het rijk van de dood. Dat gebed wordt verhoord want het monster spuugt Jona uit, die op de oever belandt en wegloopt. Met andere woorden, dit mythologische verhaal gaat over dood en opstanding en daar is dat zogenaamd lege graf van Jezus een nieuwtestamentisch vervolg op. En Genesis 1 gaat niet ‘echt’ over het ontstaan van de wereld, maar verdedigt het monotheïsme tegenover het polytheïsme van Israëls omringende volkeren: Jahwe maakt de wereld en geeft die als seculier domein aan de mensen die er verantwoordelijk voor zijn. Alleen deze Jahwe is heilig, de wereld – de natuur maar ook de menselijke instituties, zoals koningen en profeten – zijn seculier. Maar dit alles is natuurlijk geen zeker weten en al helemaal geen natuurwetenschappelijk waar weten. Het blijft geloof omzoomd door twijfel.

Maar de agnost verschilt van de gelovige. Als het geloof van de gelovige omzoomd is door twijfel, is bij de agnost, die wil weten maar wat geloof betreft niet kan weten, de twijfel omzoomd door geloof. Om met Van Ostaijen te spreken, zijn bestaan is gedetermineerd door de twijfel aan de twijfel. De agnost zal daarom allergisch zijn voor de vele -ismen die zich in de wereld van kennis en geloof aanbieden: calvinisme, katholicisme, boeddhisme, met daarbinnen varianten van fundamentalisme; maar ook vanuit de wetenschappen: atheïsme en sciëntisme; en vanuit de politiek: marxisme, communisme, fascisme, anarchisme, populisme. Al deze -ismen bieden waarheden en zekerheden aan en trachten iedere vorm van twijfel uit te bannen. In de -ismen wonen en werken ‘ware gelovigen’, true believers zoals de Amerikaanse havenarbeider Eric Hoffer begin jaren vijftig in een profetisch boek hen heeft aangeduid en geanalyseerd. Een belangrijk kenmerk van ware gelovigen is dat ze fanatiek zijn en andersdenkenden en anderslevenden als vijanden willen bestrijden.

Intussen wordt vaak vergeten dat twijfel niet alleen voor religieus geloof essentieel is maar ook in de wetenschap en de politiek een centrale rol speelt. Ik noemde wat de wetenschap betreft al het verschijnsel van de serendipity maar kan ook wijzen op het door de filosoof Karl Popper essentieel genoemde falsificatieprincipe. Ware gelovigen zijn altijd op zoek naar verificaties, naar feiten die hun geloof zouden kunnen staven. Popper zegt terecht dat dit niet moeilijk is omdat je altijd wel enkele feiten vindt die het desbetreffende geloof  kan verifiëren. Feiten die dat niet doen, worden dan verstopt of hardnekkig ontkend. De wetenschappelijke benadering is juist omgekeerd in die zin dat de resultaten van een onderzoek gepubliceerd worden met de uitdrukkelijke vraag aan te tonen waar er in de methoden en de uitkomsten fouten zitten. Alleen op die manier is er in de wetenschappelijke kennis een langzame vooruitgang mogelijk. Tot uiteindelijke waarheid zal dat niet leiden, hooguit tot een waarschijnlijkheid, een verisimilitude, die steeds open blijft staan voor de mogelijkheid dat de werkelijkheid toch anders is – voor twijfel dus.

Ook in de politiek is twijfel essentieel, althans in de politiek van een democratische rechtsstaat. In een dictatuur is er één partij en één leider die de waarheid in pacht heeft en deze doorgaans met geweld bewaakt. Dissidenten als Sacharov, Amalrik en Havel werden door de communistische regimes vervolgd en langdurig gevangen gezet. Onder Hitler en Stalin werden ze doorgaans vermoord. In een democratie spelen minstens twee partijen een rol en staat tegenover een regering een parlementaire oppositie die de regering voortdurend kritisch bejegent en daarmee haar doen en laten aan permanente twijfel onderwerpt. Er zijn procedures een regering weg te sturen: motie van wantrouwen of, zoals in Amerika met betrekking tot de president, de impeachment. Het is een soort van structurele twijfel die in een democratie de zittende macht begeleidt. De bekende checks and balances. Kortom, in het principe van de oppositie is de twijfel in een democratisch bestel geborgd.

 Twijfel neemt in de samenleving een positie in tussen enerzijds mensen en groepen die als het ware gelovigen vasthouden aan een waarheid en anderzijds mensen en groepen die juist het tegenovergestelde verkondigen, namelijk dat er geen eenduidige waarheid bestaat en alles bijgevolg relatief is. Enerzijds dus de fundamentalisten, anderzijds de relativisten. De fundamentalisten zijn niet uitsluitend fanatiek religieus maar kunnen ook fanatiek atheïstisch zijn. Doorgaans is de tweede groep sciëntistisch, waarbij wetenschap – vooral science, natuurwetenschap – een soort van antireligieus geloof vertegenwoordigt. Niet geloof en godsdienst, maar onderzoek en wetenschap bieden ons waarheid en zekerheid. De meeste atheïsten zijn in deze zin ware gelovigen, waarin zij zich onderscheiden van de agnosten die permanent twijfelen, zelfs aan eigen twijfel.

Maar dan worden we geconfronteerd met de volgende vraag: hoe voorkomen we dat dit twijfelen uitmondt in relativisme dat als een -isme weer tegengesteld is aan de twijfel. Met andere woorden, twijfelen is niet grenzeloos: wat zijn de grenzen aan de twijfel? Of nog anders geformuleerd: hoe kunnen we overtuigingen koesteren zonder fanatiek te worden? In een boek dat ik samen met mijn vroegere leermeester, later collega en vriend Peter L. Berger schreef – Lof der Twijfel – hebben we geprobeerd deze vraag te beantwoorden. Zowel politiek als moreel hebben we gezocht naar een middenweg tussen fundamentalisme en relativisme. Kort samengevat kwamen we tot de volgende redenering.

In een democratische samenleving, gebaseerd op een rechtsstaat die de fundamentele rechten van de burgers (grond)wettelijk garandeert en verdedigt, kan niet getwijfeld worden over het verwerpen en bestrijden van verkrachting, marteling, racisme, vreemdelingen- en homohaat, moord en de door de staat uitgeoefende doodstraf. Hier gaat het dus niet om een fanatiek en verbeten vasthouden aan een op law and order gerichte ordening van de samenleving, maar ook niet om een postmodernistisch propageren van het adagium anything goes. Er zijn wel degelijk menselijke handelingen die verwerpelijk zijn en waarover niet getwijfeld mag worden.

De vraag die dan rijst is op welke morele gronden deze twijfel wordt afgewezen. In ons boek zijn we van mening dat het niet helpt om te verwijzen naar transcendente instanties als God, de Natuur, of andere metafysische krachten. Die leiden maar al te gemakkelijk weer naar de positie van ware gelovigen, zoals het geval is met christelijke en islamitische fundamentalisten, met milieufanatici en natuuraanbidders, dan wel aanhangers van allerlei spirituele bewegingen. Wij zijn van mening dat de morele fundering voor de genoemde grenzen aan de twijfel is gelegen in de oud joodse en christelijke Gouden Regel: ‘wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Een regel overigens die in andere bewoordingen maar met dezelfde betekenis in vele godsdiensten voorkomt en daarbinnen dan ook een matigende werking uitoefent.

De Gouden Regel is negatief geformuleerd: doe de ander niet aan wat u uzelf niet aangedaan wilt worden. Het gaat hier te ver om de positieve formulering van dit interactieve proces te bespreken. In ons boek besteden we er veel aandacht aan. Kort, te kort, gaat het hier om de sociaalpsychologische en morele theorie van George Herbert Mead die onze dagelijkse interacties analyseert in termen van wat hij noemde taking the role/attitude of the other. We kunnen pas zinvol en betekenisvol met elkaar omgaan indien we in onze omgang met elkaar de houding of de rol van onze interactiepartners overnemen en internaliseren. Door dit proces kunnen we zinvol en betekenisvol communiceren, maar ook morele compassie voor de ander opbrengen. We identificeren ons met de gemartelden in de kelders van het totalitaire regime en beseffen dat de rechtsstaat ons daarvoor behoedt. Door deze empathie, die meer is dan een sentimenteel medelijden, twijfelen we niet aan het moreel verwerpelijke van het martelen en is het gevaarlijk aan het belang van een democratische rechtsstaat te twijfelen.

Het zijn eenvoudige overwegingen maar omringd door fundamentalistische dan wel relativistische ware gelovigen moeten we elkaar er voortdurend aan herinneren. Twijfelen is moeilijker dan fanatiek geloven, maar het is van levensbelang voor een menswaardig bestaan.   

P. L. Berger en A.C. Zijderveld, Lof der Twijfel. Hoe we overtuigingen kunnen koesteren zonder daarbij fanatiek te worden, Amsterdam: Uitgeverij Cossee 2010.

Gerelateerde artikelen