18 minuten

Ons zelfbestuur

Om het democratische gehalte

Democratisering is een mooi ideaal, maar is Nederland nog wel een democratie? En zo nee, wat betekent dat dan? Het draait om besturen en bestuurd worden, het gebrek aan georganiseerd vertrouwen en het verschil tussen vertegenwoordigen en belichamen. Het draait om het algemeen belang, solidariteit en burgerschap. Maar uiteindelijk gaat het om de vraag: is er nog sprake van ‘ons’ bestuur?

Dat Nederland een democratie is geldt wel als een feit. We leven in een vrij land, nietwaar? Deze notie van democratie laat geen gradaties toe, ze berust op de formele kenmerken van het stelsel waarin de belangrijke openbare functies via verkiezingen worden vervuld en iedereen mag zeggen wat hij vindt. Er is ook een andere notie van democratie, die uitgaat van de grondbetekenis: dat het volk zichzelf regeert. Aan deze notie zijn wel gradaties te ontlenen. Een toestand kan er min of meer op lijken en dus meer of minder democratisch zijn.

De vraag óf we een democratie zijn werd door Frank Ankersmit recentelijk nog in De Groene Amsterdammer met nee beantwoord. Volgens hem zijn we helemaal geen democratie, maar een ‘electieve aristocratie’. Dat we bestuurd worden door mensen op wie we eenmaal in de vier jaar mogen stemmen, maar in de tussentijd, in bestuurstermen geredeneerd, nergens over gaan, dat zegt al genoeg. Daarbij komt dat die bestuurders feitelijk uit een kleine groep worden gerekruteerd, de ‘aristoi’ die ons regeren. En dan zijn bovendien nog lang niet alle openbare functies verkiesbaar. Noch het staatshoofd, noch de Commissarissen der Koningin, burgemeesters, rechters of officieren van justitie worden verkozen. Om voor die functies in aanmerking te komen moet je tot die toplaag behoren waarin ‘men elkaar de bal toespeelt’.

Laat ons dit beeld vooralsnog voor waar aannemen, als het aan de feiten ligt valt er immers niet veel tegenin te brengen. Dan zijn er vervolgens veel vragen te stellen. Zoals: willen we onszelf wel besturen? Het zou goed kunnen zijn dat de meeste mensen liever goed bestuurd worden dan zelf te besturen. Het is onder de huidige omstandigheden bijvoorbeeld in veel gemeenten heel lastig om volksvertegenwoordigers te vinden. Dit schaadt zelfs aantoonbaar de kwaliteit van het openbaar bestuur. Bovendien is slechts twee procent van het Nederlandse electoraat partijlid, terwijl partijen toch vrijwel de enige bronnen zijn die politieke bestuurders voortbrengen. Misschien vinden de meeste burgers, ook als ze hoger zijn opgeleid, het leveren van commentaar een stuk aantrekkelijker dan besturen. Het enorme aantal twitteraars, bloggers en columnisten wijst daar wel op.

Als we niet in een democratie leven ligt een tweede vraag voor de hand: hebben populisten gelijk? Zijn wij gewone mensen het slachtoffer van een elite die onze belangen verkwanselt? Mijn antwoord zou zijn: de kruimel gelijk die populisten hebben bij de vaststelling van de feitelijke toestand valt in het niet bij de kilo’s ongelijk die ze stoppen in de oplossing van het probleem. Niettemin wijst hun succes wel op de omvang van dat probleem. Ons stelsel van vertegenwoordiging lijdt inderdaad aan erosie. Dat heeft alles te maken met de ontzuiling en dus met het verdwijnen van verbanden waarin vertegenwoordigers en vertegenwoordigden elkaar treffen. Er is weinig onderlinge communicatie over doelen en middelen en perspectief. Er is weinig op georganiseerde overeenstemming gebaseerde onderlinge herkenning. Er is met andere woorden weinig georganiseerd vertrouwen meer. Wat Wilders hier tegenoverstelt is geen verbetering. Integendeel, Wilders vertegenwoordigt niemand dan zichzelf. Zijn politieke eenmansbedrijf belichaamt wel veel: de gevoelens, frustraties en verwachtingen, misschien zelfs de hoop, van honderdduizenden. Maar belichaming is iets anders dan vertegenwoordiging. Niemand kan Wilders een boodschap meegeven, niemand kan hem om de behartiging van zijn belangen vragen, niemand kan hem houden aan zijn programma, niemand kan hem ter verantwoording roepen.

Tussen haakjes: dat is ook een reden om bij de wet op partijfinanciering tegen geld voor de PVV te zijn. De belastingbetaler moet niet verplicht meebetalen aan iemand die hij nergens ter verantwoording kan roepen, iemand die niet eens een partij heeft waarvan hij lid zou kunnen worden. Het argument dat die burger als het hem niet bevalt op een ander kan stemmen, reduceert de kiezer tot consument en ondermijnt zijn burgerschap.

De verschuiving van ‘vertegenwoordiging’ naar ‘belichaming’ past in een gemedialiseerde wereld. Het is normaal geworden om op iemand te stemmen die je ‘van de televisie kent.’ Dat is anders dan te stemmen op iemand die van jouw kerk is of die net als jij uit de vakbeweging voortkomt. Laat staan op iemand die een programma uitvoert waaraan jij ook zelf hebt meegewerkt. De medialisering kan grote politieke betekenis krijgen wanneer er een scherpe scheiding is tussen de ‘producenten’ en de ‘consumenten’ van politiek. Dan vergroot ze het belang van ‘beeldende macht’ tegenover de ideologische macht waarin politieke partijen traditioneel hun kracht vinden. In de manier waarop Wilders profiteert van deze tendens is hij zeer bij de tijd.

Zelfbestuur

Vertegenwoordiging is in de grond plaatsbekleding. De vertegenwoordigde zegt tegen zijn vertegenwoordiger: ga jij in mijn plaats naar die vergadering. Dat doet hij in vertrouwen en in de verwachting terug te horen wat de resultaten zijn. Politiek bestuur dat op dit principe berust zal voor zijn draagvlak altijd afhankelijk zijn van de kwaliteit van de vertegenwoordiging – dat wil zeggen van de relatie tussen vertegenwoordigden en vertegenwoordigers.

Volgens Aristoteles is de burger iemand die beurtelings bestuurt en bestuurd wordt. Vertegenwoordigers en vertegenwoordigden rouleren dus. Dit klinkt vandaag de dag als een ideaal en geenszins als een realiteit. De realiteit is eerder dat we enerzijds onderdanen zijn die de rol van consument, commentator en kiezer hebben, en dat we anderzijds een kaste van politici hebben die zichzelf aanvult uit een beperkte voorraad. Met Ankersmit kunnen we vervolgens concluderen dat dit niet de naam van democratie verdient. Hierbij wil ik twee kanttekeningen maken. De eerste is dat er meer bestuur is dan alleen het openbaar bestuur en meer machtsuitoefening dan alleen openbare machtsuitoefening. Er gebeurt in onze maatschappij heel veel, met de participatie van velen, wat de vorm van ons bestaan en samenleven vergaand bepaalt maar niet tot de politiek wordt gerekend. In de zeggenschap die burgers daarmee hebben over de inrichting van hun individuele en collectieve bestaan zou de nodige compensatie kunnen zitten voor een gebrek aan politieke vertegenwoordiging.

Een tweede kanttekening betreft de ruimte voor verbetering. Want ook als Ankersmit gelijk heeft valt er nog wel iets te zeggen over het democratische gehalte van het systeem – iets wat Ankersmit overigens ook doet. In de eerste plaats scheelt het nogal hoevéél burgers te kiezen hebben. Welke functies zijn verkiesbaar en welke niet. En ook uit welke variëteit aan partijen kan men kiezen, en levert dat reële alternatieven op. En uit welke variëteit aan personen. Heb je als kiezer enkel de keus tussen drs. A en drs. B of doet drs. P ook mee? En wellicht nog een enkeling die geen doctorandus is.

In de tweede plaats is er de al aangeroerde vraag hoezeer er sprake is van reële vertegenwoordiging. Zijn er momenten waarop kiezers hun vertegenwoordiger kunnen spreken, is er discussie geweest over het programma op basis waarvan die persoon gekozen is, is er ergens de gelegenheid geweest tot vorming van gemeenschappelijke en gedeelde denkbeelden over waar het heen moet? Is er een behoorlijke verantwoording zijdens de vertegenwoordigers? Wat hebben zij met hun mandaat gedaan, waarover zijn compromissen gesloten en wat zijn die waard? Is er van de kant van de vertegenwoordigden sprake van participatie in meningsvorming, machtsvorming en beleidsvorming. Zijn voor al die belangrijke momenten gelegenheden gecreëerd en is er dus wederzijdse betrokkenheid georganiseerd?

Hoe meer zulke vragen positieve antwoorden krijgen, des te dichter we komen bij het leidende principe achter de democratie, namelijk dat de mensen zichzelf besturen. Dit principe draait om de vraag naar het politieke zelf van ‘de mensen’: wie zijn de mensen zelf, wie zijn die burgers die de volkswil tot uiting brengen, in welke formatie treden zij op, hebben ze een ‘zelf’ dat tot besturen resp. bestuurd worden in staat is? Zijn ze doelmatig gegroepeerd of louter een verzameling manipuleerbare enkelingen? Hierop zijn naar gelang de situatie heel verschillende antwoorden mogelijk. Ik neem drie voorbeelden uit mijn eigen bestuurspraktijk als wethouder waarin vertegenwoordiging, verantwoording en participatie een verschillende rol spelen en ook het antwoord op de vraag wie de mensen zelf zijn verschilt. Het gaat achtereenvolgens over het aanwijzen van monumenten, het onderbrengen van daklozen en het steunen van straatgroepen.

Aristocratisch gehalte

Bij het aanwijzen van monumenten zorgt het gemeentebestuur voor een beschrijving van het object, stelt het de eigenaar in kennis en organiseert besluitvorming in de raad. In veel gevallen (zoals in het geval van drie bankgebouwen op de Blaak in Rotterdam uit de vroege wederopbouwperiode) gebeurt dit op initiatief van de verantwoordelijke wethouder, na enige discussie in het college en in de raad. In andere gevallen (bijvoorbeeld dat van de met sloop bedreigde Bergsingelkerk) ligt er een brief van burgers met het verzoek tot aanwijzing.

De wethouder verantwoordt zich namens het bestuur en de wet jegens tijdgenoten, maar ook jegens het voorgeslacht – die aan het object heeft meegebouwd, er heeft gewerkt of er klant of kerkganger is geweest – en het nageslacht, dat al of niet de kans krijgt nog van het object te genieten en ervan gebruik te maken.

Van participatie is bij monumenten soms sprake. In Rotterdam bestond een tijdlang een Comité Wederopbouw, in gevallen als de Bergsingelkerk waren burgers betrokken bij voortgezet gebruik. Ook ontfermen krakers zich wel eens over een object en dragen zo bij aan de aanwijzing tot monument en behoud. In de praktijk gaat het om kleine, selecte groepjes die soms niettemin zeer invloedrijk kunnen zijn. In algemene zin moet van monumentaanwijzing worden gezegd dat het aristocratische gehalte hoog tot zeer hoog is.

Bij het onderbrengen van daklozen ligt het initiatief meestal bij het gemeentebestuur. In Rotterdam was dat na de sluiting van het beruchte Perron Nul eind 1994 ook het geval. Een verdubbeling van de dag- en nachtopvang was het doel. De voorzieningen kwamen gespreid over de gehele stad, maar dit werd niet zonder slag of stoot bereikt.

De verantwoordelijk wethouder vertegenwoordigt in dit geval het bestuur, de wet en belanghebbenden. De direct belanghebbenden zijn de daklozen die overdag en ’s nachts een veilige plek moeten hebben. Indirect belanghebbend zijn de omwonenden van de te realiseren voorziening, die meestal vinden dat de voorziening overal mag komen behalve bij hen in de buurt.

De wethouder verantwoordt zich jegens de raad en tegenover de omwonenden. Er is dus sprake van participatie. Die is in de aanvang meestal negatief gemotiveerd. In de praktijk blijkt ze wel degelijk constructief te kunnen werken, met de grootste tegenstanders van het begin als de grootste steunpilaren van de voorziening aan het eind.

De direct belanghebbend zijn slecht georganiseerd. Zij leggen voornamelijk als lijdend voorwerp enig gewicht in de schaal. De indirect belanghebbenden zijn vaak in korte tijd goed georganiseerd geraakt.

Bij het onderbrengen van daklozen is het aristocratische gehalte tamelijk hoog, zij het dat in de zelforganisatie van omwonenden democratische vormen meekomen. Op enkele plaatsen in Nederland bestaan ook voorzieningen voor daklozen die grotendeels in zelfbeheer worden onderhouden.

Bij het steunen van straatgroepen gaat het politiek bestuur een verbond aan met actieve bewoners. Het Rotterdamse voorbeeld is de Opzoomerbeweging. Op dit moment tellen meer dan 2000 straten in de stad een straatgroep die voor minimaal één activiteit per jaar garant staat en die het straatnetwerk levend houdt.

De wethouder vertegenwoordigt in dit geval slechts het bestuur en de belanghebbende straatbewoners, niet de wet. Er is geen regel die het steunen van straatnetwerken voorschrijft.

Hij verantwoordt zich jegens de raad en betrokken bewoners. De raad behoort te weten waar activiteitengeld aan wordt besteed en waar opbouwwerk wordt ingezet. De betrokken bewoners moeten kunnen krijgen waar ze recht op hebben. Participatie is in dit geval het uitdrukkelijke doel.

De mensen verwerven zich een zelf. Hun organisatie is het eigen belang waar het om draait. In de praktijk zie je dat straatnetwerken allerlei taken op zich nemen om het sociale leven goed te houden. Ook treedt er zelfprofilering van straten op. Sommige presenteren zich als ‘kindvriendelijk’, andere als ‘kunstzinnig’ of ‘muzikaal’, weer andere als ‘milieuvriendelijk’. Ook de bewoners moeten zich verantwoorden als ze gebruik maken van publieke middelen. Dat kunnen ze doen voor de deelgemeenteraad wanneer die daarom vraagt. Ze kunnen ook bewoners van andere straten meenemen in hun activiteiten of hen wijzer maken over hoe je zoiets opzet.

In het geval van het steunen van straatgroepen door het gemeentebestuur is het aristocratische gehalte gering en zelfs potentieel afwezig. De bewonersactiviteiten en hun prioriteitstelling zijn leidend. Versterking van de ‘basis’ is het doel en het effect.

Kastevorming

Het perspectief van de eerste taak, het aanwijzen van monumenten, is het publieke debat over het algemeen belang. Wat het algemeen belang is staat niet vast. In het geval van monumenten kan dit zitten in de waarde van historische referenties of in het behoud van unieke kunsthistorische kwaliteiten. Zonder een maatschappelijk debat krijgt het algemeen belang geen vorm. Door middel van debat wordt een bodem van gemeenschappelijkheid geschapen waarop burgers elkaar kunnen vinden. Het algemeen belang kan dus ook worden gezien als een gemeenschapstichtend oriëntatiepunt. Er zijn politicologen die de notie zelf verwerpen. Volgens hen is het niet anders dan een ‘stapeling van deelbelangen’. Mij lijkt dat een lichtzinnige redenering. Ze verspeelt de maatstaf waaraan alle deelbelangen zich moeten kunnen afmeten en ze verspeelt ook de essentie van het publieke domein. Er ligt onmiskenbaar een algemeen belang in een toegankelijk publiek domein, de kwaliteit van procedures, een werkend rechtssysteem, een veilige omgeving, kortom: het behoud van de democratische rechtsstaat, maar ook in een gezond milieu, goed onderwijs en kansengelijkheid.

Het perspectief van de tweede taak, het onderbrengen van daklozen, is het organiseren van solidariteit. Solidariteit berust op erkenning van andermans situatie als een die tot een gedeelde werkelijkheid behoort. Bekendheid met en erkenning van de ander als medeburger is het politieke doel. Dit betekent het vinden van de gemeenschappelijkheid in de basis van rechtsgelijkheid – bij alle feitelijke onderlinge verschillen. Solidariteit is de brug tussen gelijkheid en diversiteit. Je kunt niet van gewone burgers het besef verwachten dat iedereen dus ook zijzelf dakloos kan worden – al valt daar veel voor te zeggen. Maar je mag wel van ze verwachten dat ze diegenen die hun dak kwijt zijn niet ook hun recht op een fatsoenlijk bestaan ontzeggen.

Het perspectief van de derde taak, het ondersteunen van straatgroepen, is ruimte maken voor burgerschap. Burgerschap is de publieke kant van de persoon. Deze kant kan sociaal worden geoefend, maatschappelijk gepraktiseerd en politiek geëffectueerd. In het voorbeeld van de straatgroepen gebeurt het eerste in contact met de buren, het tweede in het vormgeven van het collectieve domein (hun straat) en het derde daar waar georganiseerde bewoners het openbaar bestuur aanspreken op zijn verantwoordelijkheid – vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. In sociaal opzicht is dit burgerschap het cement van de samenleving. In politiek opzicht is het de bloedsomloop, de zuurstofvoorziening van de democratie.

Deze drie perspectieven zijn onmisbaar als het gaat om het democratische gehalte van het openbaar bestuur, maar ook om de democratische gezindheid van de (stads- of staats)burgers. De democratie wordt bedreigd door versmalling en zelfopsluiting van de politieke kaste, maar evenzeer door de verenging van burgerschap tot de bescherming van individuele privébelangen – door ‘vermarkting’ van het burgerschap. Nog maar dertig jaar geleden namen  aanmerkelijk meer burgers deel aan de politiek, in ieder geval door partijlidmaatschap. Ook was het soort burgers dat bijvoorbeeld in gemeenteraden te vinden was veel gevarieerder dan nu, qua opleiding en inkomensklasse. Politiek is veel technischer geworden, verambtelijkt. Dat maakt dat grote delen van de bevolking, niet alleen laag opgeleiden, de politiek aan ‘anderen’ overlaat die men kennelijk meer bij dat eigenaardige bedrijf vindt passen dan zichzelf. Zo werkt men kastevorming bij die anderen in de hand. En de gedepolitiseerde burger kan vervolgens de overheid alleen nog zien als een verzekeringmaatschappij die snel moet leveren, daar betaalt hij immers belasting voor.

Deze verhouding is problematisch. Wanneer er geen politiek ‘wij’ van burgers is wordt de politieke kaste niet uitgedaagd om zich naar buiten te keren. En omgekeerd, wanneer alle burgers uitsluitend van zichzelf uitgaan werken zij in de hand dat hun regeerders hetzelfde doen.

Het populisme is de lachspiegel (of de huilspiegel?) van onze democratie. Een verschijnsel dat mensen massaal aanmoedigt om over ‘ze’ te praten die de schuld van alle sores hebben, wijst op een schrijnend gebrek aan eigen verantwoordelijkheid. Kennelijk hebben grote delen van het electoraat niet het gevoel, of de mogelijkheid of de omstandigheden, dat ze iets kunnen doen aan wat hen beknelt. Zij zien geen kans of hebben geen trek om de wereld die zij met anderen delen ook mee te dragen. En als ze zich al wel voor iets in hun directe omgeving inzetten, dan zien ze dit absoluut niet in het verlengde van een inzet voor het openbaar bestuur. Dat niveau blijft hun vreemd.

Wanneer we ons zorgen maken over het democratische gehalte van onze – stedelijke, landelijke, Europese – samenleving gaat het wat mij betreft om de vraag of het bestuur voor de bevolking als haar eigen zaak geldt – of dat het vooral de zaak van anderen is. De kwestie van directe of vertegenwoordigende democratie is daaraan ondergeschikt. Beide kunnen een invulling hebben die het burgers mogelijk maakt om op verschillende niveaus van ‘ons bestuur’ te spreken.

In de drie lokale taken die ik boven als voorbeeld van bestuursverantwoordelijkheid heb genoemd zit in oplopende gradatie de mogelijkheid voor burgers om zich politieke verantwoordelijkheid toe te eigenen c.q. voor het politiek bestuur om verantwoordelijkheid naar burgers te delegeren. Er zijn vaak genoeg aanleidingen voor een bestuur om de bevolking actief te betrekken bij de vraag naar het algemeen belang. Niet alleen bij monumenten, ook bij de planning van grote beeldbepalende objecten, bestemming van gronden of grote infrastructurele ingrepen kan dat de aangewezen weg zijn. Wanneer men burgers als de dragers van het democratische stelsel wil blijven beschouwen, dan zal men moeten zorgen dat ze tot actief dragerschap in staat zijn, vooral bij kwesties die iedereen raken.

Bij het organiseren van solidariteit is de kwestie van het burgerschap zelf nog meer aan de orde. Herverdeling van inkomens en het corrigeren van kansenongelijkheid door onderwijs is sinds de uitvinding van de verzorgingsstaat een staatszaak, maar waar het gaat om eenzamen, nieuwkomers, richtingzoekende pubers, dolende ouders of  botsende leefstijlen tussen buren,  is een verwijzing naar de staat niet het eerste en zeker niet het enige antwoord. De Wet  maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gaat met recht uit van het zelforganiserend vermogen van de samenleving. De wet zegt niet met zoveel woorden dat haar bedoeling is om de verzorgingsstaat te democratiseren, maar dat zelforganiserende vermogen zal in realiteit moeten worden omgezet. Het effect zal zijn dat de matig gecontroleerde macht van grote instellingen plaats maakt voor veel meer kleinschalige zorg in zelfbeheer. Dit hoeft niet de vorm te krijgen van een markt vol individueel vaardige burgers die hun zorg op maat inkopen. Het kan ook leiden tot collectieve arrangementen in zelfbeheer en, voor zover men aanspraak maakt op publieke middelen, met een publieke verantwoording op maat.

Daarmee kom ik op het derde perspectief, ruimte maken voor burgerschap. Dit perspectief roept in een liberale omgeving snel twee vrijheden in herinnering: die van ondernemen en die van meningsuiting. En in een communitaristische context gaat het bij burgerschap al gauw om regels en fatsoen. Mij interesseert het meest de republikeinse traditie waarin de vrijheid van vereniging en vergadering de belangrijkste associatie is. Dat mensen zich – ook buiten de privésfeer! – in vrijheid kunnen verenigen voor bepaalde, gemeenschappelijk vast te stellen doelen, dat is in onze geschiedenis een enorme sprong voorwaarts. Dat ze op een dergelijke manier zelfs een heel land kunnen besturen, dat was de grote ontdekking van de Amerikaanse revolutie. Het is ook de zin van onze politieke partijen. Verenigingen van staatsburgers zijn het in de eerste plaats. Geen staatsorganen, zoals tegenwoordig wel lijkt te worden gedacht door ‘gewone mensen’. En ook geen achterbannen van politieke leiders, zoals de media het gewoonlijk zien.

Het perspectief van burgerschap is de maatschappelijk-politieke organisatie van onderop in ‘geschaalde verantwoordelijkheid’. Het kan werken op de schaal van de straat, de buurt, de wijk, de stad, het land, het werelddeel. Op elke schaal kunnen burgers naargelang hun vermogens verantwoordelijkheid nemen. Op elke schaal kan het algemeen belang gezocht en gediend worden. Op elke schaal kan solidariteit georganiseerd worden.

Rechtsorde

Ik ben uitgegaan van lokale voorbeelden. Voor het lokale niveau, de stad(staat), is de democratie uitgevonden. Daar kan ze in hoge mate ‘direct’ zijn. Naar boven toe nemen allengs afvaardiging en vertegenwoordiging de plaats van directe democratie in. Ook als wij onze minister-president mochten kiezen en in een correctief referendum nu en dan een besluit corrigeren, zouden we nog goeddeels door indirect gekozenen worden geregeerd. Toch kunnen zulke maatregelen het democratisch gehalte op de nationale schaal verhogen, op voorwaarde dat het debat over het algemeen belang wordt gevoerd. Zonder een democratische cultuur blijven referenda, nieuwe participatievormen en andere verkiezingsstelsels loze gebaren. Democratische partijen moeten ingaan tegen de gesel van het hedendaagse subjectivisme waarin elke mening hetzelfde gewicht heeft en een gesprek over het algemeen belang onmogelijk is. Voor een referendum pleiten is niet hetzelfde als ‘roept-u-maar’ bepleiten. Het betekent aansturen op democratische meningsvorming, uitwisseling van gedachten en weloverwogen beslissen. Aan zo’n cultuur kunnen partijen werken, maar ook gemeentebesturen, regering en publieke omroep.

Op het hoogste schaalniveau vinden onderwijl dingen plaats die voor de perspectieven van algemeen belang, solidariteit en burgerschap vol belofte zijn. Mij valt in ieder geval op dat de internationale rechtsorde al enkele decennia in opmars is. Ondanks alles wat er mis gaat neemt de effectiviteit van de Verenigde Naties, het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof toe. Dit geldt nog meer op het Europees continent waar ook individuele burgers een beroep op het Hof in Straatsburg kunnen doen. Ze weten die weg daadwerkelijk te vinden. Interventies die door staten dertig jaar geleden nog als ‘inmenging in binnenlandse aangelegenheden’ werden beschouwd moeten ze nu gedogen. In het geval van Nederland zelfs krachtens de grondwet, die de internationale rechtsorde boven de nationale stelt.

Waar het gaat om het organiseren van solidariteit werkt het toenemende besef van onderlinge afhankelijkheid wereldwijd sterk. Het was te zien bij de tsunami, bij de aardbeving in Haïti en ook bij het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika. Ineens voelen allerlei gewone burgers zich betrokken bij het lot van anderen die het aanmerkelijk slechter hebben getroffen. Kosmopolitisme verliest in hoog tempo zijn elitaire karakter.

Waar het gaat om burgerschap biedt het Europese project een traag, maar kansrijk perspectief. Hoe jonger de inwoners van Europa en, toegegeven, hoe beter opgeleid ze zijn, des te gemakkelijker zien ze zich als EU-burger die van zijn rechten en mogelijkheden gebruikmaakt. Het Europese project is de basis waarop miljoenen Europeanen rationeel met elkaar verbonden zijn in een perspectief van vrede, mensenrechten en duurzame ontwikkeling. Aan die drie perspectieven ontleent het project zijn ratio en zijn legitimiteit. Die drie zijn ook de maatstaf waaraan de burgers zijn succes mogen afmeten – een succes waartegen gekreun over Brusselse regelzucht al gauw kleinzielig afsteekt.

Gerelateerde artikelen