9 minuten

Ontspannen

Over GroenLinks, vrijzinnigheid en moslims

Politiek en religie worden de laatste jaren op een onzalige manier vermengd, in elk geval als het om de islam gaat. Dit gebeurt van zowel islamitische als anti-islamitische kant. Wat kan links daar tegenover stellen?

Na de moord op Theo van Gogh werd de politiek in Nederland heel direct geconfronteerd met de rol van godsdienst in de samenleving. Bij GroenLinks bleef het op dit punt aanvankelijk stil. Maar binnen enkele maanden had de Kamerfractie de lijn te pakken: ingaan tegen een politiek van angst en de overreactie te lijf gaan met de deugden van nuchterheid, verdraagzaamheid en matiging.

Wat niet is gebeurd, dat is het aangrijpen van deze gebeurtenis voor de ontwikkeling van een meer expliciete lijn op het punt van godsdienst in het algemeen of van de islam in het bijzonder. Zo’n lijn heeft GroenLinks nooit gehad en is ook sinds die dag niet ontwikkeld – de activiteiten van de Linkerwang daargelaten. De partij heeft wel altijd een ruime opvatting van de vrijheid van godsdienst gehad en die verdedigd, alleen heeft ze grenzen gesteld waar andere grondrechten en vrijheden in het gedrang zouden komen. Toch heeft ze her en der de naam een antigodsdienstige partij te zijn. Dat lijkt me nergens goed voor. Want vrijzinnigheid staat voor openheid voor verschillende opvattingen, ontvankelijkheid voor nieuwe inzichten en een gezonde scepsis jegens alles wat pretendeert de volle waarheid in eigendom te hebben. Met zo’n grondhouding kan tegenwicht worden geboden aan een bedenkelijke politisering van religie. Waar het om de islam gaat vindt die van twee kanten plaats – van islamitische en van anti-islamitische kant. Deze twee kunnen elkaar versterken. Van islamitische kant gaat het om een radicale opvatting van theocratie. Van anti-islamitische kant gaat het om een generalisering van het ‘antimoderne’ of  ‘antiwesterse’ karakter van de islam en zijn waarheids- respectievelijk machtsaanspraken en de gewelddadigheid waarmee die gepaard gaan. Beide vormen brengen hun eigen risico's met zich mee en beide werken in het nadeel van Nederlandse moslims. Wat kan een progressieve beweging daar tegenover stellen?

We zijn een paar jaar verder sinds de moord op Van Gogh. We hebben een stroom aan publicaties en discussies gehad over de islam. We hebben een verschuiving meegemaakt in de publieke opinie, onder bestuurders en bij moslimorganisaties in Nederland. Het gerechtshof in Den Haag heeft de uitspraak gedaan dat de Hofstadgroep geen terroristische organisatie is. Er is, zou je mogen zeggen, wat meer realiteitszin in het debat gekomen. Wat zijn we wijzer geworden?

We weten in ieder geval dat Mohamed B. ondanks zijn vriendenkring als een eenling heeft geopereerd. Hij is geen held geworden en navolgers zijn er niet of hebben zich in ieder geval niet bekend gemaakt. Er is zeker geen robuust netwerk van geweldbeluste djihadisten aan de dag gekomen. Er is door niet één islamitisch orgaan een woord ter verdediging van de dader geuit. Er is wel fysiek geweld tegen moslims geweest. En nog veel meer verbaal geweld. Maar er is ook het nodige losgekomen aan interesse in de islamitische wereld. En op islamitisch erf zijn veel initiatieven opgekomen die aan introspectie doen, zelfkritiek oefenen en maatschappelijke verantwoordelijkheid bevorderen.

Dubbel karakter

Ik zie een paar dingen die de afgelopen periode ons kan hebben geleerd.

Het eerste is de betrekkelijkheid van argumenteren in termen van religie in het algemeen. Dit geldt in ieder geval religieuze inhouden, maar ook de organisatievormen, de verhouding tot de overheid en tot de moraal. Zelfs de meest fanatieke verlichtingsadepten hebben in de afgelopen periode moeten vaststellen dat er op al die aspecten enorme verschillen tussen godsdiensten bestaan. Om dat vast te stellen moet men wel zijn eigen abstracties verlaten, maar daar dwingt de situatie toe.

Het gebied waarop men juist wel in termen van religie in het algemeen moet argumenteren is dat van de rechten en vrijheden. Als het gaat om de vrijheid van godsdienst en het recht op het uitoefenen van de eredienst, is het maken van onderscheid tussen de ene godsdienst en de andere uit den boze. Hier heeft de afgelopen periode laten zien hoe uitgerekend partijen met ‘vrijheid’ in hun naam de verleiding niet kunnen weerstaan om hun inhoudelijk oordeel in rechtsongelijkheid en vrijheidsbeperking om te zetten. Dit leidt op islamitisch erf tot voorspelbare gevoelens van uitsluiting, met even voorspelbare reacties. Iedereen zonder een door assimilatienormen vertroebelde blik ziet daarvan de funeste uitwerking voor de integratie.

Het tweede is het verbeterde zicht op de bijzondere positie van de islam en het dubbele karakter van deze godsdienst. De islam is niet alleen een godsdienstig maar ook een geopolitiek fenomeen. Rond de Deense cartoonkwestie stelden de ambassadeurs van Syrië, Egypte en Saoedi-Arabië zich op als een combinatie van landsvertegenwoordigers en een pauselijke nuntius. Naarmate ze meer de adem van de politieke islamisten in de nek voelen, kiezen staatslieden en diplomaten van moslimlanden sterker voor zo’n staatsgodsdienstige opstelling. Doordat er geen centraal islamitisch gezag is – in dat opzicht gaat de vergelijking met de nuntius niet op – is er een ruim gespreide neiging onder moslims overal ter wereld om namens andere moslims op te treden of voor ze in de bres te springen. In de emigratie kan deze internationale dimensie extra gewicht krijgen als een ruime mogelijkheid van identificatie, om niet te zeggen als een collectivistische reflex. Deze treedt eens te meer op wanneer de directe omgeving minder vriendelijk gezind is en men een zwakke nationale identificatie heeft. Onder tweede en derde generatie Marokkaanse Nederlanders is dit de laatste zeven jaar een groeiende tendens – een groot verschil bijvoorbeeld met Turken in Nederland en elders. Ze is een compensatie voor het feit dat men hier een religieuze minderheidspositie inneemt en ze verzacht de etnische minderheidspositie.

Wat nu ook beter zichtbaar is, dat is de functie van de islam als koelkast van traditie. Dat is natuurlijk een breder fenomeen. In Rotterdam vind je tot op de dag van vandaag de zwartekousenkerkjes die zijn meegekomen met de immigratie vanuit de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. Ook een moskee is in zekere zin een meegereisd moederland. Ze beschermt de gemeenschap in de nieuwe omgeving tegen vervreemding van haar wortels en probeert tegelijk vormen van overleven te vinden, die onopgeefbare normen combineren met noodzakelijke aanpassing. Zo kan de islam fungeren als voertuig van patriarchale normen (vrouwen ‘haar plaats’ wijzen), van nationale ambities (de Turkse Diyanet!), van gemeenschapsgevoel (met de Ramadan bijvoorbeeld) en van imperialistische dromen (het wereldkalifaat). De islam is soms zelfs het voertuig van onislamitische gebruiken, zoals eerwraak en meisjesbesnijdenis. Even goed echter kan de islamitische autoriteit juist tegen dit soort misstanden worden ingezet en dan een positieve relatie krijgen met emancipatie en rechtsstaat.

Een complicerende factor van de laatste jaren is de georganiseerde inmenging vanuit Saoedi-Arabië. Ze sluit niet aan op de tradities van Marokkanen, Javanen, Turken, Somaliërs of welke andere grote moslimgemeenschap hier dan ook. Maar ze heeft wel invloed onder jonge identiteitzoekers die kunnen menen dat Wahabieten of Salafisten een ‘zuivere’ vorm van islam meebrengen. Ze is geprononceerd antimodern en verleidelijk in de eenvoud van haar alternatief.

Het derde is de variëteit aan islamitisch geloof. Men kan in Nederland zowel moslims ontmoeten die alleen anderen als moslim erkennen indien ze zich houden aan de vijf zuilen van de islam (bidden, vasten, aalmoes geven, enz.), als moslims die zweren bij de ‘goede intentie’ en zich in geweten alleen tegenover de Allerhoogste hoeven te verantwoorden en die vinden dat dit ook voor anderen geldt. Op websites en in kranten kan men zowel lezen dat alle ongelovigen de dood verdienen als dat elk oordeel over geloof of ongeloof enkel en alleen aan God toekomt. Het hele scala bestaat in Nederland. Men kan bij de soefi’s in de leer voor hun zachtmoedige mystiek. Men kan ook leren hoe je alle menselijke handelingen kunt indelen in halal en haram (rein en onrein, toegestaan en verboden), en hoe je niet alleen handelingen maar ook mensen in ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’ kunt indelen. Extremisten zijn degenen die ‘takfir’, het brandmerken van lauwe of ‘foute’ medemoslims als ongelovigen, beoefenen. Daar heb je er gelukkig niet veel van, maar dankzij internet weten ze elkaar te vinden. Het is ook dankzij internet – en in dit verband worden de moskeeën van de eerste generatie simpelweg voorbijgelopen – dat allerlei jongeren hun zelfbouwislam componeren. Ook komen onder moslims ietsisten en agnosten voor die toch een verbondenheid met de islam voelen.

Taken

Dankzij de enorme golf aan publiciteit, inclusief de gegroeide deelname aan de discussie van islamitische kant, kan iedereen in Nederland van deze verscheidenheid weten. En helpt dat?

Het voordeel kan zijn dat er minder generaliserende uitspraken worden gedaan. Generaliserend spreken over ‘de islam’ versterkt spookbeelden aan niet-islamitische zijde en versterkt de collectivistische reflex onder moslims. Drijf mensen op één hoop en ze zullen als collectief reageren. De fanatici zullen triomferen.

Het voordeel kan ook zijn dat er uit die verscheidenheid groepen en personen naar voren treden aan wie onze maatschappij veel kan hebben. Ze zijn er zeker, de bruggenbouwers, de verlichte geesten die nieuwe posities benoemen en innemen, degenen die een eigen emancipatieroute ontwikkelen, de meiden- en vrouwengroepen: al diegenen die de kansen van een vrije samenleving combineren met de wil om iets van waarde te scheppen of te herscheppen. Daar zitten zeker politieke bondgenoten bij.

Het voordeel van dit verworven onderscheid voor een vrijzinnig-linkse partij is dat ze zich met meer overtuiging kan wijden aan wat ook haar taak is:

–      de vrijheid van godsdienst verdedigen – dus ook met het oog op de islam;
–      de rechten van moslims verdedigen op expressie van hun godsdienst in alle vormen waarin de grondwet voorziet;
–      selectieve inperking van die rechten en vrijheden door de staat of pogingen daartoe door rechtse partijen bestrijden;
–      de normen van een open democratie handhaven tegenover conservatieven en reactionairen;
–      monopolisering van de islam door conservatieven, reactionairen en sektariërs bestrijden;
–      antidemocratische opvattingen bestrijden, ook als ze met religieuze argumenten worden onderbouwd;
–      meehelpen aan de emancipatie van moslims, in de eerste plaats in hun hoedanigheid van staatsburgers. 

Het perspectief van zo’n inzet hoeft niet te zijn dat er 'een liberale islam' of  'een Europese islam' ontstaat. Het perspectief is in de eerste plaats dat er op islamitisch erf meer ruimte komt voor differentiatie, voor individuele en groepsgewijze expressie. Dat is al gaande en het kan in een wat meer ontspannen omgeving meer zuurstof krijgen. De creatieve confrontatie met de moderniteit, die vele commentatoren voor de islam aanbevelen, zal toch in de eerste plaats door moslims zelf moeten worden gezocht. Daar moeten ze zich dan wel toe uitgenodigd voelen en niet geforceerd. 

Het wat verder verwijderde perspectief is dat van de islam als een ‘gewone godsdienst’. Dat wil zeggen dat hij een geaccepteerde maatschappelijke plaats heeft, geen speelterrein voor buitenlandse aspiraties meer is en dat een islamitisch geloof net zo’n vanzelfsprekend onderdeel van individuele identiteiten zal zijn als andere religieuze en niet-religieuze overtuigingen.

En misschien zit er in dat perspectief nog iets meer. Er zit in het vasthouden aan islamitische tradities niet alleen conservatief verzet tegen de moderniteit. Er zit ook iets in wat een positieve verhouding heeft tot de ‘ontspannen samenleving’. Het gaat dan om tijd nemen voor bezinning, om de rust en schoonheid van een gezamenlijke maaltijd, om gastvrijheid en het kalme idee dat veel dingen goed zijn zoals ze zijn. Dat zijn opvattingen over het goede leven met bijbehorende praktijken, die noch strikt religieus zijn, noch uitgesproken politiek, maar die wel betekenis hebben voor de samenleving. Het is helemaal niet verkeerd als een vrijzinnig-linkse partij, die haar eigen reserves heeft bij onze productiewijze en de manische verbruikscultuur, contact zoekt met politiek bewuste moslims. Ze doet dat dan in de eerste plaats als een verband van actieve staatsburgers, die iets met deze maatschappij willen. Het kan de reflectie op haar eigen bestaansreden ten goede komen.

En voor zo’n reflectie is veel te zeggen, zelfs al zou het betekenen dat GroenLinks even stil is wanneer anderen schreeuwen.

Gerelateerde artikelen