10 minuten

Pieken op de universiteit

Ruimte voor excelleren in het hoger onderwijs?

Het hoger onderwijs ligt onder vuur. Er moet meer aandacht komen voor talent en meer ruimte om te excelleren. Hoeveel toppen kan de universitaire hoogvlakte aan?

De Nederlandse universiteiten – en ook de hogescholen trouwens! – hebben de afgelopen decennia uitstekende prestaties verricht. Zij zijn in staat gebleken om ruim tweemaal zo veel studenten op te nemen zonder dat de kwaliteit van de afgestudeerden daar zichtbaar onder geleden heeft. Integendeel, de kwaliteit van het onderwijs zou zelfs wel eens gestegen kunnen zijn onder de invloed van visitaties, een toegenomen kostenbewustzijn en financiële prikkels voor studenten en universiteiten om de studietijd te beperken. De deels daaruit voortvloeiende onderwijsvernieuwingen, professionalisering van de universitaire docenten en een toegenomen kwaliteitsbewustzijn hebben positieve effecten gehad op zowel de inhoud als het proces van onderwijs.

Tegelijkertijd zijn ook de onderzoeksoutput en -impact toegenomen. Een andere wijze van organiseren van het onderzoek (meer concentratie rondom een beperkt aantal thema’s), hogere eisen aan onderzoekers (een promotie- en publicatieplicht) en meer aandacht voor de internationale zichtbaarheid van publicaties hebben de internationale positie van de Nederlandse universiteiten versterkt. Allerlei internationale rankings bewijzen dat jaar in, jaar uit.

Voegt men daaraan toe dat de voor onderwijs en onderzoek beschikbare middelen in vergelijkend opzicht (zowel in de tijd als in internationale vergelijkingen) niet of nauwelijks zijn toegenomen, dan kan de conclusie niet anders luiden dan dat de universiteiten veel lof verdienen voor hun prestaties. Het tegendeel is echter het geval.

Kommer en kwel

De universiteiten krijgen veel kritiek. Die kritiek komt uit heel verschillende hoeken en wordt met heel verschillende intensiteit geuit. Politici wijzen op de “maatschappelijk onaanvaardbare hoge uitval” in het universitaire onderwijs en op het ontbreken van excellentie, waardoor ze met lede ogen moeten aanzien dat de VS en Engeland wèl topuniversiteiten bezitten en Nederland géén Harvard, Yale, Oxford of Cambridge kent. Werkgevers wijzen op de gebrekkige aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, en tussen universitair onderzoek en bedrijfsmatige toepassingen. Zij klagen over de noodzaak buitenlandse afgestudeerden aan te trekken, vooral voor beroepen waarvoor exacte opleidingen nodig zijn. Docenten aan universiteiten en hogescholen beklagen zich over het verminderde kennisniveau van scholieren met een vwo- of havo-diploma. Bestuurders van universiteiten en hogescholen klagen over de structurele onderfinanciering van het Hoger Onderwijs, terwijl studenten (en hun ouders!) afgeven op het gebrekkige aantal contacturen, een gebrek aan diepgang in hun studie en over het meeliftgedrag van collega-studenten. Het is dan ook geen wonder dat de actiegroep Beter Onderwijs Nederland de wind in de zeilen lijkt te hebben.

Het lijkt dus kommer en kwel in het universitair onderwijs, terwijl daar objectief gezien niet veel reden voor is. Terecht hebben opeenvolgende ministers en staatssecretarissen de Nederlandse universiteiten getypeerd als  ‘een hoogvlakte’. Over de toevoeging die zij daarbij maakten, kom ik verderop te schrijven. De kritiek op de universiteiten is echter te vaak te horen om ze schouderophalend af te doen.

Het is evident dat de overgang van de elite-universiteit naar de massa- universiteit voor veranderingen heeft gezorgd. De door de samenleving gewenste grote toevloed naar de universiteiten is bijvoorbeeld gepaard gegaan met een zekere vervlakking en een noodzaak tot uniformiteit. De aandacht voor de ontwikkeling van de individuele student heeft natuurlijk geleden onder het feit dat honderden nieuwe studenten begonnen aan populaire studies als rechten, economie, psychologie, bedrijfskunde en communicatiewetenschappen. Onderwijs moet dan wel ‘bureaucratisch’ worden, omdat er te weinig docenten zijn om elke student individueel te begeleiden. Dat is een duidelijk nadeel van massaonderwijs, hoe creatief men ook gezocht heeft naar mogelijkheden om studenten zelfstandig of in groepen aan hun eigen studievoortgang te laten werken.

Daar komt bij dat maatschappelijke opvattingen sterk kunnen veranderen en dat die opvattingen een grote invloed kunnen hebben op het onderwijs.

Talenten

Zo kunnen we nu constateren dat ergens in de jaren ’90 van de vorige eeuw, een omslag in denken heeft plaatsgevonden over de waarde van gelijkheid in de westerse samenlevingen. Mede onder invloed van ‘conservatieve’ filosofen werden ambitie, uitblinken en het gebruiken van talent onderdelen van het idioom waarmee naar de samenleving werd gekeken. Dat ging bovendien gepaard met de onvermijdelijke terugtred van de overheid, gebaseerd op economische motieven (‘de verzorgingsstaat wordt onbetaalbaar’) en ideologische overtuigingen (‘een vrije markt functioneert beter zonder overheidsbemoeienis’). Staat en overheid werden vereenzelvigd met een te veel aan verzorging, een gebrek aan ambitie en een doorgeschoten gelijkheidsideaal met veel te veel aandacht voor de problemen aan de onderkant van de samenleving en te weinig oog voor de mogelijkheden die de bovenkant bood. ‘Talenten moeten de kans krijgen zich te ontwikkelen’ werd een van de nieuwe mantra’s en dit heeft een groot effect gekregen op het onderwijs.

De toenemende aandacht voor individueel talent is overigens in veel meer maatschappelijke sectoren zichtbaar: denk aan de politiek, aan de kunst en zeker aan de sport, waar een topsportklimaat wordt gecreëerd dat nog maar twee decennia geleden onbestaanbaar werd geacht. In de universiteiten heeft de aandacht voor talent zich in eerste instantie vertaald in het bieden van extra studiemogelijkheden, aan de universiteit zelf of in het buitenland. Soms namen individuele hoogleraren het initiatief om goed presterende studenten extra kansen te bieden door extra werkgroepen, werkbezoeken, discussiebijeenkomsten en buitenlandse reizen.

Zeer hoog

Een van de meest in het oog springende veranderingen was in mijn optiek echter de oprichting van het University College Utrecht. Op een eigen campus kregen geselecteerde studenten les van geselecteerde docenten. Hans Adriaansens, de geestelijke vader van het College, beoogde zijn studenten een brede bacheloropleiding te geven, waarin studenten werden geconfronteerd met verschillende disciplines. Adriaansens is in zijn opzet geslaagd: het College is zeer in trek, studenten én docenten zijn enthousiast, en de prestaties van de studenten worden erkend doordat zij tot een breed scala van masteropleidingen in binnen- en buitenland worden toegelaten. Bovendien is het kwantitatieve rendement van de opleiding zeer hoog, hetgeen een bevestiging inhoudt van de stelling dat een stimulerende omgeving tot betere prestaties leidt.

Het Utrechtse voorbeeld heeft op een aantal manieren navolging gekregen: Adriaansens zelf heeft in Middelburg de Roosevelt Academy opgericht, aan de Universiteit Maastricht is het University College Maastricht opgericht, terwijl de plannen voor een start aan de Universiteit van Tilburg en aan de Christelijke Hogeschool Windesheim in een vergevorderd stadium zijn. Maar ook andere initiatieven hebben onder andere voortgebouwd op Adriaansens’ voorbeeld. Zo zijn er in steeds meer universiteiten en hogescholen honours classes opgericht, waarbij studenten die goede prestaties verrichten extra onderwijsmogelijkheden aangeboden krijgen.

Selectie

Maar er zijn ook andere effecten opgetreden. De roep om selectie is bijvoorbeeld steeds sterker geworden. De Universiteit Leiden was daarin initiatiefnemer en ook al is deze universiteit deels teruggekomen op haar selectiemethode, dat is niet omdat de geselecteerden het niet goed zouden doen, maar omdat zich ook bij de niet-geselecteerden onvermoede kwaliteiten openbaarden. Selectie op cijfers alleen lijkt een te grof instrument te zijn en steeds meer wordt er in selectieprocedures ook gekeken naar motivatie, discipline en inzet. Het succes van de Colleges heeft echter tot meer veranderingen aanleiding gegeven.

Zo is het heel interessant te zien dat de Universiteit Utrecht de massale rechtenopleiding opknipt in law colleges van zo’n 75 studenten, waardoor studenten zich méér dan een nummer voelen en de sociale controle, maar ook de prestaties sterker worden. Wat men in Utrecht en ook in Maastricht hoopte, namelijk dat de Colleges een positieve uitstraling op de andere opleidingen zouden hebben, lijkt in deze twee universiteiten te worden bewaarheid.

Een andere, uiterst belangrijke institutionele verandering heeft zich voorgedaan in de onderzoekersopleidingen. Op initiatief van staatssecretaris Nijs zijn specifieke masteropleidingen ingericht, de zogenaamde researchmasters, waarin een beperkte groep geselecteerde studenten een tweejarige opleiding tot onderzoeker volgt. Bijzonder aan deze opleidingen is dat het onderwijs verzorgd moet worden door docenten die zelf een zeer goede naam in het onderzoek verworven moeten hebben. In termen van de regelmatig terugkerende externe onderzoeksbeoordelingen betekent dit dat de betreffende onderzoeksgroep als ‘zeer goed’ gekwalificeerd moet zijn. Inmiddels zijn met name in de alfa- en gammawetenschappen zo’n 130 van deze hooggespecialiseerde opleidingen van start gegaan. Over een aantal jaren zal blijken of deze studenten in de wetenschap of in de onderzoeksinstellingen van bedrijven en de overheid een plek hebben kunnen krijgen en of zij in staat zijn het onderzoek van voldoende nieuwe impulsen te voorzien.

Bovenlaag

De aandacht voor talent neemt dus toe, is begrijpelijk en is ook onomkeerbaar. Talent heeft inderdaad het recht zich te ontplooien. Toch moet hierbij een aantal kanttekeningen worden geplaatst. De eerste is dat het eenvoudiger lijkt dan het is om talent te herkennen. De Leidse ervaringen kunnen hierin een belangrijke rol vervullen. Goede scholieren blijken bijna altijd ook goede studenten te kunnen worden, maar een belangrijk deel van het talent rijpt pas later. Het is dus zaak om niet alleen op cijfers te selecteren, maar betere methodieken te ontwikkelen om de nog niet tot ontwikkeling gekomen talenten te herkennen. Vooral bij selectie aan de poort is dit een grote noodzaak. Selectie achter de poort biedt meer mogelijkheden om te zien of de universitaire omgeving een positieve invloed kan hebben op talent dat tot dan toe nog niet goed zichtbaar was geworden.

Een tweede kanttekening behelst het risico van het eenzijdige focussen op talent. Om de top te kunnen halen moet er voldoende breedte zijn. Dat geldt in de sport, maar dat geldt ook voor kennisontwikkeling. Niet iedereen is even talentrijk, maar onze samenleving heeft op heel veel plekken behoefte aan mensen die met deskundigheid, degelijkheid, stevigheid en openheid hun werk doen. Het weefsel van de samenleving wordt in stand gehouden door al die mensen die hun werk op een goede manier uitvoeren. Daarvoor moeten zij dus goed opgeleid worden. De sector van het Hoger Onderwijs zal zich altijd moeten blijven realiseren dat dit een even belangrijke rol is als het laten excelleren van talent. Het gevaar is niet denkbeeldig dat sommige docenten zich expliciet gaan richten op de bovenlaag van de studenten, waardoor de kwaliteit van het onderwijs aan de ‘gemiddelde student’ achteruit gaat. Onlangs heeft de huidige interim-chancellor van Harvard, Derek Bok, daarop gewezen in een spraakmakend boek Our underachieving colleges (2006) waarin hij zich zeer kritisch uitlaat over de kwaliteit van de Amerikaanse undergraduate colleges. Bok wijst met name op het gebrek aan aandacht van de docenten voor deze opleidingen en roept zijn collega’s op meer tijd en aandacht te besteden aan het opleiden van de undergraduates (vergelijkbaar met onze bachelors).

Cambridge aan de Rijn

Ik wijs nog op een derde gevaar en dat is de ridicule vergelijking die gemaakt wordt tussen onze universiteiten en een aantal topuniversiteiten in de VS en Engeland. Dat is een heilloze vergelijking en volstrekt misplaatst. Nederland krijgt geen Harvard of Cambridge, hoezeer we onze best ook zouden doen. Dat verschil is niet te overbruggen, behalve misschien als we alle talenten in één Universitas Neerlandica bij elkaar zouden zetten. Het valt mij daarom tegen dat sommige universiteiten die pretentie van excellentie wel blijken te hebben, ook al wordt daar in de Nederlandse context al gauw gesproken over ‘Harvard aan de Maas’ of ‘Cambridge aan de Rijn’ om het geheel iets minder serieus te maken. Natuurlijk heeft Nederland ook ‘toppen’ en onze hoogvlakte is niet vlak, maar de toppen zijn verspreid over vrijwel alle Nederlandse universiteiten en vervullen binnen die instellingen een prachtig voorbeeld voor hun collega’s en de studenten.

Ik wil echter uitdrukkelijk wijzen op de mogelijkheid van profilering van de verschillende universiteiten. De mission statements van de instellingen zijn nu vrijwel inwisselbaar. Alle algemene universiteiten willen breed zijn, aandacht schenken aan de verbinding tussen onderwijs en onderzoek, goed luisteren naar hun omgeving en ze streven allemaal naar excellentie in onderwijs en onderzoek, en dat in een internationale context. Jammer genoeg zijn studenten niet kritisch genoeg en wordt er te weinig gekeken naar de werkelijke kwaliteit van universiteiten en opleidingen. De mogelijkheid om van elkaar te verschillen wordt nauwelijks aangegrepen en als dat toch gebeurt, gaat dat met weinigzeggende concepten als studentgecentreerd onderwijs. Juist in dit opzicht zouden de universiteiten zich sterker van elkaar mogen onderscheiden om studenten echte keuzemogelijkheden te bieden. Zo zouden studenten eerder op de plaats kunnen komen die past bij hun interesse en leerstijlen.

Differentiatie en diversiteit zijn een maatschappelijke realiteit geworden. Onderscheid dient inderdaad gestimuleerd te worden. De behoefte daaraan, maar ook de noodzaak daartoe zijn naar mijn mening overtuigend aangetoond. Aan een te ver doorgeschoten differentiatie kleven echter ook bezwaren: eenzijdige aandacht voor talent, mogelijke verspilling van talent en een onnodige beperking van de toegankelijkheid. Nederland heeft al zijn talenten nodig: dat vergt een gedifferentieerd onderwijsbeleid met een grote autonomie voor de instellingen, met duidelijk omschreven doelstellingen en een grote bereidheid tot verantwoording. Dat zal het Nederlandse universitaire onderwijs nog beter maken dan het al is.  

Gerelateerde artikelen