10 minuten

Pijlers van de collectieve moraal

Eerherstel voor professionals

Onderwijzers, welzijnswerkers en zorgverleners worden al jaren belaagd door efficiency, regelzucht en wantrouwen. Nu klinkt een pleidooi voor eerherstel van deze ‘professionals in dienst van de staat’. Zij zijn de dragers van de moraal die de samenleving moet binden.

Tussen 1890 en 1912 verzorgde de socioloog Emile Durkheim een serie colleges dat in zijn geheel onder de titel Professional Ethics and Civic Morals  voor het eerst in 1957 in het Engels werd gepubliceerd. Durkheim, de onbetwiste grondlegger van de sociologie, behandelt in deze colleges alle grote thema’s die ook zijn overige werk kenmerken: de verhouding tussen de staat en individuele burgers, het verloren gaan van de religie als samenbindend element van de moderne samenleving, de differentiatie en fragmentatie van de industriële samenleving, het economisch imperatief en de homo duplex: het tweeslachtig karakter van de mens die zowel rationeel en sociaal als agressief en egoïstisch is. Ervan overtuigd dat de sociologie de wetenschap van de moraal moet zijn, zocht Durkheim ruim een eeuw geleden een antwoord op de vraag die actueler lijkt dan ooit, namelijk wat het samenbindend element kan zijn in een samenleving die op drift is geraakt door processen van globalisering, migratie en elkaar snel opvolgende religieuze conflicten (toen de affaire Dreyfus), oorlogen en revoluties. Hem baarde vooral de snelle en ontwrichtende industriële groei in zijn tijd zorgen; de economie die zich losmaakte van de traditionele instituties die de samenleving bijeen hielden terwijl de (nationale) staat nog lang niet tot volle wasdom was gekomen.

Stap voor stap exploreert Durkheim in deze colleges de mogelijkheden om sociale samenhang te creëren door middel van het vestigen van een collectieve moraal. Hij roept daarbij de natiestaat aan die in zijn ogen de overkoepelende autoriteit moet zijn die wetten uitvaardigt en rechtspreekt, die regels stelt en belastingen int, en de enige bindende instantie kan zijn: “Het is de staat die deze wetten maakt, organiseert en inhoud geeft. En inderdaad, de mens is alleen mens omdat hij deel uitmaakt van een samenleving. Neem de mens alles af wat sociaal is en al wat resteert is een dier gelijk andere dieren.” In discussie met zijn liberale tijdgenoten die de staat beschouwen als een ongewenste interventionist en als beperker van individuele vrijheden, stelt hij: “Er is niets inherent tirannieks aan staatsinterventie op de verschillende maatschappelijke terreinen; integendeel, ze heeft als doel en als effect bestaande tirannie te verzachten.”

Onderwijzers

Dat neemt niet weg dat de staat de potentie heeft om tiranniek te zijn. Dat brengt Durkheim tot zijn pleidooi voor de morele rol van wat hij noemt de ‘secundaire groepen’ die corrigerend ten opzichte van de staat en bemiddelend in de relatie tussen burgers en de staat moeten zijn. Die ‘secundaire groepen’ worden gevormd door professionals in dienst van de staat: onderwijzers, legerofficieren en rechters. Via hun beroepsverenigingen ontwikkelen ze regels over integriteit en verantwoordelijkheid die gehandhaafd worden door bijeenkomsten van vakgenoten, door hiërarchische systemen waarin meesters leerlingen opleiden en door gekozen vertegenwoordigers die toezien op de regels van het vak. Binnen zulke associaties kan een professionele ethiek ontstaan die de collectieve moraal weerspiegelt, en vice versa: het conglomeraat van de professionele associaties vormt volgens Durkheim de collectieve moraal die het samenbindend element van de samenleving vormt.

In reactie op groeiende economische en industriële machten en in een poging ook deze te onderwerpen aan de collectieve moraal, mondt Durkheims analyse van de sociale instituties aan het eind van de 19de eeuw uit in een pleidooi voor het corporatisme: de associaties van werknemers en werkgevers die onder de hoede van de staat niet alleen een belangen- maar ook een morele gemeenschap vormen, waarin de leden verantwoordelijk zijn voor elkaars belangen, loyaal zijn aan de samenleving en waarin het individu ondergeschikt is aan het geheel. Ook deze associaties zouden een professionele ethiek moeten ontwikkelen die als pijler voor de collectieve moraal kan dienen om zodoende de tot anarchisme neigende economie enigszins te reguleren. Daarmee is Durkheim niet alleen de grondlegger van de sociologie als de wetenschap die de moraal bestudeert aan de hand van sociale feiten, maar ook een van de belangrijke pleitbezorgers van het corporatistisch stelsel waarop de meeste continentaal Europese landen zijn gebaseerd.

Niet efficiënt

Nu, een eeuw na Durkheim, stelt zich weer de vraag naar de collectieve moraal, en opnieuw klinkt een oproep aan de professionals in dienst van de staat om die moraal te handhaven en zich teweer te stellen tegen de markt die individualiseert en corrumpeert. “Relativeer niet!”, roept Evelien Tonkens, GroenLinks-Tweedekamerlid, hen nu toe in haar onlangs verschenen essaybundel Mondige burgers, getemde professionals, waarmee ze wil zeggen: zet je schrap, word niet onverschillig en verdedig niet alleen je vakbekwaamheid maar ook je integriteit. Denk om de publieke zaak! En om elk misverstand te voorkomen staat er fier boven een essay over Zweedse straathoekwerkers: “Wij zijn heel moralistisch”.

Sinds het begin van de jaren tachtig staat de rol van de ‘secundaire groepen’, de professionals in dienst van de staat onder druk. Enerzijds omdat de overheid worstelt met haar rol als publieke dienstverlener: in een proces van zelfreflectie en onder druk van economische krachten was de conclusie ‘te duur, te bureaucratisch en niet efficiënt’ vrij snel getrokken. Anderzijds nam het vertrouwen af in de capaciteit van de professionals in dienst van de staat om tegemoet te komen aan de toenemende diversiteit van behoeften van de bevolking en in het resultaat van professionele interventies. Het lijken te grote en te algemene termen, maar processen van democratisering en individualisering zorgden er uiteindelijk wel voor dat het vertrouwen in de onderwijzer, de legerofficier en de rechters die Durkheim opvoerde als pijlers van de collectieve moraal, en in hun verlengde ook het vertrouwen in de maatschappelijk werker en de bijstandsconsulent, wankelde.

Wantrouwen

Wat volgde mag bekend worden verondersteld: terwijl aan de basis een langzame en onzichtbare herbezinning plaatsvond op de aard en de kwaliteit van de interventies door professionals ten behoeve van cliënten, patiënten, scholieren en kwetsbare burgers, volgde van overheidswege een totaal andere operatie die in de Angelsaksische literatuur beschreven wordt als ‘managementism’. Dat wil zeggen een van overheidswege georganiseerd wantrouwen in haar ‘uitvoerend personeel’ dat gepaard gaat met een streven naar kostenreductie op zodanige wijze dat kwantiteit voor kwaliteit komt. Gedwongen fusies gingen gelijk op met de roep tot klantgericht werken, prestatie-afspraken werden gekoppeld aan uitstroomcijfers en decentralisatie en privatisering moesten zorgen voor ‘gespreide verantwoordelijkheid’, met als resultaat dat  uiteindelijk nog maar weinigen zich echt verantwoordelijk voelen. Met andere woorden: waar Durkheim nog een oproep deed aan de professionals in dienst van de staat om professionele ethiek te verbinden aan de collectieve moraal, deden de vertegenwoordigers van de staat aan het eind van de 20ste eeuw een oproep aan de professionals om vooral de wetten van de markt te volgen.

Reacties konden niet uitblijven. Na eerdere oproepen tot ‘bemoeizorg’ door Henselmans (1993) en Kuypers en Van der Lans (1994) verschenen recent de genoemde bundel van Evelien Tonkens en Bemoeien werkt van Van der Lans, Medema en Räkers. Tonkens bepleit het belang van het werk van professionals in de publieke sector en roept hen op hun interventiewerkzaamheden en hun professionele ethiek uit naam van de collectieve moraal te verdedigen. Hiermee presenteert ze niet alleen een interessante verzameling beschouwingen over de ijzeren wurggreep waarmee overheid, markt en burgers de werkers in de publieke sector dreigen te omsluiten. Haar bundel is ook als fenomeen in zichzelf interessant omdat deze het einde markeert van een tijdperk waarin professionals in de publieke sector vooral beschouwd werden als charlatans die allerlei bedrieglijke waar aanboden, zich via hun beroepsorganisaties lieten voorstaan op kennis en kundes die niet waargemaakt konden worden of, en in tegenspraak daarmee, zich op paternalistische wijze richtten op het kanaliseren van afwijkende levensstijlen, gedachten en gedragingen. Wellicht hun grootste zonde was dat ze een steeds groter beslag legden op collectieve middelen. Als dit pleidooi aanslaat kunnen we vaststellen dat het tijdperk Hans Achterhuis (in 1979 ingeluid met zijn befaamde boek De markt van welzijn en geluk) eindelijk voorbij is.

Tegen onverschilligheid

Het nieuwe beroep op de professionals in de publieke sector lijkt me vooral toe te schrijven aan het in volle hevigheid terugkeren van de verschijnselen waarmee Durkheim zijn tijdperk typeerde: grootschalige migratie, globalisering, verregaande differentiatie en fragmentatie, en opnieuw een dreigend primaat van de economie. Een belangrijk verschil is echter dat anno 2003, de natiestaat die zich in de loop van de 20ste eeuw in veel Europese landen dankzij het corporatistisch stelsel tot verzorgingsstaat ontwikkelde en daarmee het economisch imperatief wist te beteugelen, nu op zijn retour is. En het was juist de verzorgingsstaat waarin de publieke sector en haar professionals zo goed gedijden. Tegen deze achtergrond lees ik de essays van Tonkens dan ook vooral als een politiek pamflet, een hartenkreet voor het behoud van het werk van professionals in de publieke sector en datgene wat zij daarmee uitdragen, het behoud van de collectieve moraal. Het is dankzij hun werk dat compassie en solidariteit wordt uitgedragen met de kwetsbaren van onze samenleving, ten behoeve van een vorm van beschaving die bestaat uit het niet opgeven van de pogingen om diegenen te ondersteunen die uit de boot dreigen te vallen door alcoholisme, schulden, werkloosheid, vroegtijdige schoolverlating, het niet beheersen van de Nederlandse taal, seksueel misbruik, psychische verwarring of criminaliteit. Kortom, als een pleidooi tegen onverschilligheid, en voor een nieuwe collectieve moraal en het erkennen van de rol van de ‘secundaire groepen’ daarin. Anderzijds laat Tonkens zien dat onverschilligheid van de natiestaat ten opzichte van haar burgers, ongewild wellicht, een bijdrage levert aan het ondermijnen van de collectieve moraal. Als burgers het gevoel krijgen dat de overheid hun belangen niet meer (goed) vertegenwoordigt, zullen ze dat zelf wel doen. De ‘grote mondigheid’ van burgers, waar onderzoeker Micha de Winter en cultuurfilosoof Gabriël van den Brink over spreken en die door Tonkens erkend wordt, moet geïnterpreteerd worden als de altijd aanwezige maar zich niet altijd zo openbarende zwarte zijde van de homo duplex, die al door Durkheim gevreesd werd. Waar de collectieve moraal verdwijnt, verhouden mensen zich als dieren tot elkaar; de wolven  roepen om veiligheid, sanctie en uitzettingen uit angst anders zelf verzwolgen te worden. 

Bemoeien

De essays van Tonkens blinken uit door heldere, geestige en soms woedende beschrijvingen van de new speak waar politici, ambtenaren en managers in de publieke sector zich van bedienen. Ze laten zien waar verantwoordingsprocessen stuk lopen, het werk ondermijnen en de werkers frustreren als ze niet op de problemen in de publieke sector en de beroepsuitoefening zelf zijn afgestemd. Ze tonen ook aan wat er gebeurt als efficiency het hoofddoel wordt in een sector waar mensen met mensen werken en hoe dat de professionele ethiek en daarmee de collectieve moraal ondermijnt. Maar de essays bieden helaas geen inzicht in hoe de professionals in de publieke sector zelf zich gedragen en welke opvattingen zij zelf over hun maatschappelijke rol hebben. De professionals worden door Tonkens vooral ideaal-typisch beschreven. Ze zijn slachtoffer of moralistische straathoekwerkers – dat laatste in Zweden.

Vanuit een andere invalshoek gaan ook Van der Lans, Medema en Räker in op het werk van professionals. Zij houden in Bemoeien werkt een pleidooi voor ‘bemoeibemiddeling’ als alternatief voor het werken vanuit de spreekkamer. ‘Weer op de mensen af’ is het credo waarmee men oude tradities uit het maatschappelijk werk en het welzijnswerk nieuw leven probeert in te blazen. Tegelijkertijd is men zich volop bewust van de ‘moderne moraal’ die gebiedt dat mensen zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun leefwijze en leefsituatie. Bemoeibemiddeling is een dappere en noodzakelijke poging om dwars tegen de bureaucratisering, de grootschaligheid en afstandelijkheid van het zorg- en welzijnswerk in, een vorm van werken te ontwikkelen die degenen voor wie de trampoline van de activerende verzorgingsstaat niet werkt, weer op weg te helpen. Bemoeien werkt biedt vooral een uiteenzetting van de ethische en methodische aspecten van de bemoeibemiddeling, en is daarmee vooral geschikt als handboek voor de sociaal-agogische opleidingen. Op de achtergrond echter klinkt, even luid als bij Tonkens, de roep tot herstel van de waardering voor en het vertrouwen in de ‘secundaire groepen’ de professionals die in dienst van de staat de opdracht hebben de binding in de samenleving te handhaven. Beide publicaties nodigen professionals, maar ook wetenschappers, managers en politici, uit tot herbezinning op de werkwijze, de normen en praktijken van het professionele werk in de publieke sector. Transparantie en efficiëntie zijn noodzakelijk, maar belangrijker is een beroepsethiek verbonden aan een collectieve moraal waarin het individuele en collectieve welzijn centraal staat.

Literatuur

- Evelien Tonkens: Mondige burgers, getemde professionals; NIZW, 2003, 160 p., 14 euro.
- Van der Lans, Medema en Räkers: Bemoeien werkt; De Balie, 2003, 120 p., 13,50 euro.

Gerelateerde artikelen