11 minuten

"Politiek moet ouderschap niet overnemen"

Liesbeth Noordegraaf-Eelens over haar boek

Kinderen krijg je niet alleen voor jezelf, maar ook voor de samenleving. Maar in hoeverre mag de politiek zich met opvoeding bemoeien? Liesbeth Noordegraaf-Eelens over haar boek Kinderen koop je in de hemel. Over zwangerschap, geboorte, kind-zijn en ouder worden.

In Nederland worden kinderen door de ooievaar gebracht. In Vlaanderen worden kinderen gekocht. Een bedekte manier om tegenover kinderen te kunnen spreken over ‘kinderen verwekken, baren of krijgen’. Liesbeth Noordegraaf-Eelens (1973) is als filosoof en econoom verbonden aan de Erasmus School of Economics van de Erasmus Universiteit Rotterdam en zelf moeder van vier kinderen. Ze schreef een boek over de beelden en opvattingen die heersen over het kinderen krijgen en het kind-zijn. Tegenwoordig leeft in de politiek en in de samenleving het idee van het maakbare kind: een goede opvoeding moet leiden tot de vorming van goede burgers. Columnisten politiseren de debatten rondom de arbeidsparticipatie van vrouwen en de opvoeding van kinderen verder. En op de achtergrond spelen de trauma’s in de jeugdzorg. Uitgangspunt van het boek van Liesbeth Noordegraaf-Eelens is de gedachte van het kind als de ander. Ze sluit aan bij de notie van Hannah Arendt die in de geboorte (‘nataliteit’) de menselijke conditie zag: het kind als de onbekende, van wie het onverwachte verwacht mag worden.

In je boek koppel je je persoonlijke ervaringen aan de filosofie. Je bespreekt Foucault, Sloterdijk en Hannah Arendt. Wat bracht je tot het schrijven van dit boek?
“Mijn ervaring is dat veel mensen torenhoge verwachtingen hebben van kinderen en van zichzelf als ouders. Laat ik het even economisch duiden. Vroeger kon je niet kiezen voor kinderen. De ‘geschenken uit de hemel’ waren kostenposten, maar ze brachten ook geld op. Er was sprake van een ruilrelatie, je krijgt terug wat je eraan spendeert. Als je als ouder geluk had, kwam je terecht in een break-even situatie. Het leven van een kind werd ook gewaardeerd aan de hand van zijn arbeidsinkomsten. Sinds de opkomst van de pil kiezen mensen voor kinderen en dat plaatst kinderen economisch gezien in een heel ander perspectief. De keuze voor kinderen betekent dat je kinderen het leven geeft, en dat doe je alleen maar als je weet dat dat een goed, nee, het beste leven is. We zeggen wel dat ouders voor god spelen, maar in feite kiezen ze er vooral voor om kleine godjes op de wereld te zetten. Dat leidt tot de paradoxale situatie: door de vrije keuze voor kinderen komen ouders en kinderen meer dan ooit onder druk te staan. Ouders investeren heel veel tijd en geld in hun kinderen, dus daar verwachten ze wat voor terug. Die verwachtingen zijn vaak niet financieel, maar eerder sociaal-emotioneel. Je wil dat je kind het altijd naar zijn of haar zin heeft, dat het het goed doet op school, dat het veel sport, dat het mooie kleren heeft, en bovenal dat het kind zijn ouders net zo leuk vindt als omgekeerd. Van een break even lijkt geen sprake meer: hoe kan een ouder ooit genoeg doen voor zijn kind, hoe kan een kind ooit al die inspanningen van zijn ouder compenseren? Tegelijkertijd hebben (vooral) hoger opgeleide vrouwen nog een andere schuld in te lossen. Ze zitten klem tussen enerzijds het moeder-zijn en anderzijds het waarmaken van de eigen talenten. Dit komt goed tot uitdrukking in de discussie die wordt gevoerd tussen Heleen Mees en Beatrijs Smulders.

Heleen Mees vindt dat alle moeders fulltime moeten werken. Beatrijs Smulders staat voor het anderhalfverdienersmodel. Dit debat wordt op hoge toon gevoerd. Vrouwen met kinderen worden met nog meer schuldgevoelens opgezadeld: of ze schieten tekort als werknemer of ze schieten tekort als moeder. In mijn boek pleit ik ervoor dat we kinderen zien als een echte gift. Je geeft iemand het leven, maar je weet niet wat je daarvoor terugkrijgt. Dat tempert de verwachtingen die we van kinderen en het ouderschap hebben. Het temperen van de verwachtingen was voor mij een van de reden om het boek te schrijven.

Ik vind dat vrouwen voor zichzelf het moederschap moeten uitvinden. Ik leef deels wel zoals volgens Heleen Mees zou moeten: ik werk fulltime en maak gebruik van de kinderopvang. Maar dat wil niet zeggen dat het niet zwaar is of dat ik zou vinden dat iedereen dat maar zou moeten doen. Zelf heb ik flexibel werk, maar veel anderen niet. En stel dat je een huilbaby hebt. Je zou niet zulke uitgesproken meningen zomaar moeten ventileren en veralgemeniseren.”

Maar Heleen Mees en Beatrijs Smulders vertegenwoordigen natuurlijk wel elk een stroming. Wat zie je daarvan terug in de politiek en de samenleving?
“Wat Mees zegt speelt onder vrouwen van mijn leeftijd, namelijk dertigers: die durven nog nauwelijks aan kinderen te beginnen, of ze stellen het uit. Ze denken dat ze anders hun loopbaan moeten opgeven, of dat het enorm zwaar wordt. In de praktijk kan het meevallen zolang je zelf niet de perfecte moeder wilt zijn, en je jezelf ook af en toe een ‘fout’ gunt. Het beleid mag dan nog wel zo worden dat men vrouwen, van wie men het belangrijk vindt dat ze aan het werk blijven, meer faciliteiten biedt. Het was goed dat dit kabinet werk wilde maken van de kinderopvang, dat was ook voor mij een stimulans om veel te blijven werken. Maar de kinderopvang is duur, heeft het kabinet gemerkt. Scholen zijn een ramp voor werkende ouders, om de haverklap is er vakantie. Het continurooster (zie het artikel van Michelle Verheij elders in dit blad) zou een uitkomst kunnen zijn. Zelfs als dit politiek allemaal geregeld wordt, is het maar de vraag of het maatschappelijk geaccepteerd wordt. Als ik soms zeg dat ik graag fulltime werk, wordt mij wel eens gevraagd waarom ik dan kinderen heb ‘genomen’. Alsof die kinderen er zijn om mijn dag te vullen. Ik val niet samen met het kind en het kind valt niet samen met mij. Ik denk daarom dat het van belang is het kind als ‘de ander’ te zien. Dat is zeker in het begin moeilijk voorstelbaar omdat er een sterke fysieke band is tussen moeder en kind. Toch is het gelijk duidelijk dat een eenmaal geboren kind zijn eigen leven leidt: het wordt ziek op een moment dat jij juist op visite wou gaan, het huilt ’s nachts als jij moe bent en het kiest op school net die vriendjes die jij als ouder toch minder geschikt vindt. Ouder zijn is het kunnen omgaan met die andersheid van het kind. Het accepteren van de andersheid van het kind geeft de ouder ook ruimte om zelf andere dingen te doen. Een kind kan best een aantal dagen per week met andere kindjes spelen terwijl de ouders werken. Daarom vind ik kinderopvang juist belangrijk, want daar leert het kind samenspelen met kinderen die het anders nooit ontmoet zou hebben. Kinderen leren daar dat ze niet altijd kunnen terugvallen op de eigen ouders, ouders wennen er aan dat ze niet alle problemen van hun kinderen op kunnen lossen. De andersheid van het kind vertaald zich ook in de andere vertrouwenspersonen (bijvoorbeeld crècheleidsters) waarmee ze in contact komen. Het leert ze kritisch te zijn ten aanzien van wat er elders gebeurt. Elke ouder wordt wel eens ‘terechtgewezen’ door zijn kind omdat het er op de crèche anders aan toe gaat. Kinderen leren dat er regels zijn waaraan ze zich moeten houden, maar ook dat die niet overal hetzelfde zijn. Dat vind ik ook voor de maatschappij belangrijk.”

Je stelt dat het kind onderwerp van politiek en maatschappelijk debat is geworden. Hoe ziet dat maatschappelijke en politieke debat er nu uit?
“Globaal gezegd onderscheid ik twee stromingen in de huidige discussies. Aan de ene kant is daar het debat over de probleemkinderen. Het ‘Maasmeisje’, het vermoorde meisje Géssica Gomes, staat symbool voor die kinderen. Politici zeggen ‘dat nooit weer’, dus alle beleid is er nu op gericht om dat te voorkomen. Aan de andere kant is er een sluimerend debat over het niet-probleemkind, zeg maar het normale kind. Dat debat wordt (overigens al heel lang) gelardeerd met wetenschappelijke inzichten die gebruikt worden alsof het absolute waarheden zijn. Dat gaat heel subtiel, bijvoorbeeld via consultatiebureaus en verloskundigen. Maar ook de opvoedexperts hebben verschillende opvattingen over wat een goede opvoeding is. Met de Rotterdamse Tien Vanzelfsprekendheden voor een goede opvoeding van kinderen en de Opvoedcanon in Den Haag worden vooral ouders bereikt die toch al geïnteresseerd zijn, terwijl ze bedoeld zijn voor probleemouders (wat dat ook moge zijn). Bovendien vind ik de vragen die aan de orde komen vaak suggestief. Ik doe ook niet alles volgens die richtlijnen. Maakt mij dat dan een slechte moeder? Politici en beleidsmakers moeten het ouderschap niet van de ouders willen overnemen. Ouders moeten kritisch durven zijn. Volgens mij zou minder aandacht en energie moeten worden gestoken in deze grote groep kinderen. Het beleid moet zich concentreren op de probleemkinderen, en dat op een niet-moraliserende manier.”

Er zijn op dit moment allerlei initiatieven die gericht zijn op het bieden van opvoedingsondersteuning aan ouders. Wat is jouw ervaring en hoe beoordeel jij die initiatieven?
“Ik wil al die initiatieven niet zonder meer afdoen als betutteling. Maar wanneer mij wordt gevraagd om de Rotterdamse Jeugdmonitor in te vullen, een formulier van twintig pagina’s over mijn specifieke gezinssituatie opgesteld door de Rotterdamse GGD, dan gaat mij dat veel te ver. Ik kom bij het consultatiebureau, die mensen die daar werken weten redelijk goed wat mijn gezinssituatie is. Met hen heb ik een vertrouwensband. Met hen kan ik ook in discussie gaan. Maar de Jeugdmonitor wil ik om principiële redenen niet invullen. Ik kan geen discussie aangaan met de mensen die de informatie verwerken. Daarbij gaat het me niet eens om mijn privacy, het professionele vraagstuk vind ik belangrijker. Ze hopen natuurlijk via het formulier de probleemgezinnen te kunnen traceren. Ze willen ook een beeld kunnen vormen van wat ‘normaal’ is bij gezinnen. Het is ook maar de vraag hoe eerlijk het formulier ingevuld wordt, bijvoorbeeld wanneer er gevraagd wordt naar geweldsituaties. En waarom wil de GGD weten welk merk tandpasta mijn kinderen gebruiken? Bovendien is het absurd dat ik me ‘verdacht’ voel als ik de informatie niet geef.”

Je vindt veel aanbevelingen die gedaan worden hinderlijk. Ze tasten je autonomie als ouder aan. Maar tegelijkertijd geef je aan dat er wel probleemgevallen zijn en dat de zorg zich daarop zou moeten richten. Hoe zou dat dan moeten?
“Een eerste weg is de juridische weg. We zagen dat recent gebeuren bij Laura, de 13-jarige solozeilster. Laura is geen probleemkind, maar de vraag was wel of haar ouders voor het kind de goede beslissing namen. We hebben in een Nederland een rechtssysteem dat het mogelijk maakt om kinderen te beschermen. Als de kinderbescherming dan vindt dat de ouders zich onverantwoord gedragen, dan kunnen de ouders voor de rechter gedaagd worden. Daarnaast liet de zaak Laura ook zien hoe divers er over opvoeding wordt gedacht. Iedereen had wel zijn andere, maar desalniettemin ‘gerechtvaardige’ mening. Een andere zaak is natuurlijk de preventie. Het opsporen van (potentiële) probleemkinderen is een kwestie van tijd en energie. Je hebt geen in databases opgeslagen informatie nodig, maar mensen die weten wat er speelt in de buurt. Mooie initiatieven vind ik de IMC-weekendschool die uitdagend onderwijs biedt aan kinderen in achterstandsbuurten, of ‘Kijk op Zuid’ waarin Rotterdamse jongeren met een camera de straat op worden gestuurd. En zo zijn er natuurlijk meer projecten. Opvoeden is moeilijk, daarom moet je ouders en kinderen erbij betrekken. Een opvoedcanon werkt niet. Dat sluit ook niet aan bij de realiteit van heel veel mensen. Een opvoedcanon en trouwens ook andere algemene richtlijnen gaan ervan uit dat opvoeden in algemene waarheden te vatten is. De kwestie Laura heeft in de praktijk laten zien hoe die meningen van opvoedings- en andere deskundigen verdeeld zijn. Daarnaast veronderstellen deze regels dat opvoeden een kwestie is van het verwerken van informatie. De overheid zegt A en ouder en kind doen B. Om te beginnen is opvoeden veel meer dan het verwerken van informatie. Ervaring kan een rol spelen en net als bij veel andere zaken geldt ook hier dat sommige mensen er meer en andere er minder aanleg voor hebben. Dat betekent overigens helemaal niet dat je niets kunt doen. Natuurlijk kunnen we kinderen opvoeden en ik denk ook dat het van belang is dat we aan onze kinderen duidelijk maken dat er grenzen zijn, maar het realiseren daarvan vraagt om betrokkenheid en om kennis van de situatie. Ook hier speelt weer de andersheid van ouders en kind. Als je wil dat mensen naar je luisteren, dan moet je ze in eerste instantie laten merken dat je in ze geïnteresseerd bent. Een opvoedcanon of een vragenlijst zijn geen voorbeelden van interesse in mensen. Ze zeggen wat je moet doen los van wie je bent.”

In je boek beschrijf je ook dat, hoewel het idee van de maakbare samenleving is losgelaten, de ideeën over maakbaarheid zijn overgeheveld naar het kind. Dat doet mij denken aan de discussies die zijn gevoerd over goed burgerschap. Welke parallellen zie jij?
“Het lijkt alsof men het kind als laatste noodgreep gebruikt. Goed burgerschap bevorderen lukt maar nauwelijks, dus dan moet het maar via de kinderen. Er wordt niet voldoende gekeken naar wie het kind is en wat het kan. De onderliggende boodschap is ‘doe wat we van je vragen, dan doe je het goed’. Maar volgens mij gaat het erom kinderen kritisch bewust te laten worden van wat ze zelf goed kunnen. De politiek en de beleidsmakers mogen best plannen maken, maar of die plannen gaan werken als je mensen alleen maar regels oplegt, valt te betwijfelen. De ideale samenleving kunnen we niet maken, het ideale kind evenmin.”

Van Liesbeth Noordegraaf-Eelens verscheen eerder Hoe denkt een miljonair? Rijk worden in Nederland (2002), De overspelige bankier - Van homo economicus tot übermensch (2004) en Op naar de volgende crisis! (2009, samen met Olav Velthuis). Kinderen koop je in de hemel. Over zwangerschap, geboorte, kind-zijn en ouder worden verscheen bij uitgeverij Klement/Pelckmans (2009).

Meer informatie:
-
http://www.opvoedingscanon.nl/index.php.
- De stelling van Jos Lamé: het elektronisch kinddossier is stalinistisch en megalomaan (NRC, 09-02-2008).

Gerelateerde artikelen