16 minuten

Politiek van de angst

Niet hoop maar vrees bindt mensen

Het pessimisme over de toekomst is groot. Politicoloog Frank Furedi duidt dit als het conservatisme van de angst. Deze angst - voor terrorisme, broeikaseffect, immigranten, etc. - wordt gepolitiseerd door rechts én links.

Het ontbreken van politieke doelen en de onzekerheid over de toekomst vormen een voedingsbodem voor een klimaat dat ik het ‘conservatisme van de angst’ noem. In het openbare leven zien we dit terug in de politiek van de angst. Sinds een aantal jaren is het heel gewoon geworden dat politici hun opponenten betichten van het bedrijven van dergelijke politiek.

De term ‘politiek van de angst’ impliceert dat politici bewust de angsten van mensen manipuleren voor hun eigen doeleinden. Waarschijnlijk zien deze politici angst inderdaad als een belangrijk middel om hun boodschap onder de aandacht te krijgen. Bangmakerij kan nuttig zijn om de tegenstander te ondermijnen en electorale instemming te verwerven. Maar zoals we zullen zien, gaat het bij de politiek van de angst niet alleen om manipulatie van de publieke opinie, we hebben tevens te maken met een zelfstandig functionerend fenomeen. Dat neemt niet weg dat politieke elites, publieke figuren, delen van de media en activisten zich zeker schuldig maken aan het gebruik van angst voor hun eigen doeleinden.

In commentaren wordt de politiek van de angst vaak behandeld als een geïsoleerde trend. Men ziet over het hoofd dat het fenomeen voortkomt uit het heersende klimaat van politieke matheid. Een fatalistische atmosfeer gaat samen met angst voor de toekomst, waardoor het grote publiek niet meer weet hoe het met onzekerheden moet omgaan. Het idee bestaat ook dat de politiek van de angst pas één van de belangrijkste kenmerken van het openbare leven is geworden sinds 11 september 2001. De meeste opiniemakers associëren het met de aard van de regering Bush, en velen geloven dat zijn herverkiezing voortkwam uit de impact van een dergelijke politiek op het Amerikaanse electoraat. De belangrijkste aanklacht tegen Bush is dat angst zijn favoriete wapen is geworden, en dat na 11 september de angst voor terrorisme systematisch is gemanipuleerd om het gezag van zijn regering te versterken. De inperkingen van burgerrechten die na 11 september zijn ingevoerd, zoals de Patriot Act, worden gezien als symptomen van het streven naar dominantie met behulp van angst. De Amerikaanse hoogleraar filosofie Todd May schreef: “Sinds 11 september vormt de politiek van de angst het kruispunt waarop de elites uit de politiek en het bedrijfsleven, die dit land besturen, elkaar ontmoeten,” en: “Het is een belangrijke steunpilaar voor de regering Bush”.

Kerncentrale

In Groot-Brittannië is Tony Blair vaak het doelwit van dergelijke beschuldigingen, bijvoorbeeld toen zijn regering in november 2004 een reeks wetsvoorstellen indiende die gericht waren op law and order. De toenmalige minister van Binnenlandse zaken David Blunkett verdedigde de voorstellen door te stellen dat het “hier niet om de politiek van de angst gaat, maar om verstandige maatregelen die de mensen bescherming bieden”. Hoewel veel aanhangers van Blairs New Labour tegenstanders zijn van de politiek van de angst, vinden ze dat deze wetten wel degelijk moeten worden ingevoerd, omdat anders een andere regering dit zou doen. Het commentaar van een invloedrijke aanhanger van de regering op de voorstellen van Blunkett: “Als Labour de politiek van de angst niet aan anderen oplegt, dan zullen anderen het de partij opleggen.”

Het is niet echt controversieel om te stellen dat de angst voor terrorisme krachtige uitingsvormen kan krijgen, maar het is wel van belang om te bedenken dat de politisering van deze angst geen nieuw verschijnsel is. Ook voor 11 september 2001 konden regeringen de verleiding niet weerstaan om gebruik te maken van de angst voor terreur. Speculaties over ‘catastrofaal terrorisme’ en ‘massavernietigingswapens’ waren wijdverbreid in de jaren negentig. Het was president Bill Clinton die in mei 1998 een landelijke coördinator benoemde voor veiligheid, bescherming van de infrastructuur en de strijd tegen het terrorisme. Doel was om “al onze middelen snel en op volle kracht in te kunnen zetten”. In november 1998 beweerde een groep deskundigen op het gebied van buitenlands beleid: “Het gevaar dat massavernietigingswapens tegen Amerika en haar bondgenoten zullen worden gebruikt, is nu groter dan op enig moment sinds de Cubaanse raketcrisis van 1962.”

Sinds 11 september proberen politici, het bedrijfsleven, activisten en belangengroepen de alomtegenwoordige angst voor terreur te manipuleren om hun eigen zaak te bevorderen. Ze lijken er allemaal vanuit te gaan dat er beter naar hen zal worden geluisterd als ze hun argumenten door het prisma van de veiligheid tonen. Bedrijven exploiteren systematisch de bezorgdheid over de binnenlandse veiligheid om op die manier overheidssubsidies binnen te halen. Maar paradoxaal genoeg bedienen critici van grote bedrijven zich van een soortgelijke strategie. Zo zijn er veel milieuactivisten die hun traditionele, paniek zaaiende campagnes verbinden met de angst voor terreur die bij het grote publiek leeft. De prominente Amerikaanse consumentenactivist Ralph Nader waarschuwde dat als een vliegtuig op een kerncentrale terechtkomt, de vrijgekomen radioactiviteit een “gebied ter grootte van de staat Pennsylvania” zou kunnen besmetten.

John Kerry

Tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen van 2004 was angst als stijlmiddel voor John Kerry net zo belangrijk als voor zijn opponent Bush. In een vooruitziende analyse in de Washington Post stond: “Kerry en zijn aanhangers gaan dezelfde strategie als Bush gebruiken, waarbij wordt ingespeeld op de angst van het grote publiek voor haar veiligheid. Soms gebruiken ze daarbij licht ontvlambare argumenten zodat het vuur nog wat hoger oplaait.” Sterker nog, door Bush te transformeren tot een figuur waar je bang voor moet zijn, bewijzen de Democraten dat ze meesters zijn geworden in het cultiveren van de politiek van de angst.

Veel critici van de politiek van de angst hanteren een dubbele moraal bij het aanwijzen van politici die angst als politiek wapen gebruiken. Het lijkt erop dat men Bush daarbij anders beoordeelde dan Kerry. Als critici van Bush hun toevlucht nemen tot griezelverhalen, beschouwen ze dat als bewustmaking van het publiek, en niet als het oproepen van angst. Toch gebruiken veel radicale activisten de retoriek van het terrorisme even willekeurig als Bush. Zo schrijven ze over de terreur die wordt ervaren door arme Amerikanen die geen toegang hebben tot de gezondheidszorg, of over de terreur van een racistisch beleid tegenover minderheden. Volgens één criticus omvat terrorisme “alles wat omschreven kan worden als ‘het terrorisme van het dagelijkse leven’. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het lijden van miljoenen volwassenen en kinderen die niet beschikken over voldoende voedsel, gezondheidszorg, banen, pensioenen en fatsoenlijke huisvesting” (Giroux, 2003). In hun pogingen om de alomtegenwoordige retoriek van de oorlog tegen het terrorisme te ondermijnen, verschuiven critici het brandpunt van het probleem waardoor ze deze retoriek juist geloofwaardigheid verlenen.

Kwetsbaarheid

Angst is het gangbare betaalmiddel geworden in het openbare debat. In feite is de stijl van de angst nu zo wijd verbreid, dat hij is doorgedrongen in het privéleven van mensen. In vroeger tijden waarin de politiek van de angst de mensen in een ijzeren greep hield – in Latijns-Amerikaanse dictaturen, het fascistische Italië en de Sovjet-Unie van Stalin – werd angst zelden gezien als iets wat op zichzelf stond. In plaats daarvan waren de mensen bang dat wat hun vrienden of buren was overkomen, ook met henzelf kon gebeuren. Ze hielden zich niet bezig met angst als een probleem in de abstracte zin. Tegenwoordig worden publieke angsten zelden geuit als reactie op een concrete gebeurtenis, maar heeft de politiek van de angst eerder betrekking op de manier waarop men het leven in het algemeen ervaart. De zin “Ik ben bang” heeft zelden betrekking op iets concreets, maar drukt eerder een diffuus gevoel van machteloosheid uit.

De politiek heeft zich de cultuur van de angst volledig eigen gemaakt. Daarom gaan politieke meningsverschillen vaak over de vraag welke risico’s de mensen het meest zouden moeten vrezen. De Europese politiek wordt momenteel gedomineerd door debatten over angst voor terrorisme, angst voor asielzoekers, angst voor asociaal gedrag, angst over onze kinderen, angst over ons voedsel, angst over onze gezondheid, angst over het milieu, angst over onze pensioenen en angst over de toekomst van Europa. De politiek van de angst lijkt op die manier zelfs fundamentele meningsverschillen te ontstijgen.

Maar deze politiek van de angst zou nooit zo kunnen bloeien als zij niet zo veel weerklank vond in het huidige culturele klimaat. Politici kunnen geen angsten uit het niets creëren. Ook hebben ze niet het monopolie over het oproepen van angst: paniek over gezondheid of veiligheid kan net zo goed beginnen op internet of bij een pressiegroep, als bij de moderne spin doctors die hun regeringen van advies dienen. Paradoxaal genoeg besteden regeringen net zo veel tijd aan de beheersing van spontaan ontstane griezelverhalen als aan hun eigen angstcampagnes.

De reden dat de politiek van de angst zoveel weerklank vindt, ligt in het feit dat de individuele mens is omgevormd tot een kwetsbare burger. In een tijd waarin het dogma 'Er is geen alternatief' (voor een bepaalde ideologie, denkwijze of regering) ten onrechte als hoogste wijsheid geldt, hebben we geen almachtige staat meer nodig om ons te realiseren hoe machteloos we zijn. Het verminderde vermogen tot handelen, brengt mensen ertoe om alle gebeurtenissen te ervaren en te interpreteren door het filter van de angst. En als kwetsbaarheid inderdaad de belangrijkste eigenschap van de mens is, dan hebben we natuurlijk het recht om overal bang voor te zijn.

Progressief

Hoewel de politiek van de angst een algehele culturele atmosfeer weerspiegelt, heeft zij tevens een ontstaansgeschiedenis die van manipulaties aan elkaar hangt. Angst werd altijd al bewust gepolitiseerd. In de loop van de geschiedenis hebben heersende elites vaak angst als politiek wapen gebruikt. Het advies van Machiavelli aan de heersers dat zij “veiliger zijn als zij worden gevreesd dan als zij worden bemind”, is door generaties van autoritaire regimes opgevolgd. Angst kan worden gebruikt voor dwang, terreur of handhaving van de openbare orde. Ook kan het een bron van consensus en eenheid zijn, als het wordt gebruikt om een grootschalige reactie uit te lokken op een vermeende dreiging. Tegenwoordig beoogt de politiek van de angst een dergelijke consensus te creëren en eenheid te scheppen rond een elite die voor het overige vanuit een isolement functioneert. Maar met welke bedoelingen de politiek van de angst ook wordt ingezet, het voornaamste effect is de nadruk op de gedachte dat er geen alternatief is.

Tegenwoordig hoeven de heersende elites angsten niet meer kunstmatig op te wekken. De politiek is lamgeslagen, en de maatschappij is van zichzelf al bang genoeg. De vraag waarmee figuren uit het openbare leven worden geconfronteerd, is of ze angst moeten minimaliseren of politiseren. Dit was ook de vraag die werd gesteld door Philip Gould, een voormalig campagneadviseur van Tony Blairs New Labour. In een stuk met de titel Fighting the Fear Factor, dat werd gepubliceerd in februari 1994, observeerde Gould het volgende: “Het hedendaagse electoraat is bang en onzeker. De angst dat het leven slechter wordt is groter dan de hoop dat het beter zal gaan. Deze atmosfeer is door rechts gebruikt om een tactiek van angst te hanteren, waardoor zij de politiek in de jaren tachtig en vroege jaren negentig hebben kunnen domineren. Om zich te verdedigen tegen aanvallen die hun wortels in allerlei angsten hadden, moesten progressieve partijen meteen met antwoorden komen.”

Gould zei niet expliciet wat hij vond van de politiek van de angst, maar de logische consequentie van zijn argumentatie was dat de Labourpartij eveneens haar ‘eigen angstfactor’ moest creëren, als de partij herkozen wilde worden.

Wreedheid

Samenlevingen die in staat zijn een positief beeld van de toekomst te projecteren, kennen niet de behoefte om angst als betaalmiddel in het openbare leven te gebruiken. En politici die proberen het electoraat warm te krijgen voor een positief programma, vermijden doorgaans de politiek van de angst. De inaugurele rede van president Roosevelt in 1933 straalde een gevoel van optimisme uit. Hij verklaarde: “Het enige wat wij te vrezen hebben, is de angst zelf”, en dat was kenmerkend voor zijn positieve houding tegenover de toekomst die uiteindelijk zou resulteren in de New Deal-politiek.

In onze tijd heeft de opinie terrein gewonnen dat angst een positieve rol kan spelen bij het creëren van een morele consensus in de samenleving. In haar huidige verschijningsvorm wordt de politiek van de angst het meest coherent geduid door de politicologe Judith Shklar. Shklar pleitte voor wat zij het ‘liberalisme van de angst’ noemt, omdat angst de mensen kan verenigen in de strijd tegen wreedheid en onrecht, in dit tijdperk van terrorisme. “Omdat de angst voor systematische wreedheden zo universeel is, hebben morele eisen die gebaseerd zijn op het verbod ervan een directe aantrekkingskracht en worden ze zonder veel discussie legitiem bevonden”, schrijft ze. Haar positie is kenmerkend voor het geloof dat men in deze tijd de mensen niet meer kan motiveren met een positief verhaal over de toekomst, maar wel met de angst voor het kwaad. Vanuit dit perspectief bekeken, vormt de angst voor wreedheden de basis van het liberalisme. Shklar: “Weliswaar biedt dit geen summum bonum waarnaar alle politieke betrokkenen zouden moeten streven, maar het begint zeker met een summum malum, dat wij allemaal herkennen en zouden vermijden als dat mogelijk was: het komt erop neer dat het kwaad bestaat uit wreedheden en de angsten die ze oproepen, en ook uit de angst voor de angst zelf.”

Het voorkomen van terreur en wreedheden wordt gepresenteerd als basis voor een publieke moraal die alle verdeeldheid opheft en zich kan verheugen in een brede steun. Er zijn veel vraagstukken die onze samenleving verdelen, maar onze afkeer van terreur, wreedheden, en genocide lijkt een basis te vormen voor een gemeenschappelijk doel.

De bijdrage van Shklar aan de discussie is een logische poging om het probleem te omzeilen dat er geen morele vormen van politiek meer zouden bestaan. Er moet een consensus worden gecreëerd waarbij we een front maken tegen alles waar we bang voor zijn. De westerse wereld heeft dit paradigma van harte omhelsd. In de afgelopen kwart eeuw zijn genocide, wreedheden en terreur diep doorgedrongen in het westerse bewustzijn. Wat men in vroeger tijden ‘politiek geweld’, ‘wreedheid’ en ‘terreur’ zou hebben genoemd, wordt nu automatisch vertaald met een nieuw sensatiezoekend vocabulaire als ‘genocide’, ‘etnische zuiveringen’, ‘holocaust’ of ‘misdaden tegen de menselijkheid’. Het lijkt erop dat het westerse bewustzijn steeds weer opnieuw vertrouwd moet raken met grenzenloze verschrikkingen om zich de eigen morele doelen te kunnen herinneren. Zoals Corey Robin opmerkte, betekent de strijd tegen etnische zuiveringen en andere verschrikkingen die ‘daar’ plaatsvinden, een buitenkans voor zowel een ‘progressieve’ als een ‘conservatieve’ opleving.

Utopia

De opvatting dat solidariteit in de samenleving veel makkelijker kan worden bereikt door middel van een reactie op het kwade dan door het streven naar het goede, heeft grote aantrekkingskracht op politici, opinieleiders en academici. Veel sociale wetenschappers zijn niet zozeer bezorgd over de destructieve gevolgen van de angsten die de mensen teisteren, maar vinden juist dat deze gevoelens kunnen worden gebruikt om sociale cohesie te creëren. De Duitse socioloog Ulrich Beck is van mening dat de dreiging van het wereldwijde terrorisme een dergelijk potentieel heeft. Zijn opvatting: “In een tijd waarin het geloof in God, klasse, natie en vooruitgang grotendeels is verdwenen, is aangetoond dat de gemeenschappelijke menselijke angsten de laatste – ambivalente – middelen vormen om nieuwe banden te smeden.” De transformatie van “gemeenschappelijke menselijke angsten” tot een positieve factor wordt ondersteund door de pessimistische prognose dat het vertrouwen in vooruitgang en verlichting onherroepelijk verloren is gegaan. Helaas heeft de poging om angst in iets positiefs te veranderen ook tot gevolg dat angst wordt genormaliseerd.
In Groot-Brittannië is de socioloog Anthony Giddens een groot aanhanger van de benadering van Beck. Giddens probeert bewust om de angsten van mensen te presenteren als een bron van morele vernieuwing. Hij is buitengewoon optimistisch over dit project en beweert: “Dit is waarschijnlijk de eerste keer in de geschiedenis dat we kunnen spreken van de opkomst van universele waarden.” Waarom? Omdat deze waarden voortkomen uit de “heuristiek van de angst” waarbij we de “bedreigingen” tegemoet treden die de mensheid voor zichzelf geschapen heeft. Voortbouwend op Shklar, komt hij met een “negatief Utopia” waarin de mensen zich verenigen tegen alle “slechteriken”. De neiging om angst als een negatieve morele basis te zien voor de vernieuwing van de samenleving, wordt onderstreept door de veronderstelling dat een positieve kijk op de toekomst niet langer het brandpunt kan zijn voor de vorming van een sociale consensus.

In de VS denken sommige intellectuelen in de Democratische partij dat links zich moet gaan bezighouden met de politiek van de angst, als men tenminste vooruitgang wil boeken. Michael Walzer, politicoloog en redacteur van het tijdschrift Dissent, vindt dat “angst het uitgangspunt moet zijn, ook al is het een gevoel dat het effectiefst wordt geëxploiteerd door rechts.” Walzer stelt dat de bescherming van mensen tegen de dood een “legitieme en noodzakelijke taak” is, en hij komt met een versie van de politiek van de angst die ‘progressiever’ is dan die van Bush. “De regering Bush buit onze angsten uit, maar is niet geïnteresseerd in collectieve inspanningen om deze angsten te weerstaan, dat wil zeggen: bescherming bieden en noodzakelijke vormen van solidariteit stimuleren,” schrijft hij. Walzer gelooft dat links de toekomst kan ingaan met een synthese tussen de politiek van de angst en een verlichte sociale agenda.

Pedofiel

In een belangrijk (en hierboven al aangehaalde) studie met als titel Fear: The History of a Political Idea, vestigt Corey Robin terecht de aandacht op een situatie waarin “angst vaak wordt gebruikt als een werkplaats waar intellectuelen aan hun argumenten kunnen werken.” Hij voegt eraan toe: “Op de momenten waarop men twijfelt aan het vermogen van positieve principes om een moreel kader te scheppen, of om te fungeren als inspiratiebron voor openbare actie, is angst een ideale bron van politieke inzichten en energie.” Robin maakt zich zorgen dat een aanzienlijke groep Amerikaanse intellectuelen argumenten gebruikt die worden gelegitimeerd doordat het grote publiek ontvankelijk wordt voor bepaalde angsten. Terecht stelt hij: “We moeten af van de opvatting dat angst het fundament van de politiek kan zijn.”

De term ‘politiek van de angst’ dekt in één opzicht de lading niet: hoewel hij wordt omhelsd door politieke partijen en belangengroepen, vertegenwoordigt hij tevens een afwijzing van de politiek. In tegenstelling tot de politiek van de angst zoals die wordt uitgeoefend door autoritaire regimes en dictators, is er geen sprake van een concreet doel, behalve dat er beweringen worden gedaan in een taal die een brede weerklank vindt in onze cultuur. Wellicht is niet zozeer de cultivering van angst kenmerkend voor onze tijd, maar eerder de cultivering van ons gevoel van kwetsbaarheid. De politiek van de angst kent geen duidelijk doel, maar de cumulatieve impact ervan is dat het gevoel van kwetsbaarheid in de samenleving erdoor versterkt wordt. En hoe machtelozer wij ons voeler, des te moeilijker kunnen wij de lokroepen van de sirenes van de angst weerstaan.

Om tegenwicht te kunnen bieden aan de politiek van de angst, moeten we de typering van de individuele mens als inherent kwetsbaar ter discussie stellen. Angsten die voortkomen uit onzekerheid worden uitvergroot, en zullen ons overweldigen, als wij onszelf als fundamenteel kwetsbaar blijven beschouwen. Maar de menselijke verbeelding beschikt over een enorm vermogen om risico’s te accepteren en er lering uit te trekken. In de loop van de geschiedenis heeft het mensdom altijd geleerd van tegenspoed, en manieren ontwikkeld om risico’s te identificeren, te beoordelen en te verminderen. Er is altijd een alternatief, en of we ons bewust zijn van de keuzes die we hebben, hangt af van de vraag of wij onszelf willen definiëren aan de hand van onze kwetsbaarheid, of van onze veerkracht.

Vertaling: Michiel Nijenhuis
Bovenstaande is een ingekorte versie van een hoofdstuk uit Frank Furedi’s boek Politics of Fear, Beyond left and right, Continuum, 2005.
In 2006 verscheen de Nederlandse vertaling van Frank Furedi: Waar zijn de intellectuelen?, Meulenhoff, € 18,95 (oorspr. 2004).

Literatuur:

- U. Beck, ‘The Cosmopolitan Society and its Enemies’, in Theory, Culture & Society, vol 19 (1-2), 2002.
- A. Giddens, Beyond Left and Right: The Future of Radical Politics, Stanford University Press, 1994.
- H.A. Giroux, The Abandoned Generation: Democracy Beyond the Culture of Fear, Palgrave Macmillan, 2003.
- Todd May, ‘Religion, the Election and the Politics of Fear’, countercurrents.org , 19 november 2004.
- C. Robin, Fear: The History of a Political Idea, Oxford University Press, 2004.
- Michael Walzer, “All God’s Children Got Values”, Dissent Magazine, voorjaar 2005.
- J.N. Shklar, ‘The Liberalism of Fear’, in N. Rosenblum, Liberalism and the Moral Life, M.A. Harvard University Press, 1989.

Gerelateerde artikelen