11 minuten

Reactie: Godsdienst is niet individueel

Halsema blijft godsdienst beschouwen als een probleem en op geen enkele manier als oplossing. Terwijl linkse mensen, ook als ze zelf niet gelovig zijn, religie niet allereerst zouden moeten zien als achterhaald of bedreigend, maar als belangrijke en potentieel waardevolle bron van engagement en sociaal gedrag.

Op de website van het tijdschrift Binnenlands Bestuur regeerde columnist Paul Lensink op de speech van Femke Halsema van zaterdag 9 oktober met de stelling dat deze de wereldvreemdheid van GroenLinks goed illustreerde. Hij citeerde Halsema:

Uiteindelijk ligt mijn solidariteit als progressieve politicus niet bij geloof of ongeloof. Het ligt bij het dertienjarige meisje bij mij om de hoek. Welke keuzes zij ook gaat maken in haar leven - of zij een overtuigde en misschien gesluierde moslima wordt, of zij besluit van haar geloof af te vallen of een andere, middenweg zoekt -, het maakt niet uit. Zolang zij die keuzes maar in vrijheid maakt.

Hij meende dat Halsema de denkfout maakte dat mensen in vrijheid voor een godsdienst zouden kiezen. Dat dit niet het geval is, komt aan het licht in het feit de meeste mensen in de godsdienstige gemeenschap blijven waarin zij zijn opgevoed. “Het aantal personen dat voor een bepaalde godsdienst kíést, of besluit van de ene godsdienstige richting over te stappen op de andere, is op de vingers van een paar handen te tellen.”

Nu laten zich nogal wat denkfouten aanwijzen in het betoog van Lensink. Zo denkt hij blijkbaar dat wat in Nederland geldt, overal het geval is. In de Verenigde Staten is 44 procent van de mensen niet meer lid van het religieuze genootschap waarin hij opgegroeide, terwijl maar zestien procent zich niet-gelovig noemt en ongeveer de helft daarvan het ook in hun jeugd al niet was. In Afrika is het heel gewoon dat van dezelfde familie de een moslim is, een tweede rooms-katholiek en een derde lid van een onafhankelijke Afrikaanse kerk. Verder is niet de enige betekenisvolle religieuze verandering dat iemand aanhanger wordt van een andere religie. Mensen worden vaak in de loop van hun leven heel andere moslims of boeddhisten dan in hun jeugd en de opvattingen van religies als geheel veranderen door de tijd heen ook flink. Ten slotte bewijst vrijheid zich niet pas als mensen voorgegeven banden verlaten. De meeste Nederlanders trouwen binnen de sociale groep waarin zij opgroeiden, maar dat betekent helemaal niet dat de keuze voor een huwelijkspartner in Nederland niet vrij zou zijn.

Lensink staat dus niet sterk als hij beweert dat religie en vrijheid met elkaar op gespannen voet staan. Wel laat hij zien dat religie en een bepaalde idee van vrijheid zich moeilijk laten verenigen. Religie is inderdaad niet zomaar een vrije keuze van een onafhankelijk, mondig individu uit voor haar of hem staande mogelijkheden. Gelovigen zullen hun religieuze engagement ook niet zo ervaren. Die zullen het bijvoorbeeld vergelijken met de liefde: je wordt aangesproken en bemind, en je kunt naar je eigen besef niet anders dan daarop met wederliefde te antwoorden en je over te geven. “Niet jullie hebben mij uitgekozen; nee, ik heb jullie uitgekozen”, zegt Jezus volgens het Johannesevangelie (15: 16). Anderen zullen zeggen dat de religie van hun voorouders hun geborgenheid geeft en het besef in het vaak moeilijke bestaan met zijn keuzes niet alles zelf te moeten dragen, maar gedragen te worden. Mijn grootouders kregen in de crisis van de jaren dertig in het socialistische Amsterdam geen steun, omdat de ambtenaar vond dat zolang zij geld over hadden voor het lichtje dat voor het Heilig Hartbeeld brandde, zij deze steun kennelijk niet nodig hadden. In abstracte en absolute zin ‘kozen’ zij niet voor dat beeld in hun kamer: dat stond in die tijd bij vrijwel alle katholieken. Maar in een wereld waarin een ambtenaar je zo maar de steun kon weigeren, symboliseerde Jezus’ liefdevolle hart voor hen dat zij in hun nood door die Iemand liefdevol gezien werden, wat hen ook overkwam.

Slaven

Het is daarom uitermate moeilijk zo categorisch als Femke Halsema in haar speech van negen oktober deed, te zeggen dat de vrijheid van godsdienst een individueel recht is. Als het dat al is, dan is het ook het recht zich over te geven, om geen krachtig en mondig, maar een eerbiedig, voor Gods heiligheid buigend en een zich aan Gods wil overgevend individu te zijn.

Dit vindt links moeilijk, zo is mijn ervaring – en die is niet van vandaag op gisteren: sinds ik halverwege de jaren zeventig politiek bewust werd, heb ik mij altijd aan de linkerkant van het politieke spectrum bewogen, maar mij tegelijkertijd als belijdend katholiek geprofileerd. Links vindt het religieuze opgeven van de vrijheid die zichzelf als autonomie verstaat, niet alleen moeilijk te begrijpen, maar ook moeilijk te accepteren. Linkse mensen denken bij ‘overgave’ niet aan de inzet voor mensen in moeilijkheden, voor je eigen besef geen keuze maar een opdracht die je niet kan en mag weigeren. Bij ‘eerbied’ denken zij niet aan degenen die zich het lot van stadgenoten blijven aantrekken die door de reguliere hulpverlening al lang zijn opgegeven, omdat ze nooit de mondige en zelfsturende burgers zullen worden die onze samenleving voor ogen staat. Linkse mensen denken onmiddellijk aan slaven die in naam van de bijbel wordt geleerd zich niet tegen hun slavernij te verzetten: “De slaven moeten zich schikken naar hun meesters, het hun naar de zin maken, hen niet tegenspreken” (Titus 2: 9). Ze denken aan de patroon die volgens de bekende anekdote tegen de pastoor zei: “Houd jij ze dom, dan houd ik ze arm”. Ze denken aan vrouwen die zich in naam van Allah laten onderdrukken. Indien zij zich al realiseren dat vrouwen zich eveneens met een beroep op Allah tegen hun onderdrukking verzetten en christenen zich op bijbelse gronden tegen de slavernij keerden en zich in navolging van ‘Christus den arbeider’ het lot van het proletariaat probeerden te verbeteren, dan beschouwen ze dat doorgaans als iets dat gelovigen van seculieren leerden. Anders gezegd, met gelovigen die op basis van hun bronnen tot dezelfde politieke conclusies komen als zij, wil links graag samenwerken. Maar dat wat Job Cohen in 2006 een ‘omgekeerde doorbraak’ noemde, blijft meestal uit.

De achtergrond is bekend. Na de oorlog zijn aanzienlijke groepen belijdende christenen de sociaal-democratie gaan zien als politieke stroming waarbinnen zij politieke idealen die door het christelijk geloof geïnspireerd waren, samen met niet-christenen op productieve wijze konden nastreven. In de jaren tachtig en negentig zijn aanzienlijke groepen belijdende moslims tot soortgelijk inzicht gekomen. Cohen meende in 2006 dat, als antwoord hierop, het tijd was voor een ‘omgekeerde doorbraak’ van de sociaal-democratie naar de religie. Dat geldt denk ik voor heel links. Ook als zij zelf niet gelovig zijn, zouden linkse mensen religie niet allereerst moeten zien als achterhaald of bedreigend, maar als belangrijke en potentieel waardevolle bron van engagement en sociaal gedrag. Dat gelovigen zich niet vrij voelen ‘zo maar’ van religieuze overtuiging te wisselen, is niet een gebrek aan vrijheid maar een vorm van taaie trouw ook als de omstandigheden moeilijk zijn. Het vertrouwen dat God ons te allen tijde draagt, betekent niet dat gelovigen zich niet inzetten om hun situatie te veranderen, maar dat zij weten dat zij ook in een situatie van onderdrukking ‘in Gods ogen’ al ten volle mens zijn. Daaraan ontlenen zij uithoudingsvermogen. Het geloof dat de religieuze normen gehoorzaamd moeten worden, geeft mensen innerlijke structuur temidden van een soms verder zeer chaotisch leven. Met name het inzicht dat religie mensen onder uiterst moeilijke omstandigheden op de been hielp en hield, gaf Cohen in te pleiten voor een omgekeerde doorbraak.

Een vergelijkbaar pleidooi neem ik in de rede van Femke Halsema niet waar. Zelfs het inzicht dat “religie voor gelovigen iets is als kunst: het geeft je ruggengraat en stevigheid temidden van de onzekerheden van het leven”, zoals ik het een partijgenote van haar eens hoorde formuleren, kom ik in haar tekst niet tegen. Godsdienst blijft in haar speech allereerst een probleem en verschijnt op geen enkele manier zelf als (bron van) oplossing(en).

Vrije keuze

Ik zie Halsema in haar speech van negen oktober vooral behoedzaam manoeuvreren met de paradoxen die de erkenning van de vrijheid van anderen meebrengt. Zij ziet in dat wie deze vrijheid werkelijk serieus wil nemen, ook moet accepteren dat mensen beslissingen nemen die zij niet begrijpt of waar ze zich tegen verzet. Zij behoudt zich echter nadrukkelijk het recht voor te blijven zeggen waarom hun keuze verkeerd is. En waar deze verkeerde beslissingen ook gevolgen hebben voor anderen, moeten die anderen in hun rechten worden beschermd. Het recht op vrijheid van godsdienst is een individueel recht en het recht van de homoseksuele leraar op een christelijke of een islamitische school aangenomen te worden, gaat boven de vrijheid van de school op levensbeschouwelijke gronden homoseksuelen als leerkracht te weren.

Nu juich ik principieel elke bijdrage aan het debat over heikele kwesties toe. Ook een niet-gelovige mag van mij beargumenteren waarom het weren van homoseksuelen als leraar in strijd is met het respect dat wij aan iedere mens verschuldigd zijn, of uitleggen dat kinderen belangrijke ervaringen en rolmodellen worden onthouden. Iedereen mag ook uitleggen waarom de vrijheid van onderwijs niet zonder meer onder de vrijheid van godsdienst valt, zeker niet als het onderwijs volledig door de overheid wordt gefinancierd. Maar het is vreemd dat Halsema hier het recht op kritiek nadrukkelijk opeist. Iemand die zich uitspreekt tegen elke censuur op de kunsten, behoud zich toch ook niet nadrukkelijk het recht voor op een eigen oordeel over individuele kunstwerken.

Halsema verklaarde in haar speech dat haar solidariteit ‘als progressieve politicus’ niet ligt bij geloof of ongeloof, maar bij het dertienjarige meisje bij haar om de hoek. “Welke keuzes zij ook gaat maken in haar leven…, het maakt niet uit zolang zij die keuzes maar in vrijheid maakt.” Dit is te respecteren, maar het is in mijn ogen geen visie op de vrijheid van godsdienst. Het grondrecht op godsdienstvrijheid gaat niet over de vraag hoe de éne persoon staat tegenover de geloofsovertuiging van de andere, niet over de vraag bij wie haar of zijn solidariteit ligt. Vrijheid van godsdienst als grondrecht beschouwen, betekent een standpunt innemen over de verhouding van religie tot de overheid. Vastgesteld wordt dat aanhangers van godsdiensten en levensovertuigingen recht hebben op hun visie, op het uitdragen van deze visie en het werven voor deze visie. De overheid ziet erop toe dat de verschillende godsdiensten en levensovertuigingen dit recht gelijkelijk kunnen uitoefenen, maar staat neutraal tegenover de uitgedragen visie, tenzij deze een gevaar vormt voor de veiligheid of de openbare orde. Hoewel vaak gedacht wordt dat het recht op de vrijheid van godsdienst een extra recht is voor gelovigen en tot een problematisch soort bevoordeling van religie leidt, heeft de vrijheid van godsdienst het mogelijk gemaakt dat het rechtmatig kon worden zich tot atheïst te verklaren. Ook deze overtuiging, die lange tijd zeer omstreden was, mag vrij worden uitgedragen en er mag propaganda voor worden gemaakt.

Zoals alle grondrechten is ook het recht op godsdienstvrijheid pas echt van belang bij omstreden religieuze visies. Zij mogen worden tegengesproken, maar hen mag niet het spreken onmogelijk worden gemaakt. De overheid moet dit laatste voorkomen. Anderzijds bepaalt het recht op godsdienstvrijheid dat overheden zich niet bemoeien met de inhoud van de religieuze overtuiging en de interne verhoudingen binnen religieuze genootschappen. Iedereen mag het een schande vinden dat de rooms-katholieke kerk geen vrouwen tot ambtsdragers wijdt en ieders solidariteit mag liggen bij mensen die tegen deze uitsluiting strijden, maar de overheid kan hierin niet optreden. Ook niet in naam van de vrijheid van de individuele gelovige voor zijn of haar vrije keuze. Niet omdat het recht van het individu niet belangrijk zou zijn, maar omdat dat recht niet zonder meer wordt vertegenwoordigd. Halsema denkt blijkbaar nog altijd dat de staat het neutrale instrument is dat slechts in goede handen hoeft te zijn om ten goede te werken. Dat bepaalde terreinen juist van overheidsinmenging moeten worden gevrijwaard om goed te kunnen functioneren, lijkt zij niet te zien. Laat staan dat religie een van deze sferen is.

Laat mij daarom kort uitleggen waarom dit het geval is. Behalve dat de bestaande, op chaos, destructie en dreigende onmenselijkheid veroverde orde verdedigd moet worden, moet zij ook bediscussieerd en bevraagd worden. Drukt onze samenleving wel uit wat wij willen uitdrukken? Kunnen we binnen de bestaande orde zijn wat we moeten zijn? Is het leven dat wij gezamenlijk vormgeven wel het goede leven? Religies en andere levensbeschouwingen hebben een visie op wat wij zouden moeten zijn, hoe wij als samenleving samen horen en wat goed leven is. Zij binden grote groepen mensen aan deze visies en maken deze visies tot levende, in het leven beproefde realiteiten. Dat zij mensen werkelijk binden is dus niet hun zwakte, maar hun kracht. Het feit dat zij vrij zijn visies te ventileren die haaks staan op de communis opinio maakt hen van waarde. Om religie en levensbeschouwing van waarde te laten zijn, moeten ze dus niet worden teruggesnoeid tot wat hier en nu als waarde wordt erkend. Zij rakelen niet zelden de discussie op waar wij dachten dat die afgesloten was, en dat is hun kracht.

Links zou toch moeten zien dat we plaatsen nodig hebben waar nieuwe ideeën worden geformuleerd over wat een goede samenleving is en hoe wij ervoor zorgen dat deze samenleving aan iedereen ten goede komt. Hoe komt het dan toch dat linkse mensen bij tegendraadse ideeën niet nieuwsgierig zoekt naar wat zij aan nieuwe mogelijkheden en vergezichten kunnen opleveren, maar onmiddellijk beginnen uit te leggen waar zij zelf wel en niet van zijn. Wat zij wel, maar vooral wat zij niet overnemen. Het liberalisme denkt vanouds dat vrijheid het antwoord is, links wist lange tijd intuïtief dat vrijheid de vraag was: waartoe zijn wij vrij, tot het opbouwen van welke wereld. Dit maakt links in beginsel een natuurlijke gesprekspartner van religies en hun inzet. Ik had graag een speech van Femke Halsema gehoord waarin duidelijk werd gemaakt wat dit hier en nu betekent. Of waarin er minstens blijk van werd gegeven dat dit gezien wordt.

Gerelateerde artikelen