7 minuten

Rechte ruggen, slappe knieën

Radicalisme in Nederland en Duitsland

Hoeveel radicalisme kan een land verdragen? In Duitsland zijn de marges tegenwoordig groter dan in Nederland. Dat was ooit anders.

“Wat voor samenleving willen we? Willen we een samenleving die zonder erbarmen met politieke vergissingen afrekent, ook al geven de betrokkenen hun misstappen toe? Of willen we een samenleving die over politieke vergissingen discussieert en de gevolgtrekkingen daaruit accepteert?”

Kijk, zo hoort een politiek leider te reageren wanneer een politieke vriend op zijn verleden wordt aangevallen. De woorden zijn van Gerhard Schröder (SPD), bondskanselier. Hij richtte ze aan Angela Merkel (CDU), oppositieleider. Hij sprak ze uit op 17 januari 2001 in de Duitse Bondsdag ter verdediging van minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer (Grünen). “U bent er niet op uit, een politieke vergissing te analyseren. U bent er op uit iemands politieke bestaan te vernietigen”, voegde hij eraan toe en liet er op zijn bekende, sarcastische toon op volgen: “Maar dat zal u niet lukken.”

Het is Merkel niet gelukt. In plaats van een afrekening met de rode jaren zeventig in de persoon van Joschka Fischer volgde een grondige verwerking ervan. Gedurende de eerste maanden van het jaar 2001 denderde het thema door de media. Aanleiding was de publicatie van foto's waarop te zien was hoe de jonge Fischer met een stok een politieagent te lijf ging. Oude foto's, al lang eerder gepubliceerd, opnieuw uit het archief opgedoken door Bettina Röhl, dochter van RAF-terroriste Ulrike Meinhof, en ingezet voor een groots offensief tegen de generatie van '68.

In die maanden kwamen talloze voormalige actievoerders aan het woord, deels daartoe opgeroepen, deels uit eigener beweging. Veel volksvertegenwoordigers van de Grünen, veel mensen op hoge posten op de departementen, veel mensen uit de wereld van de journalistiek, de wetenschap en de kunsten. In interviews en essays onderzochten ze hoe een opstandige generatie de weg door de instituties had afgelegd, welke leerprocessen ze had doorgemaakt, wat ze voor de Bondsrepubliek had betekend en welke lessen er uit de geschiedenis te trekken vielen.

Het was een helder, diepgravend en vruchtbaar debat. Natuurlijk, het debat had ook harde kanten. Er zaten persoonlijke afrekeningen bij, voortdurend lag de eis tot aftreden op tafel. En het was ook een sterk gepolitiseerd debat, waarbij aanhangers van de regering en aanhangers van de oppositie diametraal tegenover elkaar stonden. Maar het was vooral ook een moreel debat, over de rol van geweld in burgerlijk activisme en de mate van medeverantwoordelijkheid van sympathisanten. En het was een psychologisch debat, over waarachtigheid, betrouwbaarheid en standvastigheid, en over de geloofwaardigheid van de bekering van buitenparlementaire activisten tot de parlementaire democratie.

Wat het debat niet was, was een heksenjacht. Ontmaskeringen, beschuldigingen en denunciaties kwamen zelden voor. Schröder formuleerde het haarfijn: het ging om het 'politieke bestaan' van Fischer, niet om zijn persoonlijke integriteit. Ook het criminaliseren en demoniseren ontbrak in het debat. Dat er wetsovertredingen in het spel waren, was duidelijk. En dat de voormalige activisten de regels van de rechtsstaat inmiddels accepteerden, was een vanzelfsprekendheid. Niemand van hen stond onder de druk, een openbare gelofte op democratie en rechtsstaat af te leggen.

Precies die zaken domineren het Nederlandse debat over het activistische verleden van het nu voormalige Tweede-Kamerlid Wijnand Duyvendak. Dat debat heeft alles weg van een heksenjacht. Veel media leggen zich toe op ontmaskeringen en denunciaties. Aanvallen gelden vooral de persoonlijke integriteit van voormalige activisten. Zonder omhaal krijgen ze het etiket 'crimineel' opgeplakt. Het Nederlandse debat lijkt meer op Mao's culturele revolutie dan op de gewetensvolle verwerking van het activistische verleden zoals die in Duitsland heeft plaatsgevonden.

Hoe komt het toch dat in Nederland de posities zo scherp zijn afgetekend, de aanvallen zo duidelijk onder de gordel, de oordelen zo absoluut en de zelfkritieken zo radicaal? Hoe kan een politiek leider zo veel afstand nemen van een verdienstelijke partijgenoot, zo afwijzend staan tegenover een verleden waaruit haar partij organisch is voortgekomen, zo legalistisch redeneren wanneer het gaat om vormen van protest en verzet? Waarom krijgt een voormalige activist meteen slappe knieën zodra de grond onder zijn voeten een beetje warmer wordt, waarom doet hij nauwelijks een poging om zijn daden uit te leggen, in hun context te plaatsen en te rechtvaardigen, waarom houdt hij niet zoals Joschka Fischer zijn rug recht en zegt: ja, ik was het, en ja, ik sta ervoor, en ja, ik ben van opvattingen veranderd, en ja, het is en blijft een deel van mijn geschiedenis.

Er is iets grondig mis in de Nederlandse politieke cultuur. Vergeleken met de Duitse politieke cultuur is de Nederlandse arm aan visies, ideeën en principes, daarentegen rijk aan incidenten, populismen en wanen van de dag. In het debat over Duyvendaks activisme ontbreekt het besef dat ideeën evolueren, individuen en groepen leerprocessen doormaken, bewegingen zich historisch ontwikkelen. Zelfs het hele idee van geschiedenis lijkt verloren te zijn gegaan. Het is alsof de jaren tachtig nu zijn, Duyvendak op heterdaad is betrapt en alles wat hij sindsdien heeft gedaan, in het oordeel over hem niet meetelt. Ook in Duyvendaks eigen verdediging is de historische dimensie maar zwak aanwezig, behalve in zijn – nogal eerloze – verwijzing naar de verjaring van het delict.

Sinds de moord op Pim Fortuyn zit Nederland in het hier en nu gevangen. Als een verschrikte haas staart het verlamd in de koplampen van de aanstormende actualiteit. Dat was in de jaren zeventig wel anders. Toen behoorde Nederland internationaal gezien tot de voorhoede van het activisme, toen keken Duitsland en andere landen met verwondering en bewondering naar de explosie van civiel activisme in ons land, toen was Nederland zelfs overdreven trots op zijn rol als 'gidsland' en zag het in de betiteling 'Hollanditis', door de Amerikanen toegekend voor het massale verzet tegen de kernbewapening, een geuzennaaam.

Maar in de discussie over Duyvendak krijgt die historische rol van Nederland nauwelijks enige vermelding. Nederland is tegenwoordig geheel gefixeerd op de eigen navel, op de eigen kleine problemen met wet en fantsoen, met legaliteit en illegaliteit, met de vraag wie goed is en wie fout. Nederland is een land geworden waar onverdraagzaamheid de boventoon voert, waar men elkaar in de beklaagdenbank zet, ter verantwoording roept, beschuldigt, aanklaagt en verlinkt. Waarom eigenlijk? Hebben mensen geen recht op hun eigen geschiedenis, op hun eigen ervaringen, hun eigen zoektochten en dwaalwegen? Waarom, in hemelsnaam, heeft Nederland zo'n moeite om zijn eigen activistische verleden nuchter te analyseren en te verwerken?

'Mit Verlaub,' zou een Duitser zeggen, wil ik hier een eigen ervaring ter illustratie aanvoeren. Toen mijn boek Tien rode jaren: Links radicalisme in Nederland 1970-1980 verscheen, richtten de besprekingen in de grote kranten zich vooral op twee zaken: de toon van het boek en de persoon van de auteur. De recensenten meenden dat ik de beschreven radicale bewegingen vergoelijkte en dat ik bevooroordeeld want vroeger communist was. Beide beweringen zijn onjuist. Ze bewezen alleen maar de behoefte van de recensenten om de wereld in goed en fout in te delen, om mensen te beschuldigen en veroordelen en om zichzelf aan de goede kant van de streep te positioneren. Slechts in een kleine kring van betrokkenen en historici leidde het boek tot een serieuze discussie over Nederlands radicale verleden. Ook de partijleider van GroenLinks ging er serieus op in en benadrukte bij meerdere gelegenheden haar waardering voor de historische betekenis van de rode jaren zeventig.

Mijn boek ging vooral over de radicale uitwassen van het activisme maar liet ook de verworvenheden ervan zien. Die verworvenheden waren ondenkbaar zonder de inzet van mensen die de grenzen van de wet opzochten. Van Provo in de jaren zestig via de bezetters van de Bloemenhove-abortuskliniek in de jaren zeventig tot de anti-apartheidsbeweging in de jaren tachtig onderzochten kritische burgers hoe ze hun opvattingen het beste vorm konden geven en welke overschrijdingen van de wettelijke kaders daarbij gerechtvaardigd waren. Het huidige oordeel in Nederland luidt inmiddels: er zijn geen marges in de rechtstaat, elke overtreding is crimineel, voor burgerlijke ongehoorzaamheid is geen rechtvaardiging.

Duitsland blijkt ondertussen meer radicalisme te kunnen verdragen dan Nederland. In de jaren zeventig was Duitsland het schrikbeeld van Nederlandse activisten. Duitsland werd destijds afgeschilderd als het toonbeeld van een politiestaat in wording. Inmiddels zijn de rollen omgekeerd. In Duitsland is tegenwoordig meer burgerlijk activisme dan in Nederland en in het verlengde daarvan ook meer radicalisme. Daarbij worden wetten overtreden. Dat leidt echter niet tot hysterie. Een volwassen en zelfbewuste rechtstaat als de Duitse gaat met verstand en beleid met haar radicalen om. Altijd heeft de rechter het laatste woord. De rechter bepaalt wie crimineel is en wie niet, wat een terroristische organisatie is en wat niet. Dat is geen zaak, zoals nu in Nederland, van de publieke opinie of de politiek.

De publieke opinie en de politiek in Nederland zouden het niet moeten hebben over wie deugt en wie niet, maar over welke samenleving we willen. Willen we een samenleving waarin de waan van de dag beslist over goed en fout? Of willen we een samenleving die haar geschiedenis overdenkt en er lessen uit trekt? Joschka Fischer koos voor het laatste. In het gerust historisch te noemen bondsdagdebat van januari 2001 was de les die hij het Duitse parlement voorhield: “Het jaar 1968 en wat daarop volgde heeft in dit land tot meer vrijheid geleid en niet tot minder vrijheid.” Die les geldt ook voor Nederland. Waarom staan de Duyvendakken en de Halsema's van dit land daar niet pal voor?

Gerelateerde artikelen