10 minuten

Ruimte voor de stad

Stedelijke autonomie in een situatie van krimp

In een situatie van demografische krimp moeten steden meer autonomie hebben. Dat betoogde Maarten van Poelgeest begin oktober tijdens het Wibautcongres, dat in Amsterdam plaatsvond onder het motto: ‘Steden kunnen de wereld redden’.

Van de oude Marx hebben we geleerd dat de onderbouw de bovenbouw bepaalt. Voor wie na 1980 is geboren leg ik het uit: onze maatschappelijk, culturele en politieke orde wordt door de productieverhoudingen bepaald. Welnu, de Amerikaanse economisch geograaf Florida lijkt op een marxist. Zijn stelling dat met de opkomst van de creatieve economie de productieverhoudingen in de Westerse wereld wezenlijk zijn veranderd en daarmee onze samenleving en onze steden, zou namelijk als het bewijs voor een dergelijke stelling kunnen worden opgevat. Maar voordat ik, als rechtgeaarde stedeling, u wil vragen om samen met mij op de bank te gaan staan voor Richard Florida en Karl Marx, wil ik het met u hebben over een andere oerkracht. Ik wil het met u hebben over demografie. Over krimp en groei.

De wereldbevolking is hard op weg te groeien van zes naar maar liefst negen miljard mensen in 2050. Die mensen, op zoek naar werk, naar vooruitgang, trekken bovendien steeds meer samen in steden van een dikwijls historisch ongekend formaat. De Europese bevolking staat echter aan de vooravond van een even historische demografische krimp. Het is een wonderlijke situatie: terwijl Afrika, Azië en Zuid-Amerika harder groeien dan ooit en Noord-Amerika het ene surplus na het andere verwelkomt, is er het fort Europa waarvan het inwonertal stug daalt.

Demografische krimp zal gevolgen hebben voor onze economie. Japan laat het nu al zien. Dat land – nu nog de tweede economische macht in de wereld – krimpt al zeker een decennium. Ondertussen boet het in aan economische kracht. Sommigen wijten het slechte presteren van de Japanse economie aan verstarring van het politieke establishment, maar de basis is volgens mij gewoon vergrijzing. Een ander voorbeeld, dichter bij huis, is Italië. Men is geneigd om ook hier de tegenvallende economische prestaties te wijten aan de Italiaanse politiek, maar het is de vergrijzende en krimpende Italiaanse bevolking die de economische groeicijfers lijkt te temperen. Dat die vergrijzende bevolking een andere politieke voorkeur aan de dag legt dan een jonge, expansieve bevolking zou hebben gedaan, lijkt mij ook in dit voorbeeld evident.

Anders dan de Verenigde Staten hebben wij een hek om Europa gezet. Niemand lijkt nog welkom. Daarmee zet Europa zichzelf op achterstand. Jong talent, dynamiek, ondernemingszin, het wordt allemaal minder als de krimp doorzet en de migratie blijvend beperkt wordt. En wie toch door de muren van het fort weet te breken, is eerder wanhopig dan getalenteerd.

Als we preciezer naar Europa kijken, dan zien we niet alleen demografische krimp, maar ook groei. Daarbij gaat het minder om staten, maar veeleer om steden en stedelijke regio’s. Er zijn stedelijke regio’s die, ondanks de nationale krimp, demografisch blijven groeien. Voorbeelden van dergelijke snelgroeiende steden zijn Londen en Edinburgh in Groot-Brittannië. In Duitsland: München, Keulen, Hamburg en Berlijn. In Frankrijk: Groot-Parijs, Grenoble, Toulouse, Rouen. In België: Antwerpen en Brussel.

Tegelijkertijd blijven hele landsdelen versneld krimpen. We hebben het dan over herschikkingen van de bevolking binnen Europa. Met name jongeren kiezen voor de dynamische steden.

Dit is geen leuk vooruitzicht. Het leidt tot grote politieke spanningen. Niet zo zeer tussen staten als wel binnen staten. Want kan de natiestaat dit accepteren? Kan de natiestaat accepteren dat het land ‘scheef gaat hangen’? In Nederland is er nu al krimp in Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg. Ook Rotterdam en Dordrecht krimpen; de afgelopen jaren daalde het inwonertal van de Maasstad met liefst 40.000. Dat vindt men daar niet leuk. En geef toe, het is ook een groot maatschappelijk probleem. Mensen wier pensioen in het huis zit, kunnen hun huis niet verkopen. En ondertussen vertrekken de buren, verslonst de buurt en neemt de pensioenvoorziening – bijvoorbeeld een eigen woning – in waarde sterk af. Jonge ouders worden er mee geconfronteerd dat de school van hun kinderen wat betreft omvang beneden de minimale normen zakt en moet sluiten. Ze moeten voortaan hun kinderen vijf of tien kilometer verderop naar school brengen. Elke ochtend weer. Dit probleem komt op grote delen van Nederland af.

De eerste reflex van de Nederlandse staat om dit op te lossen is herverdelen. De stilzwijgende pretentie is dat de nationale overheid met een gewiekst beleid de bevolking gelijkmatig over het land gespreid kan houden. ‘Den Haag’ heeft dat in de jaren zestig en zeventig ook gedaan. Delen van de PTT zijn toen verhuisd naar Groningen en Leeuwarden en de Belastingdienst ging naar Kerkrade. Het heeft niet gewerkt.

Een andere reactie is die van tomeloze daadkracht van lokale bestuurders in de krimpgebieden. Juist bij krimp worden er grote gebiedsontwikkelingen gestart, evenementen georganiseerd, citymarketing van stal gehaald en er wordt veelal riskant geïnvesteerd. De stad of streek moet dan ‘op de kaart worden gezet’ voor Randstedelingen. En dat allemaal om de bevolking vast te houden, dan wel om nieuwe mensen te verlokken zich te vestigen in de eigen stad of streek.

Zolang we in Nederland geen staatsagentschap hebben die woonvergunningen uitreikt aan haar bewoners en die dat ook efficiënt en rechtvaardig kan doen, omdat het agentschap de gehele woningvoorraad in het land in beheer heeft, zolang dit ideaal geen werkelijkheid is geworden (ik zie nu gemakshalve even af van kleine probleempjes die dit in termen van bureaucratie, uitzonderingclausules, wachtlijsten en integriteitsvraagstukken oplevert), zijn verstedelijkingspatronen de optelsom van miljoenen keuzes van autonome individuen en beslissingen van vele lokale overheden.

De trek naar de metropool is onmiskenbaar. Ik heb al veel over economische stagnatie en demografische krimp gezegd. Maar er is ook economische dynamiek en demografische groei. En die is dus ruimtelijk specifiek. Want niet elke stad zal groeien.

De toekomst van onze economie zal kennisintensiever zijn. Niet alleen in de IT, maar ook in de logistiek en in de landbouw. Met de opkomst van de creatieve sector zullen we steeds meer aangewezen zijn op onze originaliteit en talent. Met de steeds maar voortgaande trend om alles wat gestandaardiseerd kan worden te verplaatsen naar landen waar de lonen lager zijn, zullen we het steeds meer van de dienstverlening en toerisme moeten hebben om mensen met minder opleiding een toekomst te kunnen bieden. Als wij duurzaamheid hoog in het vaandel hebben staan en ons aandeel willen leveren in het oplossen van het klimaatvraagstuk, dan moet innovatie alle ruimte krijgen. Deze sectoren van de economie (kennis, creatieve industrie, innovatie, dienstverlening, toerisme) zijn nauw met de stad verbonden. De grote stad is de natuurlijke biotoop voor deze activiteiten, voor de mensen die werkzaam zijn in deze sectoren.

Als wij economisch sterk willen blijven en de omslag naar duurzaamheid blijvend willen maken, dan moeten we de grote stad ook klaar maken voor de toekomst. Dat vraagt om flinke investeringen. Leidende begrippen hierin zijn compactheid, metropoolvorming (en ik zeg dat zonder grootheidswaan, want ik heb er goede economische en ecologische redenen voor, waarover later), een schaalsprong in het openbaar vervoer, kwaliteit van de openbare ruimte, groen tot diep in de stad. De compactheid is nodig om levendige buurten te krijgen; metropoolvorming is nodig om draagvlak voor hoogwaardige voorzieningen en diversiteit in het voorzieningenaanbod te krijgen; een schaalsprong in het openbaar vervoer is nodig om de genoemde compactheid mogelijk te maken, maar ook om de lucht te zuiveren; de kwaliteit van de openbare ruimte verdient aandacht om de groeiende mensenstromen op aangename wijze door de stad te leiden; en groen tot diep in de stad is nodig om mensen een tegenwicht tegen de drukte van het stadsleven te geven.

Dit alles brengt mij bij het centrale dilemma. Er is een evidente noodzaak om te investeren in de krimpgebieden. Maar diezelfde noodzaak bestaat ook als het gaat om de (opnieuw) groeiende steden. Investeren in de laatste is belangrijk. Die investeringen zijn alleen al nodig om de schoorsteen te laten roken. Maar ook moet worden ingespeeld op de wens van steeds meer (jonge) mensen om in een beperkt aantal dynamische centra te wonen en te werken. Als er schaarste aan rijksmiddelen is – en daar lijkt het de komende tijd zeker op –, dan is er sprake van een zeer sterke concurrentie van beleidsdoelstellingen. Nu is die er altijd, maar wint deze aan scherpte omdat de politieke tegenstellingen steeds meer samenvallen met ruimtelijke grenzen. Dit wil ik graag toelichten.

Ruimtelijke uitsortering van mensen naar inkomen en levensfase is een betrekkelijk recent fenomeen. Het vindt zijn oorsprong in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Amerikaans onderzoek laat zien dat dit proces de laatste jaren een steeds grotere reikwijdte krijgt. Leefstijl, persoonlijke smaakvoorkeur en daarmee ook politieke voorkeur worden steeds dominantere eigenschappen op basis waarvan mensen elkaar opzoeken dan wel afstoten. De grote drijvende kracht hierachter is welvaartsgroei. Naarmate mensen welvarender worden en armoede en gebrek (definitief) achter zich laten, neemt hun keuzevrijheid toe en ook de behoefte om de omgeving in te richten naar persoonlijke smaakvoorkeur. Een blik op de sociologische kaart van de Verenigde Staten leert ons wat dat betreft het volgende over de politieke kant. In Amerika zijn steeds meer ‘democratische’ dan wel uitgesproken ‘republikeinse’ steden. Ook de staten sorteren steeds extremer naar politieke kleur uit. Dat is niet alleen het gevolg van districtenstelsel of het ‘Bush-effect’; het zit dieper. Mensen – zeker Amerikanen – zijn mobiel, ze verhuizen regelmatig. De optelsom van al die verhuizingen over een periode van twintig, dertig jaar blijkt te leiden tot iets volkomen nieuws: een compleet nieuw politiek landschap. De uitsortering verklaart ook waarom Democraten en Republikeinen steeds meer als twee doofstommen tegenover elkaar staan. Hun standpunten worden extremer. Dit gaat als volgt. Wie in zijn directe omgeving steeds maar weer hetzelfde politieke geluid hoort, voelt zich in zijn voorkeuren bevestigd. Erger, die voorkeuren hebben in zo’n situatie de neiging extremer te worden. En dit legt weer de basis voor groeiend onbegrip voor afwijkende politieke meningen. ‘Hoe kan het nu dat mijn mening niet wordt gehoord terwijl mijn hele omgeving het met mij eens is.”

In de VS kleuren de Oost- en Westkust ‘democratisch’, terwijl het midden steeds ‘republikeinser’ wordt. Ook in Europa en zeker in Nederland voltrekt zich een scheiding der geesten. Dit is logisch. Ook hier zijn de inkomens – gemiddeld genomen – de laatste dertig jaar enorm gegroeid. Net als in de VS hebben ook wij veertig jaar ongeremde suburbanisatie achter de rug. Na Vinex lijkt het einde van die suburbanisatie nog allerminst in zicht. Ondertussen hebben we wel een snelweglandschap in de drassige polder gelegd en verhuizen we steeds vaker omdat we allemaal een ‘wooncarrière’ willen maken: nu gemiddeld eens in de zeven jaar. We lopen de kans dat na de politieke verzuiling en de polarisatie tussen links en rechts de politieke strijd in Nederland een regionale wordt. Vroeger bestond die ook wel. Toen ging het om het roomse zuiden versus het protestantse noorden. En tijdens de polarisatie liep er ergens een scheidslijn tussen de stad en het platteland. Maar nu verhardt de strijd zich. Het wordt een strijd tussen groei- en krimpgebieden – een strijd ook tussen een ‘open’ en een ‘gesloten’ samenleving. Het wordt, letterlijk, een politiek ‘landje-pik’.

Als we deze politieke dimensie, de ontwikkeling waarbij politieke scheidslijnen steeds meer gaan samenvallen met ruimtelijke grenzen, combineren met de toenemende beleidsconcurrentie tussen krimp en groeiregio’s dan wordt het steeds waarschijnlijker dat het gevecht om de schaarse middelen ontaard in ‘alles of niets´. Of we laten de krimpregio’s verpieteren, of we weigeren te investeren om de groei te faciliteren.

Ik hoor u al roepen: we moeten en/en doen. Inderdaad, maar dan niet op z’n Hollands (iedereen een beetje) en daar vaak en veel over vergaderen (het bekende polderen). Het moet gebeuren op een manier die past bij een nieuwe Europese werkelijkheid: de nationale staat boet in wat betreft betekenis, Europa en de regio’s worden belangrijker.

Als het gaat om financiering zou de nationale overheid zou zich moeten beperken tot twee zaken. Infrastructuur die nationaal en internationaal verbindt, bijvoorbeeld de HSL-Oost. En extra geld voor de krimpregio’s die door hun hoeven dreigen te zakken, zolang dit maar gebruikt wordt voor kwaliteit en niet voor het tegen beter weten in vasthouden van mensen.

Daarnaast moet het lokale belastinggebied, de mogelijkheden voor gemeenten en provincies om zelf belastingsinkomsten te generen, aanzienlijk vergroot worden. Op die manier kan bijvoorbeeld regionaal worden afgewogen of men liever in een regionale openbaar vervoerslijn investeert of in de zoveelste snelweg. De investeringsopgave zal in de groeiregio’s het grootst zijn. Tegelijkertijd wonen daar ook de mensen die de laatste jaren als geen ander geprofiteerd hebben van de hernieuwde populariteit van de stad. Met het afromen van een deel van dit profijt, van deze stedelijke private rijkdom ten behoeve van investeringen die de stad ook in de toekomst economische sterk en duurzaam moeten houden, lijkt mij niks mis.

Het vergroten van de autonomie van regio’s, van onze steden, past zo op het oog niet in onze politieke traditie. En toch is het nodig. Want als we niets doen, dan gaat de krimp door, maar slaat de groei neer op de plekken die we niet willen: een nieuw rondje Vinex-wijken. En ondertussen missen we internationaal de boot omdat onze steden te weinig te bieden hebben.

Alleen steden kunnen de wereld redden!

Gerelateerde artikelen