9 minuten

Simon Jelsma: “We zijn allemaal gelukzoekers”

Interview met pleinspreker en Novib-oprichter

De discussie over de onrechtvaardige verhoudingen in de wereld en de betrokkenheid van Nederland bij de ontwikkeling van andere landen is zo’n zestig jaar oud. Na de Tweede Wereldoorlog brokkelde het koloniale wereldbeeld langzaam af en kwamen steeds meer leiders van onafhankelijkheidsbewegingen in Azië en Afrika op het wereldtoneel. Hun verlangen naar vrijheid en hun aanspraak op een gelijk aandeel in de mondiale welvaart werd ook door velen in Nederland erkend. De kloof tussen arm en rijk werd vooral in de jaren zestig tot een thema. Vanaf 1965 heeft Nederland een Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Maar het begin van de Derde Wereldbeweging in Nederland ligt al vroeger, halverwege de jaren vijftig. De Pleinrede van pater Simon Jelsma in 1954 wordt vaak genoemd als het begin van een Nederlandse betrokkenheid bij de ‘Derde Wereld’, een term uit de Koude Oorlog, die het Westen als de eerste en het Oostblok als de tweede wereld typeerde. Simon Jelsma maakte mee hoe de bijdrage aan de ontwikkeling van andere landen in Nederland op de agenda kwam, veranderde en nu weer ter discussie staat. Hoe kijkt hij terug op zestig jaar ontwikkelingsdebat?

Wat wilde u in de jaren vijftig veranderen?
“Vrij snel na de oorlog ontstonden er twee groepen: zij die terug wilden naar het verzuilde Nederland en zij die dat vanuit verschillende politieke hoeken wilde doorbreken. Ik raakte al snel betrokken bij die ‘doorbraakgroep’. Midden in de oorlog rondde ik mijn theologische studie af en werd priester. Onverwacht moest ik een parochie overnemen waar de kapelaan was doodgeschoten omdat ze dachten dat hij de pastoor was die onderduikers hielp. De pastoor was zelf ook ondergedoken en ik moest hem vervangen. Mijn allereerste preek had ik keurig van buiten geleerd zoals ons op het seminarie was bijgebracht, maar halverwege raakte ik mijn tekst kwijt en ben ik maar vrij gaan praten. Niemand heeft het gemerkt. Achteraf bleek zelfs dat dat gedeelte van de preek het best was overgekomen. Toen wist ik genoeg. Ik had de behoefte om iets over te brengen aan de mensen, om te roepen dat we niet meer in gescheiden hokjes moesten blijven zitten, maar samen iets moesten veranderen.

In de jaren na de oorlog richtte ik de pleingroep op die de doorbraakgedachte in katholieke kring wilde verkondigen. Onze enige bron van kennis waren bulletins vanuit de Verenigde Naties. Daar ging de wereld voor ons open. We keken in de programma’s van de politieke partijen of we iets zagen over relaties met arme landen, maar er stond helemaal niets in. We wilden dat de mensen wisten wat er aan de hand was in de wereld, maar ik wilde niet tussen de muren van een zaaltje of een kerk blijven. En zo kwam ik op het idee om op Het Plein in Den Haag te gaan staan, voor het gebouw van de Hoge Raad.”

Wat was het doel van de Pleingroep?
“Ten eerste wilden we dat het publiek en de politici op de hoogte waren van de feiten over armoede in de wereld. En dat ze vervolgens uit die kennis de consequenties trokken en handelden. Ten tweede wilden we pressie, politieke druk uitoefenen op partijen, vakbonden, onderwijsinstellingen etc. om ze bij de les te houden. En pas als derde kwam dan het punt dat er waar nodig en waar mogelijk ook hulp moest worden verleend. En dat moest een gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn, we wilden een algemene Nederlandse organisatie waar alle groepen en organisaties aan mee konden doen. Dat werd in 1956 de Novib. We wilden de financiële hulp niet voorop stellen. En zo staat het ook nu nog in de statuten van de Novib.”

Hoe kijkt u vanuit die geschiedenis naar de huidige situatie?
“Het punt van de informatievoorziening moet weer worden opgepakt, maar op een nieuwe manier. We moeten niet volstaan met het etaleren van de doffe ellende in de wereld. De problemen worden vaak zo groot en uitzichtloos voorgesteld dat het geloof dat je er iets aan kunt doen verdwijnt. In het mediabeleid van de ontwikkelingsorganisaties is vaak geen ruimte en geld voor diepgravende en breed gepresenteerde informatie. Ik ben nu bezig met een stichting die gaat bemiddelen dat goede cineasten goede documentaires gaan maken voor de tv. We willen druk uitoefenen bij omroepen om ruimte te maken. Ik zeg niet dat je het leed moet verstoppen, maar laat ook zien dat er iets aan wordt gedaan. Als je alleen de ellende laat zien werkt het ontmoedigend en krijgen de mensen er genoeg van.”

Was het effect van informatie vroeger niet veel groter dan nu? Mensen worden nu gebombardeerd met informatie.
“Maar nu krijgen ze halve informatie – laat nou zien dat er wat wordt gedaan en dat je je daar bij kunt aansluiten en dat het jouw verantwoordelijkheid is. Dat je kunt ingrijpen en er weer kunt bijhoren. Want daar gaat het om. Je moet ook wijzen op het belang dat wij allemaal hebben. Als er elders gebrek is aan schoon water, voedsel etc. vluchten die mensen en komen ze hier naar toe. Laat vooral zien wat de negatieve gevolgen hier zijn als we niets doen. We houden met ons beleid van handelsbarrières de ongelijkheid zelf in stand, maar als de mensen dan hier komen roept Mark Rutte dat het allemaal gelukzoekers zijn. Daar wordt ik dan zo giftig om. Die hele Mark Rutte is zelf ook een gelukzoeker en dat is ook heel goed voor hem. Ik ben ook liever gelukkig dan ongelukkig.”

De informatiestrategie blijft dus een belangrijk punt. Wat is een tweede punt?
“Politieke druk. De drie eerdergenoemde punten blijven voor mij overeind. Die druk moet wel nationaal en internationaal worden uitgeoefend. Prins Claus zei: we moeten ons niet verbeelden dat wij de mensen in Afrika wel eens even zullen ontwikkelen. Ze moeten zichzelf ontwikkelen. En wij moeten daarbij niet in de weg staan. Ik vroeg prinses Máxima eens naar de negatieve kanten van het ontwikkelingswerk en ze zei meteen: ‘de huichelarij. Als ik in zo’n kring van zakenmensen of politici en banken ben is er een groot enthousiasme voor mijn pleidooi voor microkredieten, maar als ik dan een maand of twee later vraag om mee te doen krijg je niet eens antwoord.’ En natuurlijk gaat er wel eens iets fout. Men klaagt over corruptie en dictatuur, alsof wij hier geen fouten hebben gemaakt. Denk maar aan de bouwfraude. En ik kan me de dictaturen in Europa nog heel goed herinneren. Het is jammer als er eens een project mislukt, maar dat gebeurt hier ook: alle banken zijn hier nota bene bijna omgevallen!”

Het derde punt was hulp. In de loop van de jaren zeventig is men gaan spreken van ontwikkelingssamenwerking in plaats van ontwikkelingshulp. Vindt u dat die overgang ook goed is verlopen, behalve in het taalgebruik?
“We moeten zo snel mogelijk af van giften en beginnen met deals sluiten. Bovendien kan daar met minder geld veel meer. Nodig zijn goede overeenkomsten met begrip voor de situatie daar, contracten die reëel zijn en waarvan de voorwaarden ook vervuld kunnen worden. Liefdadigheid is geen zonde, maar we moeten naar een situatie waar veel minder liefdadigheid nodig is.”

De Derde Wereldbeweging is voortgekomen uit burgers. Toen kwam het op de politieke agenda en werd gepleit voor een andere houding van het bedrijfsleven. Ziet u op dat vlak vooruitgang?
“Dat is moeizaam. Bij multinationals als Shell verandert er wel iets. Vroeger kochten we als Novib één aandeel om vragen te kunnen stellen op vergaderingen, maar dat werd niet serieus genomen want je had natuurlijk toch geen macht. Nu zie je dat er wel een besef groeit, ook in de landbouw en de energiesector. De hele wereld doet nu zijn best om bedrijven overeind te houden, iedereen beseft dat je ze nodig hebt en dat moet andersom ook het geval zijn. Daartoe moeten er in de leiding van de multinationals ook vertegenwoordigers van ontwikkelingslanden komen. Die kunnen dan hun eigen belangen echt wel verdedigen. De hele mentaliteit van ‘geef ze maar wat, we dumpen onze oude medicijnen en boter daar’, die moet keihard worden doorbroken.”

In de jaren zeventig stond ontwikkeling overal op de agenda. Naarmate de globalisering is toegenomen, lijkt de interesse afgenomen. In de pleinrede zei u in 1954 het volgende: “In 1945 werd op dit plein de bevrijding gevierd. Er was toen een grote eenheid en openheid. Maar nu, negen jaar later, is er opnieuw vervreemding. Iedereen heeft zich weer teruggetrokken achter de eigen gordijntjes.” Is dat nu weer het geval?
“Om je de waarheid te zeggen: ik ben het helemaal niet eens met de geluiden dat de jeugd van tegenwoordig niet betrokken zou zijn. Er zijn allerlei bewegingen die van alles doen. Er is wel een gevoel van machteloosheid, maar men wil wel. Als ik het vergelijk met wat wij hebben moeten doen om destijds door de onverschilligheid heen te breken… Er was minder interesse en minder kennis. Men vond dat je maar voor je eigen boterham moest zorgen. Vooral na de oorlog was de gedachte: we hebben nu wel genoeg ellende gehad. Volgens mij neemt het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking helemaal niet af. Het aantal vrijwilligers in Nederland is erg groot. Mensen zijn dankzij het hogere opleidingsniveau zowel betrokkener als kritischer: ze lopen niet zomaar ergens achter aan en dat is goed.”

In een interview enkele jaren terug haalde u een gedicht van Hans Lodeizen aan:’Want deze wereld is niet de echte’. Wat bedoelde u daarmee?
“De echte wereld is wat mij betreft de family of man. Op onze kleine planeet wonen ruim 6,5 miljard mensen die allemaal een doel hebben. Dat leidt tot oorlog en ruzie, de armen blijven arm en de rijken rijk. Maar dat is niet de echte wereld: zo moet het niet. In de oude Griekse wereld hadden ze het over de oikoumene dat is afgeleid van het Griekse woord huis. De wereld als één huis waar we allemaal in wonen en die dus voor ons allemaal is. Wij kunnen die wereld bewoonbaar maken voor iedereen. De kerken hebben het woord oecumene gestolen en hebben er een soort christelijk woord van gemaakt. Ik heb mijn lidmaatschap van de Rooms-katholieke Kerk opgezegd vanwege het feit dat zij niet voor de echte wereld staat, maar voor een klein stukje ervan. Maar ik geloof veel meer dan vroeger, het is veel dichterbij, ik geloof in mensen. En gaat het ooit een keer lukken? Ja hoor, die echte wereld, die komt er wel.”

Simon Jelsma (1918) hield in 1954 – dan nog pater – op Pinksterzaterdag op het Plein in Den Haag de eerste ‘pleinrede’, waarin hij oproept tot vrede en gerechtigheid. Zijn preken markeren het begin van een Nederlandse Derde Wereldbeweging. Hij richtte begin jaren vijftig de ‘Pleingroep’ op die de zuilen wilde doorbreken door een gezamenlijke analyse van de problemen in de wereld. In 1956 leidde dit tot de oprichting van de Novib. Jelsma verliet in 1969 de rooms-katholieke kerk en werkte tot zijn pensioen in 1983 als journalist bij de NOS. Daarna richtte hij met anderen in 1989 de Postcodeloterij op als een geldmachine voor goede doelen.

Gerelateerde artikelen