10 minuten

Stereotiepen in het strafrecht

Rekening houden met diversiteit

De rechtspraak zit vol vooroordelen. Daardoor worden elementaire rechtsbeginselen geschonden ten nadele van allochtonen. Multiculturalisering van het strafrecht moet niet gaan over hoger of lager straffen van eerwraak en vrouwenbesnijdenis, maar over het wegnemen van stereotypering. 

In het belang van grotere veiligheid willen burgers dat normen en waarden duidelijk en zonder schroom geëxpliciteerd worden. Daarbij wordt vooral veel van de strafrechter verwacht. Deze toenemende vraag naar strafrecht is vooral aan de orde in discussies over criminaliteit in relatie tot etniciteit of over ‘de multiculturele samenleving’ in het algemeen. Een hemeltergende selectiviteit zorgt ervoor dat we niet op een evenwichtige wijze kunnen debatteren over de vraag of en zo ja in hoeverre ons strafrechtssysteem rekening moet houden met een toegenomen diversiteit in Nederland.

In de eerste plaats wordt criminaliteit voorgeschoteld als een ‘allochtoon probleem’. Natuurlijk is het al jaren duidelijk dat sommige allochtonen in vergelijking tot hun aandeel in de bevolking oververtegenwoordigd zijn in het strafrechtelijk systeem. Zo plegen Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders relatief vaker vermogenscriminaliteit en geweld in het publieke domein. De statistische oververtegenwoordiging valt ook andere groepen ten deel: Somalische Nederlanders (vermogen), Surinaamse Nederlanders (vermogen en drugs), Nederlanders uit voormalig Joegoslavië (vermogen, geweld), Turkse Nederlanders (drugs, georganiseerde misdaad), Chinezen en Koerden (mensensmokkel), Russen en Litouwers (mensenhandel) en als het bijvoorbeeld gaat om de xtc-handel is er ook een opvallende aanwezigheid van chassidische joden. De grootste etnische nuancering is evenwel het feit dat in absolute termen autochtone Nederlanders de criminaliteitsstatistieken beheersen. Om maar te zwijgen over de witte boordencriminaliteit zoals de fraude in de bouw, zorg, aandelenmarkt, beroepsonderwijs en belastingontduiking. Om maar te zwijgen over hennepteelt, xtc-handel, incest of rijden onder invloed. In de publieke opinie is de culturele achtergrond bij al deze vormen van criminaliteit kennelijk niet relevant. Hiermee zij gezegd dat het maatschappelijk onbehagen over criminaliteit en onveiligheid te eenzijdig wordt geprojecteerd op allochtonen. Deze constructie legt een zware hypotheek op de discussie over criminaliteit en etniciteit, omdat elke relativering in het debat al snel wordt uitgelegd als het bagatelliseren of het negeren van de uiteraard terechte commotie rondom de zichtbare criminaliteit op straat. Daarenboven wekt het morele verwijt bij allochtonen nogal de nodige woede en frustraties op, zodat discussies over het op zichzelf zorgwekkende criminaliteitsniveau onder sommige allochtonen verzanden in nutteloze emotionaliteit. Waarom zou het belangrijkste motief voor de weerzinwekkende doodslag op René Steegmans in Venlo liggen in de culturele achtergrond van (de ouders van) Khalid L., zoals de cultureel antropoloog Hans Werdmölder beschrijft in Trouw van 2 november 2002, maar niet in de Nederlandse culturele achtergrond van de vele autochtone daders van ‘zinloos geweld’?

Waarom zou in het eerste geval de Marokkaanse gemeenschap collectief moreel verantwoordelijk zijn, maar wordt in het tweede geval geen enkele Nederlander een soortgelijk verwijt gemaakt? Deze eenzijdige ‘collectivisering’ van individuele daden, leidt  bij migranten tot toenemende frustratie, woede en verzet en bij autochtonen tot morele paniek die vooral in tijden van verkiezingen strategisch wordt gebruikt. 

Excuses

In de tweede plaats is er een gering aantal delicten dat vrijwel uitsluitend alleen onder (de kinderen van) migranten lijkt voort te komen. Het gaat dan vooral om strafzaken die elementen in zich dragen van bloed- en eerwraak, vrouwenbesnijdenis, voodoo, winti of bijvoorbeeld onvrijwillige schaking. Deze zaken komen op zich weinig voor, maar spreken tot de verbeelding van het publiek, de politiek en onderzoekers. Hele betogen zijn er gehouden over ‘de’ multiculturele rechtspleging aan de hand van een casus van eerwraak (bijvoorbeeld ‘Veghel’). Het zijn met name deze strafzaken die uitgangspunt zijn voor vertogen over de toelaatbaarheid van enige erkenning van diversiteit binnen de strafrechtspleging. Zo ook de bijdrage van bijvoorbeeld Hans Werdmölder in het winternummer van de Helling (4-2002).

Ik vind dat nogal overtrokken. Het zijn juist deze zaken die in essentie nauwelijks problemen veroorzaken voor het materiële strafrecht. Vrouwenbesnijdenis – als er een keer aangifte wordt gedaan – levert zonder twijfel zware mishandeling op; eerwraak en bloedwraak leveren moord op en onvrijwillige schaking levert ontvoering op. Dat er in de directe kring van familieleden of andere betrokkenen enige sympathie kan worden opgetekend, is niet uniek en zeker niet doorslaggevend. Daarbuiten kan namelijk in dezelfde etnische groep verzet of afschuw worden genoteerd. We moeten met zijn allen niet doen alsof ‘de Turken’ eerwraak een juist middel vinden om de eer te handhaven, laat staan een vanzelfsprekend gegeven. 

De vraag of vrouwe Justitia blind moet blijven voor etniciteit wordt vaak normatief gekoppeld aan de vraag of in de culturele achtergrond van sommige daders een strafverzachtende omstandigheid kan worden gevonden. Anders gezegd: cultuur als verweer.

Nog daargelaten dat een cultureel motief ook vaak leidt tot strafverhoging, zijn er andere aspecten rond de multiculturele strafrechtspleging die wellicht meer aandacht verdienen.

Veel beter dan strafbare feiten bestraffen, is het om deze te voorkomen. Voordat het tot bijvoorbeeld eerwraak komt, is er doorgaans het nodige gebeurd en meestal zijn we niet in staat gebleken om effectief te interveniëren. Een relationeel probleem kan er onder omstandigheden (provocatie, ruchtbaarheid, sociale druk) toe leiden dat de eer van een Turkse man op het spel komt te staan. Dat hoeft in de meeste gevallen helemaal niet te leiden tot moord of doodslag van de eerschender. Er zijn allerlei alternatieven mogelijk om op vreedzame wijze het ‘eergeschil’ te kunnen beslechten (echtscheiding, verhuizing, verzoening, excuses etc.) mits het conflict niet zodanig is geëscaleerd dat de vlam in de pan slaat. In sommige gevallen is de politie op de hoogte van het conflict door een voorgeschiedenis van huiselijk geweld of anderszins. In dit geval zou bemiddeld moeten worden om te zorgen dat de zaak niet uit de hand loopt. Met de culturele achtergrond kan dan rekening worden gehouden om het conflict op te lossen, mits uiteraard op basis van vrijwilligheid.

Het boze oog

Dat geldt zelfs voor gevallen van bloedwraak. Dit strafbaar feit kenmerkt zich door dat er geen einde aan komt, tenzij er effectief bemiddeld wordt. In het kader van het strafproces kan dit niet, maar wel parallel daaraan. De overheid kan met gebruikmaking van gezaghebbende deskundigen pogen te interveniëren om het bloedwraakproces te doen stoppen. In het strafrecht hoeft dan geen rekening te worden gehouden met de culturele achtergrond, maar in het parallelle traject bij uitstek wel. Er zijn immers spelregels, normen en opvattingen binnen allerlei sociale verbanden – dus ook de Turkse – om zonder wederzijds gezichtsverlies het conflict op te lossen. Rekening houden met de culturele achtergrond is in deze gevallen wenselijk, zowel voor betrokkenen als voor de maatschappij in het geheel. Naast bemiddeling en conflictbeslechting, is het rekening houden met de culturele achtergrond van belang voor een aantal justitiële instellingen die zich bezig houden met preventie van (jeugd)criminaliteit.

In het zomernummer van de Helling (2-2002) heb ik dit als een noodzakelijke voorwaarde geformuleerd om effectief te zijn. Om allochtone ouders te betrekken bij de bestraffing van hun kinderen, de leerstraffen of gedragsprogramma’s effectief te laten zijn, moeten wij het nodige weten van de culturele achtergrond van daders en hun ouders. Eenvoudigweg om ervoor te zorgen dat justitiële instellingen hun toegankelijkheid voor allochtone verdachten vergroten en daadwerkelijk resultaten behalen. 

Binnen onze justitiële instellingen, waaronder de rechtbank, is er een gebrek aan invoelingsvermogen voor de allochtone verdachte. Veel professionals fronsen al snel hun wenkbrauwen als zij allochtone verdachten horen spreken over bijvoorbeeld kwade geesten, het boze oog, winti of voodoo en vinden dit al gauw ‘bijgeloof’. Deze vorm van onverschilligheid maakt dat sommige allochtone verdachten of hun familieleden zich niet serieus bejegend voelen. Hun verhalen passen kennelijk niet in een gepercipieerde dominante (innerlijke) werkelijkheid. Door onvoldoende ruimte te geven aan deze innerlijke leefwereld van allochtone verdachten en hun familie wordt afbreuk gedaan aan een effectieve dialoog. Hun eigen verhaal wordt immers niet gehoord doordat verdachten worden buitengesloten van het gedeelde referentiekader van professionals. Het fundamentele recht op hoor en wederhoor komt hiermee onder druk te staan. Naar mijn idee rust op autochtone professionals een inspanningsverplichting om etnocentrisme in onze zittingszalen te voorkomen.

Daarnaast is het voor het publiek van belang te kunnen controleren of allochtone verdachten niet de dupe worden van (interculturele) communicatieproblemen, onjuiste veralgemeniseringen of stereotiepen (beginsel van de externe openbaarheid). Immers, ook de allochtone verdachte dient beschermd te worden tegen de almachtige overheid. Het gevoel zich naast bestraft óók beschermd te weten, draagt bij aan het vertrouwen in onze justitiële instellingen en daarmee uiteindelijk ook aan de legitimiteit.

Inmiddels is het nodige onderzoek gedaan naar de vraag hoe bepaalde justitiële instellingen of professionals omgaan met de toegenomen verkleuring van hun cliëntenbestand. Het algemene beeld daaruit is er een van sociale afstand ten opzichte van (allochtone) cliënten en de medewerkers van justitiële instellingen, onvoldoende serieuze aandacht voor culturele achtergronden en ongefundeerde veralgemeniseringen en stereotiepen. Vaak neemt de rechter alleen die culturele factoren mee in zijn overwegingen die worden gesteld in rapportages van allerlei deskundigen.

Angst

Zo is bekend dat allochtone jongeren er in psychiatrische rapportages structureel slechter afkomen dan autochtone onderzochten, terwijl vanuit de transculturele psychiatrie ook gedegen kritiek wordt geleverd op bijvoorbeeld het internationale handboek voor psychiatrische stoornissen, omdat deze alleen ‘westerse’ ziekten zou bevatten. Soortgelijke kritiek is er ook als het gaat over traumaverwerking of het (on)vermogen van slachtofferhulp om óók allochtonen bij te staan bij de verwerking van psychische problematiek. Medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming blijken in de praktijk algemene opvattingen over cultuur te hanteren, die mede de bejegening van en rapportage over allochtone minderjarigen bepalen, maar die niet in de voorlichtingsrapportages worden vermeld. Ook binnen een instelling als de Reclassering blijken allochtone verdachten vaker de dupe te worden van stereotiepen of communicatieproblemen, die evenwel voor de rechter niet te controleren zijn, omdat deze eenvoudigweg niet opgeschreven worden. Een voorbeeld: vele reclasseringswerkers stoppen geen energie in het verrichten van onderzoek bij referenten, omdat zij er op voorhand vanuit gaan dat bepaalde allochtone gezinnen moeilijker bereikbaar zijn. Ook hanteert men geregeld het argument dat allochtone jongeren vaker ontkennen, zodat het geen zin heeft een voorlichtingsrapportage op te stellen. Los van het feit dat dit mantra betwistbaar is, voldoet men hiermee niet aan de verplichting een voorlichtingsrapportage op te stellen. Immers, ook al zou iemand ontkennen, dan nog is het van belang om de persoonlijke achtergronden van een verdachte en diens leefwereld te schetsen. Justitiële instellingen lijken dus structureel minder energie te steken in rapportages over allochtone verdachten. Daarmee is de rechter structureel onvoldoende voorgelicht. Het leidt er overigens ook toe dat een allochtone verdachte zich ter zitting erg moeilijk kan verweren tegen onjuiste weergave van zijn leefsituatie in rapportages en de relevantie van culturele achtergronden. Door de papieren processtructuur en de tijdsdruk krijgt de allochtone verdachte vaak het autoriteitsargument voor de voeten geworpen. ‘U zegt dat het niets met uw cultuur te maken heeft, maar de psychiater denkt daar toch echt anders over’.

Emancipatie

Deze stereotypering leidt er toe dat advocaten in toenemende mate de culturele achtergrond van verdachten niet noemen als mogelijke verklaring voor gedrag. Dit uit angst voor wat zij noemen: culturele afstraffingen. Hiermee wordt afbreuk gedaan aan het fundamentele verdedigingsbelang voor allochtone verdachten.

Eerder schreef ik in de Helling (2-2002) dat culturele factoren meegewogen moeten worden als de verdachte dat wenst en zulks bijdraagt aan het verwezenlijken van achterliggende rechtstatelijke waarden. Het gaat erom dat de allochtone verdachte zelf ‘zijn cultuur’ vaststelt en de relevantie daarvan voor zijn gedrag. Daarop kan hij door de rechter bevraagd worden. Het moet echter niet zo zijn dat de cultuur van verdachten door professionals wordt geconstrueerd, zonder dat die verdachten voldoende ruimte krijgen voor een eigen verhaal of betwisting van de opvatting van deskundigen. Allochtone verdachten vinden het niet rechtvaardig dat zij beoordeeld worden op basis van stereotiepen, terwijl hun eigen (culturele) verhaal als niet relevant of tot bijvoorbeeld bijgeloof wordt gereduceerd. Zij behoren niet bang te zijn voor culturele afstraffingen. In een prachtig artikel van de rechtssocioloog Niels van Manen in het vorige nummer van de Helling (4-2002), die recht en rechtspraak in dienst stelde van emancipatie en participatie, werd mijn stelling omtrent de verwezenlijking van rechtstatelijke normen als te vaag terzijde geschoven. Ter verduidelijking: ook buitengewoon geëmancipeerde en participerende allochtone verdachten treffen in de justitiële instellingen de nodige stereotiepen op hun weg. Als het recht hen hiertegen niet beschermt dan wordt wel degelijk inbreuk gemaakt op belangrijke rechtstatelijke normen: hoor en wederhoor, recht op deskundigen en bijvoorbeeld het recht op een behoorlijke verdediging. Dit zijn geen Grote Woorden, maar elementaire rechtsbeginselen. Natuurlijk willen sommige allochtone groepen hun leden of verwanten gevangen houden in allerlei orthodoxe opvattingen. Dit levert echter nog geen vrijbrief op om andere allochtone individuen gevangen te houden in oncontroleerbare en op stereotiepen gebaseerde (institutionele) opvattingen van (de medewerkers van) justitiële instellingen. 

Gerelateerde artikelen