10 minuten

Strafrecht onder vuur

Het wantrouwen in het strafrecht is groot en de roep om strenger straffen klinkt alom. Maar juryrechtspraak is geen oplossing.

In reactie op een groeiend wantrouwen in de publieke sector wordt steeds vaker de vraag gesteld of ook het strafrecht niet zou moeten democratiseren. Deze geluiden zijn in de politiek al te horen. Recent bepleitte het LPF-Kamerlid Eerdmans in een notitie de (her)invoering van juryrechtspraak en vorig jaar deed een partijcommissie van de VVD hetzelfde. In de rechtswetenschappelijke literatuur is dit thema eveneens weer een onderwerp van discussie. Door de burger meer te betrekken bij de strafrechtspraak zou het vertrouwen kunnen toenemen, zo is de redenering. Maar is er eigenlijk wel een probleem?

Ja en nee. Volgens de peilingen van de European Value Studies daalde het percentage van de Nederlandse bevolking met vertrouwen in de rechtspraak tussen 1981 en 1999 van 65 procent tot 48 procent. In de jaren daarna lijkt het vertrouwen zich licht te herstellen, maar als slechts iets meer dan de helft van de burgers vertrouwen heeft in de rechtspraak is dat wel degelijk zorgelijk. Overigens zijn deze cijfers vergelijkbaar met de resultaten in veel andere Europese landen in dezelfde periode.

Hoewel er een duidelijke samenhang is met de algemene perceptie van de overheid, lijkt het wantrouwen zich voornamelijk te richten op het strafrecht. Volgens een studie van het SCP naar het vertrouwen in de rechtspraak (uit 2004) blijken burgers vooral het strafrecht als referentiepunt te gebruiken en moeten de aanknopingspunten van het herstel van het vertrouwen ook met name in dit rechtsgebied gezocht worden. Hoe moet dat dan gebeuren? Is democratisering door de invoering van juryrechtspraak of een andere vorm van lekenparticipatie het antwoord?

Het probleem met het strafrecht lijkt vooral te zijn dat mensen ontevreden zijn over de hoogte van de straffen. In de meest recente peiling van het SCP stemde liefst 91 procent van de respondenten in met de stelling dat misdaden in Nederland over het algemeen te licht worden bestraft. Dit gegeven wordt door de voorstanders van lekenparticipatie steevast als argument voor hun standpunt gebruikt: het volk wil zwaarder straffen en de rechters doen dit maar niet. Toch passen hier enige nuanceringen.

Doodstraf

In de eerste plaats leveren opinieonderzoeken in landen waar beduidend zwaarder gestraft wordt, zoals in de VS en Engeland, vrijwel gelijke uitkomsten op. Ook daar wil het volk zwaardere straffen. Die roep lijkt dus nauwelijks gerelateerd te zijn aan de feitelijke strafoplegging. Het is wellicht een algemeen standpunt dat vooral gebaseerd is op enkele (veelal uitzonderlijke) zaken die veel media-aandacht hebben ontvangen.

Verder is het belangrijk op te merken dat wanneer de vraagstelling iets verfijnd wordt, met meer ruimte voor alternatieven, een veel minder punitief beeld naar voren komt. Een deel van de bevolking wil inderdaad zeer harde straffen (waaronder zelfs de doodstraf) voor ernstige misdrijven, maar over het algemeen staan mensen wel degelijk ook open voor andere opties dan langdurige opsluiting, zoals taak- en werkstraffen. Dit is volledig consistent met onderzoek naar de publieke houding ten opzichte van de doodstraf dat in de VS is verricht: als gevraagd wordt naar de steun voor de doodstraf in vergelijking met het alternatief van (echt) levenslang blijkt het aantal voorstanders van 70 procent tot rond of onder de 50 procent te zakken. In met name Engeland zijn zeer interessante onderzoeken verricht waaruit blijkt dat wanneer groepen burgers in concrete zaken over dezelfde informatie beschikken als de rechters, hun straftoemeting vaak weinig afwijkt van de straf die de rechters hadden opgelegd.

De nuancering gaat nog verder. In 2004 verscheen een van de eerste empirische onderzoeken op het gebied van de maatschappelijke relatie tussen rechters en burgers, van De Keijser en Elffers. Daarin wordt onderzocht welke verwachtingen onder het publiek leven ten opzichte van de rechterlijke macht. De auteurs vroegen in eerste instantie naar de kwaliteiten die men van rechters verwachtte. Daarin kwamen de volgende eigenschappen als belangrijkste naar voren: rechtvaardigheid, onpartijdigheid, onafhankelijkheid, kritisch zijn, goed kunnen luisteren en een goede jurist zijn. Andere kwaliteiten, die de rechter meer responsief zouden maken tegenover de samenleving, werden als beduidend minder belangrijk ervaren: zich kunnen verplaatsen in de slachtoffers, weten wat er speelt in de samenleving en streng zijn, werden door minder dan 40 procent als één van de vijf belangrijkste kenmerken voor een rechter aangegeven. In het onderzoek werd vervolgens doorgevraagd op een aantal specifieke punten. Een daarvan was de vraag of rechters meer open moeten staan voor de gevoelens in de samenleving. Ook daar kwam een genuanceerd beeld naar voren. Hoewel burgers vinden dat rechters hun oordelen beter moeten uitleggen, is er geen sterke steun voor de stelling dat rechters in een ivoren toren leven of dat zij onbekend zijn met wat er in de samenleving leeft. Interessant is dat de rechters zelf wel vinden dat zij meer moeten ingaan op wat er in de samenleving speelt en denken dat de samenleving dit ook van hen verwacht.

Jury

Het wantrouwen van de burger verdient dus nuancering – wat iets anders is dan bagatellisering. In algemene zin wil men dat er zwaarder gestraft wordt, maar geconfronteerd met specifieke zaken valt deze punitieve roep mee. In algemene zin is men ook niet tevreden over de strafrechtskolom (politie, justitie, rechterspraak) maar daarbinnen komt de rechter nog relatief het best naar voren. In hetzelfde onderzoek van De Keijser en Elffers wordt ook gevraagd de verschillende instanties een rapportcijfer te geven: slechts 14 procent geeft de rechter een onvoldoende, maar een derde van de respondenten vindt het optreden van het Openbaar Ministerie (OM) en van de politie onvoldoende. De gemiddelde rapportcijfers zijn een 7- voor de rechter, een 6 voor de politie en slechts een 6- voor het OM. Dit beeld wordt bevestigd in een opinieonderzoek (van TNS NIPO) na de publiciteit rond de Nienke-zaak, waarin iemand ten onrechte bleek te zijn veroordeeld: 79 procent van de respondenten hadden veel vertrouwen in de rechter, tegenover 57 procent in de politie en 45 procent in het OM. Het wantrouwen van de burger lijkt zich voornamelijk te richten op de uitvoerende instanties in het strafrecht.

Is juryrechtspraak dan een goed idee? Nederland is een van de weinige landen in de wereld die geen enkele vorm van lekenparticipatie in haar rechtspraak kent. Onder Napoleon werd in ons land juryrechtspraak ingevoerd, maar dit werd na drie jaar al weer afgeschaft, voor het goed en wel in de praktijk kon worden gebracht. Van oudsher was het vertrouwen in de professionele rechtspraak in ons land groot. In andere landen van de wereld was en is dit duidelijk minder het geval. Vooral in de Angelsaksische traditie wordt de betrokkenheid van het volk bij het rechtspreken al eeuwen gezien als een controlemiddel op de staatsmacht. Er bestond en bestaat een groot wantrouwen tegenover de overheid en vooral ook tegen professionele rechters als exponenten van die overheid. Dit denken en het daaruit voorgekomen jurysysteem vindt zijn oorsprong in Engeland en is van daaruit door kolonisatie en anderszins over de wereld verspreid. Ook in Europese landen met andere rechtstradities zijn vormen van lekenparticipatie in de loop der tijd ingevoerd, meest recentelijk nog in Spanje en Rusland na de afschaffing van de dictaturen aldaar.

Kostbaar

De manier waarop gewone burgers participeren verschilt sterk per land. In de meest zuivere vorm van lekenrechtspraak bepaalt een jury van louter burgers zowel de schuld als ook de strafmaat van de verdachte. Dit systeem geldt voor doodstrafzaken in de Amerikaanse staten die deze straf nog kennen en in enkele staten in de VS ook voor kleinere delicten. In het algemeen spreekt een jury zich echter slechts uit over de schuldvraag en worden straffen door de rechter opgelegd. In Engeland wordt de jury daarbij enigszins geleid door de samenvatting van de zaak (summing up) die de rechter aan de jury voorleest voor deze gaat beraadslagen. In de VS ontvangen de juryleden juridische instructies, maar die zijn tamelijk vaag en verwijzen op geen enkele wijze naar het concrete bewijsmateriaal in de gepresenteerde zaak. Veel landen hebben daarnaast een gemengde vorm van participatie. Soms is er sprake van een grote jury die wordt aangevuld door professionele rechters, soms is het aantal rechters en leken gelijk en ook diverse tussenvormen worden gehanteerd. In Engeland en in mindere mate in Noorwegen kent men daarnaast lekenrechters die bepaalde kleine delicten zelfstandig afdoen.

Ondanks de grote verschillen tussen de systemen valt een aantal algemene observaties te doen. In de eerste plaats is het empirisch vast te stellen dat juryrechtspraak, zelfs in de landen waar zij het meest wordt gedragen, op haar retour is. Er zijn nog slechts enkele landen die juryrechtspraak toepassen in civiele zaken, maar ook in strafzaken is de inzet van jury’s steeds beperkter. Dit heeft vooral te maken met de kosten. Juryleden weten per definitie vooraf niets van de zaak en worden geselecteerd vanwege hun volledig onbevangen en frisse blik. Dit betekent dat al het bewijs en alle getuigen ter zitting moeten worden gepresenteerd. Mede daardoor kosten juryprocessen veel tijd en geld en wordt het steeds uitzonderlijker dat zaken in een uitgebreid proces voor een jury worden gevoerd. De meeste zaken worden tegenwoordig in versnelde procedures afgedaan: zo bekent in de VS 97 procent van de verdachten schuld in ruil voor (verwachte) strafvermindering in het systeem van plea bargaining en ook in Engeland wordt dit steeds meer gebruikt. Een tweede observatie is dat leken slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een grote rol spelen bij het opleggen van de straffen. Vaak stellen zij slechts de feiten en de schuld vast, waarna in een aparte zitting door de rechter de straf wordt opgelegd. Op zichzelf is dit een merkwaardig en enigszins paradoxaal verschijnsel, omdat juryrechtspraak wordt gezien als een belangrijke manier om de normen en waarden van de gemeenschap uit te drukken, de community values.

Televisie

Nederland zou met een eventuele invoering van juryrechtspraak tegen de internationale trend in gaan. Maar daarnaast lijkt de invoering van de lekenparticipatie zoals die in de meeste landen wordt gehanteerd niet de juiste reactie op het ontstane wantrouwen onder de burgers. De Nederlandse burger vertrouwt immers op zich wel de rechter, maar juist niet (of in ieder geval een stuk minder) de politie en het OM. En voor zover de rechter wordt bekritiseerd is dit op het element van de rechtspraak waarover leken in de meeste landen vaak sowieso niets te zeggen hebben, namelijk de strafmaat. Democratisering van de strafrechtelijke besluitvorming, in ieder geval in de vorm van lekenparticipatie, lijkt dus geen oplossing. Overigens zou diezelfde conclusie wellicht eveneens getrokken kunnen worden voor de gekozen burgemeester en de directe referenda. Het is maar zeer de vraag of de wantrouwige Nederlandse burger per se zelf steeds mee wil doen aan besluitvorming, of dit nu politiek is of (straf)rechtelijk of welk ander domein dan ook. Zoals blijkt uit het aangehaalde onderzoek van De Keijser en Elffers vragen burgers van de rechter rechtvaardigheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid, en een kritische analyse. Met andere woorden, men lijkt uiteindelijk vooral te willen dat de rechters hun traditionele werk goed doen. Waar rechters een duidelijke slag kunnen maken is in de uitleg, om te beginnen met hun vonnissen. De overwegingen moeten helderder en transparanter. Uit het onderzoek van De Keijser en Elffers blijkt overigens dat rechters deze mening delen. Dat lijkt een goed uitgangspunt voor verbetering die ook in wetgeving zou kunnen worden opgenomen. Daarnaast kunnen ook de experimenten met open dagen bij rechtbanken worden uitgebreid. Persrechters kunnen meer nog dan nu in de media uitleggen wat de overwegingen bij bepaalde vonnissen zijn. Eventueel zou kunnen worden gekeken naar een groter bereik via (rechtstreekse) televisie of radio.

En hoe zorgen het OM en de politie voor herstel van vertrouwen? Burgers willen dat deze instanties hun werk beter doen en kunnen worden aangesproken op de resultaten. Dat is natuurlijk veel gemakkelijker gezegd dan gedaan. De grote moeilijkheid daarbij is of en hoe die resultaten kunnen worden gemeten. Cijfers over criminaliteit zijn weliswaar een duidelijke indicatie, maar de politie en het OM zijn slechts schakels in een complex van factoren dat criminaliteit veroorzaakt. En is de taak van de politie eigenlijk niet primair het vangen van boeven in plaats van de preventie van criminaliteit? Ook hier geldt waarschijnlijk nog het meest dat de burger een inzicht wil. Als het om de (straf)rechtspraak gaat, blijken mensen namelijk juist wel te willen weten hoe de worst nu precies wordt gemaakt. Dat betekent niet dat ze haar ook zelf willen maken.

Literatuur:

- C.H. Brants, ‘Mag het volk ook meedoen? De leek en het Nederlandse strafproces’, in: A.H. Klip, A.Smeulders & M.W. Wolleswinkel (red.) KrTies. Liber amoricum et amicarium voor prof. Mr. E. Prakken, Deventer: Kluwer 2004.
- M.S. Groenhuijsen, ‘Jury en andere vormen van lekenrechtspraak. Over onbehagen, legitimiteit, onderbuik en cultuur’, Delikt en Delinkwent, 2005 nr. 8.
- De Keijser en Elffers, Het maatschappelijk oordeel van de strafrechter: de wisselwerking tussen rechter en samenleving, Boom, 2004.

Gerelateerde artikelen