19 minuten

Strauss: tussen Washington en Bagdad

Bush en de neoconservatieven

Het verhaal heeft mythische proporties gekregen: George W. Bush wordt aangestuurd door een klein clubje oorlogzuchtige neoconservatieven, die zich weer laten inspireren door de ideeën van de obscure professor Leo Strauss. Klopt dat verhaal? Waar staan de neoconservatieven voor en wie was Strauss?

Nog voordat Amerikaanse troepen in maart van dit jaar één voet op Iraakse bodem hadden gezet, was de vraag naar de verantwoordelijkheid voor het nakende preventieve offensief voor sommigen al eenduidig beantwoord. De Bush-administratie, zo luidde het, wordt gedomineerd en gestuurd door een kleine groep beleidsmakers die zichzelf ‘neoconservatieven’ noemen. Al tijdens de eerste Iraakse oorlog pleitten leden van deze groep voor het uitbreiden van de interventie tot een aanval op Bagdad. In 1998 richtten ze een brief aan toenmalig president Clinton, waarin ze wezen op de dreiging die uitging van het Iraakse bewind, en waarin ze in één adem sterk aandrongen op de omverwerping van Saddam Hoessein en op de bestrijding van het Islam-terrorisme. Ook op de opvolger van Clinton, George W. Bush, bleven ze druk uitoefenen. In de aanslagen van 11 september 2001 zagen ze niet alleen de bevestiging van hun gelijk, maar ook een kans om te wegen op het beleid: onder verwijzing naar een ‘nieuw Pearl Harbour’ riepen ze de Amerikaanse overheid ertoe op eenzijdig en met inzet van militaire macht de politieke en economische belangen van de VS veilig te stellen, in de eerste plaats in Afghanistan en Irak, maar zo nodig ook in de rest van de wereld. Met deze agenda vonden ze een bereidwillige luisteraar in president Bush, die enkele neoconservatieven opnam in zijn administratie.

Een terugkerend element in de beschouwingen is de suggestie dat de neoconservatieven op hun beurt directieven van elders ontvangen. Achter de mannen achter Bush, zo wordt geopperd, staat weer een andere man: Leo Strauss, een wat obscure professor in de politieke filosofie aan de universiteit van Chicago. Zijn ideeën, zo luidt het, zijn de belangrijkste inspiratiebron voor het neoconservatieve gedachtegoed. Strauss is weliswaar al in 1973 overleden, maar hij heeft een schare van ‘straussianen’ nagelaten, van wie enkelen in de jaren tachtig politiek actief zijn geworden aan de rechtervleugel van de Amerikaanse politiek, en die mee de grondslag hebben gelegd voor het neoconservatisme. Van Strauss zouden ze hebben geleerd dat politiek een zaak is van elites die een vijandbeeld cultiveren en met allerlei leugens – de dreiging van massavernietigingswapens, maar ook de publieke noodzaak van religie – hun eigen achterban mobiliseren tot een veroveringsoorlog, ter meerdere eer en glorie van zichzelf.

Kort nadat de aanval tegen Irak op 20 maart is begonnen, groeit de aandacht van de internationale pers voor de neoconservatieven en hun affiliatie met Strauss langzaam tot buitengewone proporties. Inmiddels is de storm alweer enigszins geluwd, op een periodieke oprisping na. Wie zijn de neoconservatieven, wie zijn de straussianen en wie was Leo Strauss? En wat klopt er van de ronkende beschuldigingen van Strauss als ‘conservative mastermind’ en zelfs ‘fascist godfather of the neo-cons’?

De neoconservatieven

De wortels van het neoconservatisme liggen in de jaren zestig en zeventig, met name in de onvrede en frustratie van enkele intellectuelen ten aanzien van hun eigen liberaal-progressieve – in sommige gevallen zelfs radicaal linkse – erfenis. De meesten onder hen hebben een academische opleiding genoten en zijn actief geworden in de politieke journalistiek ter rechterzijde: Robert Bartley schrijft voor The Wall Street Journal, Jeane Kirkpatrick, Nathan Glazer en Norman Podhoretz voor Commentary, James Q. Wilson, Daniel Bell, Gertrude Himmelfarb en Irving Kristol voor The Public Interest.

Hun onvrede betreft bij nadere beschouwing beide polen van het Amerikaanse politieke spectrum: enerzijds de permissieve en progressieve cultuur die het liberaal-democratische kamp domineert, anderzijds de naar binnen gekeerde zelfgenoegzaamheid en het anti-intellectualisme van het republikeinse kamp. In de ene richting zetten de neoconservatieven zich af tegen het morele relativisme en het egalitarisme zoals dat onder andere tot uiting komt in het sociaal beleid. In de andere richting verwijten ze de republikeinen een gebrek aan ideologische diepgang en aan interesse in de buitenlandse belangen van de VS. Dit leidt tot een ondubbelzinnige houding ten aanzien van de Koude Oorlog: terwijl het linkse verzet tegen de Vietnam-oorlog volgens hen een bedreiging vormt voor de stabiliteit en de cohesie van de Amerikaanse samenleving, krijgt rechts een veeg uit de pan wegens een te passieve houding ten opzichte van de erfvijand, de Sovjetunie.

Met het aantreden van Ronald Reagan in de jaren tachtig krijgen de neoconservatieven de wind mee. De zogenaamde ‘Reagan-doctrine’, die gepaard gaat met een sterke moralisering van binnenlands en buitenlands beleid, bevat verschillende van de speerpunten op de neoconservatieve agenda: economische deregulering (supply-side economics), een ethisch-religieus réveil (moral values) en een hardere opstelling tegenover de Sovjetunie (the Evil Empire). De neoconservatieven zien hierin hun kans om de republikeinse partij los te weken van tenminste twee van haar traditionele dogma’s inzake buitenlands en binnenlands beleid.

Het gezin

Het eerste dogma dat ter discussie wordt gesteld is het principiële republikeinse wantrouwen ten aanzien van de overheid. Dit betekent niet dat de neoconservatieven plots de staat omarmen: op het economisch vlak blijven ze de vrije markt huldigen. Tegelijk bepleiten ze echter institutionele hervormingen die erop gericht zijn het brandpunt van de binnenlandse politiek te verschuiven van het nationale naar het lokale vlak. De natuurlijke plaats waar burgers het politieke debat over sociale en culturele thema’s aangaan, is in het neoconservatieve perspectief de lokale gemeenschap (the community) als een moreel en cultureel homogeen geheel dat zichzelf bestuurt (self-government). Dit middenveld berust op pijlers als het gezin, de religie en de school, waar waarden als ijver, doorzettingsvermogen, burgerzin, vroomheid en naastenliefde centraal staan. Zo vormt de gemeenschap het noodzakelijke kader waarin het najagen van het eigenbelang (the pursuit of happiness) juist mogelijk wordt. Op het binnenlandse vlak moet daarom sprake zijn van een ‘gedeelde soevereiniteit’ tussen de lokale overheden en de federale overheid, met name van het congres. Dit laatste speelt enkel een rol wanneer het gaat om thema’s die niet op lokaal niveau kunnen worden besproken, bijvoorbeeld omdat ze raken aan grondwettelijke beginselen.

Het machtsevenwicht moet er tegelijk voor zorgen dat de executieve zo veel mogelijk de handen vrij heeft om zich bezig te houden met de buitenlandse belangen van de VS. Daarmee belanden we bij het tweede republikeinse dogma dat de neoconservatieven overboord gooien: het isolationisme, het streven om zo veel mogelijk afzijdig te blijven op het internationale plan. Uit het proces van globalisering trekken ze de les dat de interne en externe belangen van de VS inmiddels sterk met elkaar verweven zijn. Het voortbestaan en de welvaart van de natie zijn onherroepelijk afhankelijk geworden van de mate waarin ze erin slaagt zich als supermacht en modeldemocratie in de wereld te profileren. De sleutel tot een succesvol buitenlands beleid is volgens de neoconservatieven de executieve, in het bijzonder de president. Deze laatste moet autonoom en met ruime bevoegdheden kunnen opereren op het internationale toneel, waar tussen de verschillende staten een hobbesiaanse natuurtoestand heerst, maar waar tevens ruimte is voor uitzonderlijk staatsmanschap. Daarom moet de president worden ondersteund door een goed uitgeruste legermacht, maar door ook een publiek dat in crisistijden bereid is tot eensgezindheid en tot het brengen van offers. Daarin verschilt het neoconservatieve programma van de pragmatische Realpolitik die onder president Nixon werd gevoerd door Henry Kissinger.

Virtuoos

Tijdens het bewind van Reagans opvolger George Bush profiteren de neoconservatieven van het gekeerde politieke tij om hun macht en invloed te consolideren. Allerlei instituten en denktanks worden opgericht, zoals The Hudson Institute, The RAND Corporation en The American Enterprise Institute for Public Policy. Deze organisaties trekken academisch en journalistiek talent aan dat hun ideeëngoed van de nodige intellectuele en retorische armatuur kan voorzien, en dat de moderne media virtuoos kan bespelen.

Tijdens de jaren negentig, een periode waarin de democraat Bill Clinton voor acht jaar de fakkel overneemt, slaagt het neoconservatisme erin zich te handhaven. Met de desintegratie van het Oostblok nemen het activisme en het zendingsbewustzijn een hoge vlucht. Daarvan getuigt het roemruchte Project for the New American Century (let op het bepaald lidwoord), dat in 1997 wordt opgericht door William Kristol, de zoon van Irving Kristol en woordvoerder van een nieuwe generatie. In de beginselverklaring wordt uitgelegd wat ‘global leadership’ van de Amerikanen betekent: het uitbreiden en moderniseren van de militaire macht, het duidelijk onderscheiden van bevriende en vijandige staten (‘moral clarity’), het bevorderen van politieke en economische vrijheid in andere landen, en tenslotte het bouwen van een voor de VS veilige internationale orde. In de eenentwintigste eeuw valt het belang van de wereld samen met dat van de VS.

De principeverklaring van het Project for the New American Century (PNAC) wordt ondertekend door conservatieven van allerlei pluimage: oudgedienden uit de politiek als Richard Perle, Paul Wolfowitz, William Bennett, Donald Rumsfeld, Abraham Shulsky, Gary Schmitt, Dick Cheney, Jeb Bush, academici als Francis Fukuyama en Robert Kagan, maar ook leden van de Christian Coalition, de christelijke fundamentalistische rechterzijde, zoals John Ashcroft. Tijdens de eerste Irak-oorlog pleit het PNAC voor een uitbreiding van het front, en roept in 1998 president Clinton op tot een inval in Irak. In de weken die volgen op 11 september 2001 dringt het bij de nieuwbakken president George W. Bush aan op een grootschalig offensief tegen het terrorisme: het voortbestaan van de VS staat volgens hen op het spel, en de strijd moet beginnen in het Midden-Oosten. De zoon lijkt gevoeliger voor de argumenten dan de vader: een aantal PNAC-sympathisanten, onder wie Rumsfeld, Cheney, Ashcroft, Wolfowitz en Shulsky, krijgt een plaats in het beleid dat de reactie moet voorbereiden.

De neoconservatieve invloed op het beleid van de Bush-administratie is moeilijk in te schatten, maar lijkt minder groot dan algemeen wordt aangenomen. Hun financiële slagkracht en personeelsbestand zijn niet te vergelijken met die van oudere en grotere, eerder liberaal georiënteerde instituten als The Rockefeller Foundation en The Ford Foundation, maar evenmin met die van conservatieve organisaties als The Cato Institute en The Heritage Foundation. Het overgrote deel van de traditionele republikeinen staat bovendien argwanend tegenover hun internationale aspiraties en hun intellectuele bravoure. Wat hun invloed op de Amerikaanse president betreft, hebben verschillende commentatoren, zowel aan de rechter- als aan de linkerzijde, aangegeven dat die verbleekt in vergelijking met die van topfunctionarissen als Colin Powell en Condoleezza Rice, allebei traditionele conservatieven.

De straussianen

Al in een vroeg stadium zijn er contacten tussen de neoconservatieven en enkele academici die gespecialiseerd zijn in een discipline die op dat ogenblik dood is verklaard: de politieke filosofie. Auteurs als Allan Bloom, Walter Berns, Harvey Mansfield, Carnes Lord, Herbert Storing, Willmoore Kendall, Martin Diamond en David Epstein delen de diagnose dat de Amerikaanse liberale democratie in verval is geraakt. Wat deze auteurs onderling bindt, is dat allen verwijzen naar het werk van Leo Strauss als leermeester of als invloed op hun denken.

De diagnose van de ‘straussianen’ verschilt van die van de neoconservatieven, niet zozeer wat betreft de conclusies als wel wat betreft het vertrekpunt, de afgelegde weg en de reikwijdte. Hun analyse vertrekt van de ervaring van het totalitarisme in de twintigste eeuw, met name van de ineenstorting van de Weimarrepubliek. Die ervaring heeft volgens hen uitgewezen dat de liberale democratie met haar principes van vrijheid en gelijkheid enkele structurele zwakke plekken telt, en daarom steeds een krachtige verdediging behoeft. Dat laatste werd en wordt echter onmogelijk gemaakt door enkele diepgewortelde en met elkaar verwante ideeën die het moderne denken beheersen: het relativisme, dat alle waarden als gelijkwaardig poneert; het positivisme, dat een strikt onderscheid oplegt tussen zijn en behoren of tussen feiten en waarden; en het historicisme, de overtuiging dat alle menselijk denken historisch geconditioneerd is, zodat elke notie van een eeuwige, transcendente waarheid is uitgesloten. Deze drie ideeën hebben er voor gezorgd dat de prille democratie van Weimar zich niet adequaat kon verdedigen tegen de totalitaire retoriek: ze kon niet beargumenteren waarom haar kernwaarden en grondbeginselen te verkiezen waren boven de totalitaire principes. Daarom was ze niet opgewassen, noch tegen de reactionaire, noch tegen de revolutionaire krachten die haar ondermijnden. In een terugblik oordeelde Strauss over de Weimarrepubliek: ‘Als geheel genomen was het een trieste vertoning van gerechtigheid zonder zwaard, of van gerechtigheid die niet in staat was het zwaard te gebruiken.’ De straussianen wijzen in dat verband op de grote verantwoordelijkheid en het pijnlijke falen van de sociale en politieke wetenschappen: hoewel ze bloeiden als nooit tevoren, bleken ze door hun dogmatisch vasthouden aan de waardenvrijheid niet in staat het totalitarisme als zodanig te herkennen, laat staan het hoofd te bieden.

Keer het tij

Het lot van de Weimarrepubliek en het falen van de wetenschap houdt voor de straussianen een waarschuwing in met betrekking tot de Amerikaanse liberale democratie van de laat-twintigste eeuw. Die waarschuwing is wellicht het scherpst verwoord door Allan Bloom in zijn beststeller The Closing of the American Mind. In dit boek stelt Bloom vast dat relativisme, positivisme en historicisme gemeengoed zijn geworden in de Amerikaanse samenleving van de jaren tachtig – mede onder invloed van het Duitse denken (met name van Nietzsche, Weber en Heidegger) –, en dat ze hun stempel drukken op de binnenlandse en de buitenlandse politiek van de VS. Democratische instellingen, structuren, beleidsprincipes en waarden liggen onder vuur als louter machtsinstrumenten, het politiek en moreel onderscheidingsvermogen verzwakt, de publieke steun voor de Vietnam-oorlog brokkelt af en in de media en aan de universiteiten wordt de vraag openlijk gesteld of er werkelijk zo’n kwalitatief verschil is tussen de VS en de Sovjetunie.

Opnieuw, zo menen de straussianen, wordt de liberale democratie bedreigd, zowel van binnenuit als van buitenaf. En opnieuw lijken de sociale en politieke wetenschappen het te laten afweten als het erop aankomt het gevaar te herkennen en af te wenden. De principiële weigering van alles wat zweemt naar normativiteit in naam van neutraliteit en kritische distantie leidt uiteindelijk tot het prijsgeven van beide en tot overgave aan de tirannie. ‘De crisis van het westen bestaat eruit dat het westen onzeker is geworden over zijn doel.’ Deze diagnose van Strauss uit 1964 is door veel straussianen onthaald als een clarion call: een oproep het tij te keren.

Onsterfelijke roem

Dat doen ze, op een typisch Amerikaanse en typisch academische manier, door zich toe te leggen op de bestudering van het ‘Amerikaanse regime’, met name het politieke en intellectuele stichtingsmoment, gedocumenteerd in teksten als de Constitution en haar amendementen, de Bill of Rights en de Federalist Papers. Het model dat de vroede vaderen des vaderlands eigenlijk voor ogen stond, aldus de straussianen, was een gemengd regime, geïnspireerd door de klassieke oudheid: een democratie met een door het volk verkozen elite van ‘aristocraten’. Dat dubbele doel wordt weerspiegeld in de grondwet: voor de massa het moderne, liberale ideaal van ‘life, liberty and the pursuit of happiness’, ondersteund door morele en religieuze waarden; voor een kleinere groep met verder reikende politieke ambities het klassieke, aristocratische ideaal van onsterfelijke roem door staatsmanschap. Ook de vijanden van de VS worden in dit klassieke kader geplaatst, als ‘regimes’ met sterk verschillende en zelfs tegengestelde doelen en waarden. Met name in de Sovjetunie zien ze een moderne tirannie, die de wereld wil onderwerpen aan een ‘universele, homogene staat’, waarin geen plaats meer is voor politiek als botsing van uiteenlopende opvattingen van goed en kwaad. Vanuit dezelfde optiek wordt ook het universele project van de Verenigde Naties, steunend op het mensenrechtendiscours, met argwaan bekeken.

Enkele straussianen hebben zich niet beperkt tot de diagnose, en hebben de stap gezet naar de therapie: ze hebben de academie verlaten en zijn actief geworden in de politiek, hetzij als publicist, hetzij als ambtenaar. Overigens dienden de straussianen niet alleen onder republikeinse presidenten: enkele waren actief in de Clinton-administratie, anderen werkten voor democratische congresleden. Van de neoconservatieven hebben voornamelijk William Kristol, Paul Wolfowitz, Abram Shulsky en Gary Schmitt enige band met Strauss. Kristol promoveerde bij Harvey Mansfield, een leerling van Allan Bloom. Wolfowitz, Shulsky en Schmitt volgden ooit enkele colleges van Strauss, maar zijn niet bij hem gepromoveerd. Wolfowitz, vaak opgevoerd als opperhoofd van de neoconservatief-straussiaanse samenzwering, heeft inmiddels tegengesproken dat Strauss ook maar enige invloed heeft gehad op zijn beleid. Recent (27-12-03) deed de The New York Times de opvatting dat Strauss de peetvader van de neoconservatieven zou zijn af als één van de meest overschatte ideeën van 2003.

Strauss

Ongetwijfeld heeft de politieke inzet van de straussianen en hun neoconservatieve collega’s mee de grondslag gelegd voor de controverse die rond Strauss is ontstaan. De meest gehoorde beschuldiging, voornamelijk in omloop gebracht door de boeken van Shadia Drury, houdt in dat hij een rabiate antiliberaal en antidemocraat was. Strauss, zo luidt het, was een radicale volgeling van ‘foute’, totalitaire denkers als Plato, Carl Schmitt en Martin Heidegger. Met Schmitt zou hij de afkeer hebben gedeeld van de liberale neutralisering van het politieke en de verheerlijking van de strijd als datgene wat het leven van de mens waardevol maakt. Met Plato en Heidegger zou hij afwijzend hebben gestaan tegenover de moderne massacultuur en de overtuiging dat een filosofische elite het volk én de leider moest leiden met nieuwe mythen. Afgezien van de karikaturale en oppervlakkige voorstelling van alle auteurs die als getuigen à charge worden ingeroepen, zijn deze aantijgingen bijzonder merkwaardig. Want wie de moeite neemt om het werk van Strauss te lezen, stelt al snel vast dat hij zich over zijn twee illustere tijdgenoten juist uiterst kritisch uitlaat, en dat hij Plato neerzet als een denker die wars is van élke politieke ideologie.

Verheerlijking

In zijn werk heeft Strauss zich uiterst zelden uitgesproken over de politiek van zijn tijd, zowel de Amerikaanse als de wereldpolitiek. Voor zover bekend ging zijn sympathie eerder uit naar de republikeinen dan naar de democraten. Zijn voornaamste interesse en bekommernis was echter het voortbestaan van de filosofie, dat hij opvatte als een radicaal en ondogmatisch vragen naar wat de beste samenleving is, naar het voorbeeld van Socrates. Die mogelijkheid zag hij bedreigd door allerlei politieke en intellectuele stromingen ter linker- én ter rechterzijde die er prat op gingen een definitief antwoord te kunnen geven. Vanuit die optiek zou hij dan ook met gemengde gevoelens hebben gekeken naar de politieke activiteiten van zijn leerlingen en hun neoconservatieve collega’s. Vermoedelijk zou hij bedenkingen hebben gehad bij het neoconservatieve project om de geschiedenis te maken en de wereld actief te veranderen op grond van een intellectuele blauwdruk. In het ‘project voor de nieuwe Amerikaanse eeuw’ zou hij wellicht een symptoom hebben gezien van een nieuwe ideologisering van de politiek. De wijze waarop het buitenlands beleid van de Bush-administratie door de neoconservatieven argumentatief wordt onderbouwd, is immers een merkwaardig en bijwijlen incoherent mengsel van Realpolitik, verheerlijking van de oorlog en revolutionaire, zelfs utopische denkbeelden. Zo wordt enerzijds de overtuiging geventileerd dat op het niveau van de internationale politiek vrede de uitzondering is en oorlog de regel. Tegelijk wordt aan de VS de haast messiaanse opdracht toegeschreven om de wereld te verenigen onder het ideaal van de Amerikaanse liberale democratie.

Dom

Met Aristoteles benadrukt Strauss echter dat voor de filosoof het goede en het eigene – in casu de traditie van de Amerikaanse liberale democratie – niet samenvallen. Afgezien van het feit dat dit gegeven op zich al duidelijk maakt dat Strauss niet zonder meer in het conservatieve kamp kan worden ondergebracht, heeft hij uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de gevaren van een verabsolutering van het eigene: ‘Ook al scharen we ons achter de vlag van de westerse traditie, laten we op onze hoede zijn voor het gevaar verleid of geïntimeerd te worden tot een conformisme dat het einde zou betekenen van de westerse traditie.’ Strauss was er zich terdege van bewust dat de westerse traditie niet zo homogeen en niet zo solide is als menig straussiaan en menig neoconservatief graag wil doen geloven: ze is immers het product van een vruchtbaar maar krachtig spanningsveld tussen twee verschillende en zelfs radicaal tegengestelde tradities, de Griekse filosofische traditie en de joods-christelijk-islamitische openbaringstraditie. Waar de eerste de volmaaktheid van de mens ziet in het vrij en ongebonden stellen van de vraag naar het goede leven, ziet de laatste deze volmaaktheid in de onderwerping aan een goddelijke openbaring die claimt het ultieme antwoord op die vraag te zijn. Voor Strauss was dit ‘theologisch-politiek probleem’ hét vraagstuk bij uitstek waar hij zijn leven lang mee worstelde. Daarbij nam hij beide partijen volledig serieus en probeerde hij hun posities door te denken. De opvatting dat het openbaringsgeloof in de moderne samenleving noodzakelijk is als een groot verhaal ter bevordering van de maatschappelijke cohesie, deed hij dan ook af als ‘hetzij dom, hetzij godslasterlijk.’

Churchill

Wellicht zou Strauss begrip hebben kunnen opbrengen voor de bekommernis van de neoconservatieven om de toekomst van de politiek, maar hij zou zich tegelijk hebben afgevraagd of het hun bij al hun ijver niet ontbreekt aan de prudentie en de gematigdheid die hij kenmerkend achtte voor het klassieke politieke denken, en die hij nog meende aan te treffen in een staatsman als Winston Churchill. Zoals Strauss stelt, met woorden die evenzeer gericht zijn tegen de communistische verheerlijking van de arbeid als tegen de conservatieve verheerlijking van de strijd om erkenning: ‘misschien is het noch de oorlog noch de arbeid, maar het denken dat de menselijkheid van de mens bepaalt. Misschien is niet erkenning maar wijsheid het doel van de mens.’ Met de opvatting dat de zoektocht naar wijsheid het wezenskenmerk is van de mens, raken we aan de kern van Strauss’ denken. Hij zag deze menselijkheid bedreigd door visionaire politieke projecten en door een historicistisch-relativistisch denken. Uit deze bezorgdheid laat zich echter geen enkel politiek programma afleiden of legitimeren.

Hoe meende Strauss dan het gevaar voor de filosofie te kunnen keren, en welke houding nam hij daarbij aan tegenover de liberale democratie? Om met de laatste vraag te beginnen: hoewel hij, zowel op grond van zijn ervaringen als op grond van zijn onderzoek, een kritisch oog had voor de zwakheden van de liberale democratie – het risico van vervlakking, conformisme en tirannie – meende hij niettemin haar loyaliteit en erkentelijkheid verschuldigd te zijn. Erkentelijkheid, omdat Amerika hem als joodse vluchteling voor het nazisme had opgenomen, en loyaliteit, omdat het democratische stelsel met zijn constitutionele garanties voor vrijheid volgens hem ook een veilige haven kan vormen voor de filosofie.

Ideaal

Dit betekent evenwel geen oproep tot blinde en onvoorwaardelijke trouw. De liberale democratie is immers niet gediend met conformisten die haar lippendienst bewijzen, maar wel met kritische geesten die bezorgd zijn om haar voortbestaan, merkt Strauss op: ‘Het is ons niet geoorloofd vleiers van de democratie te zijn juist omdat we vrienden en bondgenoten van de democratie zijn.’ Vermoedelijk zou hij zich hebben kunnen vinden in de boutade van Churchill dat de democratie de slechtste regeringsvorm is, met uitzondering van alle andere vormen die ooit zijn uitgeprobeerd.

Als kritische vriend en bondgenoot van de democratie leverde hij dan ook de bijdrage die hij als academicus kon leveren: hij steunde met woord en daad het idee van liberal education, een vrije, brede en diepe geestelijke vorming, gesteund op de studie van grote auteurs. Deze vorming moet volgens hem een tegengif zijn voor het sluipende conformisme van de massacultuur, en een voedingsbodem voor onafhankelijke, kritische geesten. ‘Liberale vorming is de ladder waarlangs we proberen op te klimmen van de massademocratie naar de democratie zoals ze oorspronkelijk was bedoeld. Liberale vorming is het noodzakelijke streven een aristocratie te grondvesten als fundament voor de democratische massamaatschappij. Liberale vorming herinnert die leden van een massademocratie die oren hebben om te horen, aan de menselijke grootheid.’ Wie de wenkbrauwen fronst bij dit elitaire ideaal van geestelijke uitmuntendheid mag niet vergeten wie voor Strauss de model-aristocraat en het voorbeeld van menselijke grootheid is: de armlastige steenhouwer Socrates.

Literatuur:

- A. Bloom, The Closing of the American Mind, New York: Simon & Schuster, 1988.
- K. L. Deutsch, J. A. Murley (eds.), Leo Strauss, the Straussians, and the American Regime, Lanham: Rowman & Littlefield, 1999.
- R. Devigne, Recasting Conservatism: Oakeshott, Strauss, and the Response to Postmodernism, New Haven: Yale University Press 1994.
- S. Drury, The Political Ideas of Leo Strauss, New York: St. Martin’s Press, 1988.
- S. Drury; Leo Strauss and the American Right, Basingstoke: Macmillan, 1999.
- R. Kagan, Of Paradise and Power: America and Europe in the New World Order, New York: Knopf, 2003.
- L. Strauss, The City and Man, Chicago: University of Chicago Press, 1964.
- L. Strauss, Liberalism Ancient and Modern, New York: Basic Books, 1969.
- L. Strauss, The Rebirth of Classical Political Rationalism, Chicago: University of Chicago Press, 1989.
- http://www.straussian.net/
- http://www.newamericancentury.org/

Gerelateerde artikelen