11 minuten

Tegen de wereld

De cultuurkritiek van Michel Houellebecq

De Franse schrijver Houellebecq bekritiseert het moderne bestaan om zijn commercie, individualisme en ontspoorde seksuele moraal. Ondertussen dompelt hij zichzelf en zijn hoofdpersonen er volledig in onder. Een cultuurcriticus zonder politiek program.

Nemen we Michel Houellebecq eigenlijk wel voldoende serieus? Stoort hij ons wel genoeg? De Franse bestsellerauteur geeft in romans als Elementaire deeltjes en De mogelijkheid van een eiland de westerse samenleving er ongenadig hard van langs. Zijn debuut in 1991, een lang, bewonderend essay over de Amerikaanse schrijver van horrorverhalen H.P. Lovecraft, droeg de titel Tegen de wereld, tegen het leven. In die titel ligt al de kern besloten van Houellebecqs inzet als schrijver. Al zijn boeken getuigen van een onverzoenlijke negativiteit tegenover de wereld en het leven. Deze depressieve, negatieve houding dient als tegenwicht voor de ‘leugenmachine’, die elke samenleving volgens Houellebecq is. Dat schrijft hij in zijn roman Platform, als hij het Cuba van Fidel Castro vergelijkt met het ‘vrije westen’. Het enige verschil is dat het communisme op Cuba een haperende leugenmachine is, terwijl die van het Westen nog op volle toeren draait.

In al zijn romans attaqueert Houellebecq de leugens van de markteconomie en, nog provocerender, van het liberale individualisme. Hij scheldt op het feminisme en de psychoanalyse. Hij verkettert de islam als de ‘meest stompzinnige religie’, maar hij verafschuwt de Verenigde Staten, waar de brutaliteit van de vrije markt het duidelijkst zichtbaar is, nog meer. Hij ziet geen zwaarwegende ethische bezwaren tegen het klonen van mensen en heeft op z’n minst een dubbelzinnige verhouding tot de geneugten van het sekstoerisme.

Dat zijn opvattingen die buiten de context van een roman veel van zijn lezers tegen de borst zouden stuiten. Toch roept zijn werk nauwelijks weerstand op in Nederland. De lezers lijken zijn harde klappen wel prettig te vinden. Thomas Vaessens, kersvers hoogleraar Neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam, wil af van dit soort vrijblijvendheid. In NRC Handelsblad riep Vaessens onlangs op om de literaire autonomie weliswaar niet helemaal op te geven, maar wel om die minder stringent toe te passen: “Wat ik zou willen is dat schrijvers weer een rol gaan spelen in de opinievorming en dat de inhoud van hun boeken zichtbaar wordt in het publieke debat. Schrijvers moeten er weer toe gaan doen. Nu is de schrijver alleen in commercieel opzicht zichtbaar. Je hoeft hem niet serieus te nemen als een brenger van een nieuwe waarheid. […] Een gevaarlijke inhoud moet discussie aanzwengelen.”

Begeerte

Bij Houellebecq is die ‘gevaarlijke inhoud’ en, wie weet, misschien ook een ‘nieuwe waarheid’, onmiskenbaar aanwezig. Houellebecq hamert in zijn werk consistent op hetzelfde aambeeld. In zijn eerste roman, De wereld als markt en strijd, beschrijft hij de lotgevallen van een eenzame, depressieve computerprogrammeur. Hij kan niet mee komen in de narcistische seksuele veroveringsstrijd die volgens Houellebecq kenmerkend is voor westerse samenlevingen. De moderne wereld staat niet alleen in het teken van het economisch liberalisme, maar ook van het ‘seksueel liberalisme’, die een vergelijkbare kloof heeft doen ontstaan tussen de have’s en have not’s. “In een volkomen liberaal seksueel stelsel hebben sommigen een afwisselend, opwindend seksleven; anderen zijn veroordeeld tot masturbatie en eenzaamheid.” Voor een filosoof of een socioloog misschien een al te eenvoudig idee, maar als basis voor een roman zeker niet slecht.
In de opvolger, het geruchtmakende Elementaire deeltjes, overziet hij het erotische slagveld opnieuw en zoekt hij de oorsprong van de ‘erotische tweedeling’ in de samenleving in de illusies over ‘vrije liefde’ van de seksuele revolutie. De ‘bevrijding’ van de seksualiteit sinds de jaren zestig heeft er volgens Houellebecq slechts toe geleid dat de wetten van de markteconomie tot in de vezels van alle sociale en seksuele relaties zijn doorgedrongen (die twee zaken vallen bij Houellebecq vrijwel volledig samen.)

De roman beschrijft de lotgevallen van Bruno, die hopeloos verstrikt raakt in de nieuwe vrijheid, en de depressieve Michel, een bioloog die aan de basis blijkt te staan van de gekloonde wezens die de mensheid zullen vervangen. De roman wordt verteld vanuit het perspectief van een kloon in het jaar 2079. Onderscheid tussen man en vrouw bestaat niet meer. De erogene zones zijn bij deze klonen, die seksualiteit niet meer nodig hebben voor hun voortplanting, over hun gehele huid aangebracht, wat zorgt voor “nieuwe, ongeëvenaarde erotische gewaarwordingen”. Ook het ‘tegen het leven’ uit de titel van Houellebecqs eerste boek kan niet letterlijk genoeg worden genomen.

Zijn derde roman, Platform, is de meest conventionele. Opnieuw beschrijft Houellebecq de dictatuur van de markt over intieme relaties, maar nu vanuit Oost-West perspectief. De verteller, die wederom Michel heet, staat aan de basis van een succesvol reisbureau voor sekstoerisme, maar de idylle wordt ruw verstoord als islamitische extremisten een bloedige aanslag plegen op een Thais seksoord. In zijn meest recente roman, De mogelijkheid van een eiland, ten slotte, keert hij terug naar het perspectief van de klonen en een van hun menselijke voorgangers, de stand up comedian Daniel. Het posthumane tijdperk blijkt, anders dan hij suggereerde aan het slot van Elementaire deeltjes, toch geen collectief-erotisch paradijs te zijn. De klonen zijn zich steeds meer bewust van een onverdraaglijke nostalgie naar de strevingen die de mens juist zoveel ellende hebben bezorgd. Na de begeerte komt toch niet het onthechte paradijs, maar uitzichtloosheid, leegte en verveling.

Compromisloos

Een criticus die wèl uitgebreid is ingegaan op Houellebecqs cultuurkritiek is Arnold Heumakers in een essay over Elementaire deeltjes in NRC Handelsblad. Heumakers plaatst Houellebecq in de traditie van (neo-)conservatieve denkers en ondergangsprofeten als Allan Bloom, Alain Finkelkraut en Botho Strauss: “Wat hij schrijft over de verwoestende werking van het liberale individualisme, met zijn consumptiecultuur, narcistische seksobsessie, normverlies en uiteindelijk geweld, verschilt alleen door de literaire vorm van wat ook elders kan worden vernomen.” Omdat Houellebecq, bij al zijn pessimisme, wel de voortgang van de techniek en de wetenschap bejubelt, in ieder geval nog in de epiloog van Elementaire deeltjes, wijst Heumakers ook op de Duitse “conservatieve revolutie” van de jaren twintig en dertig. Hij ziet overeenkomsten tussen Houellebecq en Ernst Jünger en diens lofzang op ‘de arbeider’; “de vlees geworden techniek die als een moderne ‘Titaan’ de ‘Goden’ van de Olympus verdrijft”.

De vraag is of de karakterisering van Houellebecq als conservatieve doemprofeet de lading wel volledig dekt. Juist de ‘literaire vorm’, waar Heumakers tamelijk snel overheen stapt, roept vragen op. Houellebecqs cultuurkritiek onderscheidt zich van de meeste andere ondergangsdenkers, of die nu van links of rechts komen, doordat Houellebecq onlosmakelijk verbonden is met de wereld die hij beschrijft; een wereld die hij ondanks die verbondenheid ranzig en verwerpelijk vindt. Dat geeft zijn boeken hun zeggingskracht, en niet alleen het autobiografische De wereld als markt en strijd. In een interview in De koude revolutie zegt Houellebecq: “Persoonlijk zie ik maar één weg, namelijk om compromisloos de tegenstrijdigheden te blijven verwoorden waardoor ik word verscheurd, in de wetenschap dat die tegenstrijdigheden later zeer waarschijnlijk kenmerkend voor mijn tijd zullen blijken.”

In zijn cultuurpessimisme, dat is waar, tapt Houellebecq in hoge mate uit het bekende vaatje van de conservatieve cultuurkritiek: traditionele ‘joods-christelijke’ normen en waarden als opofferingsgezindheid en onbaatzuchtigheid zijn verslonden door ongebreidelde marktwerking. Maar Houellebecq houdt daarbij zichzelf, anders dan de meeste doemdenkers en ondergangsprofeten, niet buiten schot.

Seksueel nirvana

Zo kan hij in Platform het sekstoerisme in Thailand zowel beschrijven als een uitwas van de ‘vermarkting’ van seks, én als een aanlokkelijk seksueel nirvana, waarin elke behoefte is bevredigd. Houellebecq heeft de hypocrisie tot principe verheven. Maar hij doorziet zijn eigen positie zo genadeloos, dat hij de hypocrisie meteen neutraliseert.
Ook zijn vaak als plat en vlak omschreven stijl is geen bewijs van onmacht, maar een belangrijk onderdeel van zijn literatuuropvatting. Die stijl moet de leegheid en vervlakking van het moderne bestaan weerspiegelen. De literatuur, of het boek, biedt zo geen mogelijkheid tot ontsnapping. De kunst kan de wereld volgens Houellebecq niet veranderen. In dat opzicht is zijn literatuuropvatting, die door de nadruk op het lijden vaak in verband is gebracht met de Romantiek, juist buitengewoon on-romantisch.

Houellebecq doet zo precies het tegenovergestelde van wat in het aristocratische genre van de cultuurkritiek de norm is. Kenmerkend voor het cultuurpessimisme is een grote, bijna onoverbrugbare afstand tussen de schrijver en het onderwerp. De cultuurpessimist – van Nietzsche tot Spengler en Huizinga – beschrijft een wereld waarvan hij zelf geen onderdeel uitmaakt. Hoe kan hij er anders kritiek op hebben? Hij zit als het ware op een hoge berg, waardoor hij afstand en overzicht heeft ten opzichte van de krioelende massa, daar beneden. Impliciet of expliciet belichaamt hij een alternatief voor de zaken die hij aan de kaak stelt.

Houellebecq heeft die pretentie – of uitweg – niet. Hij kan een buitengewoon naargeestig beeld schetsen van een wereld die geregeerd wordt door commercie, en ondertussen zelf gedienstig meewerken aan het commerciële en publicitaire circus rond het verschijnen van zijn boeken. Hij kan foeteren op de vrijzinnige seksuele moraal in boeken die wemelen van de pornografische passages. Dat maakt zijn maatschappijvisie niet vrijblijvend, integendeel. Juist die dubbelzinnigheid zorgt ervoor dat het niet makkelijk is om schouderophalend aan zijn cultuurpessimisme voorbij te gaan. Houellebecq weet ten slotte waar hij het over heeft. Hij verwoordt zijn wanhoop over de westerse massacultuur door zich erin onder te dompelen. Als democratisch genre is het cultuurpessimisme misschien nog wel wanhopiger dan in de oorspronkelijke, aristocratische gedaante – of in ieder geval minder vrijblijvend.

Moreel links

De wereld van Houellebecq bevat geen hoop, of het moet de liefde zijn, maar die duurt in zijn boeken nooit lang. Ook de voortgang van technologie en wetenschap, die volgens Houellebecq bepalend is voor maatschappelijke ontwikkelingen, biedt geen uitkomst, zo blijkt in zijn laatste roman. De techniek geeft geen zin aan de geschiedenis, maar is veel eerder een noodlot. De gekloonde, nieuwe mens zal er komen, maar een pretje zal dat niet zijn. De schrijver wijst iedere pretentie van maakbaarheid af. In De koude revolutie omschrijft hij zijn personages als “politieke nihilisten”, en dat zijn ze inderdaad. Gemangeld tussen de begeerte die Houellebecq, met Schopenhauer en het boedhisme, als de oorsprong van het lijden ziet, en met de technologische vooruitgang als noodlot, rest de mens weinig anders meer dan onthechting en gelatenheid. Bij voorkeur een lucide, heldere gelatenheid. Meer zit er helaas niet in.

Ondanks zijn gefoeter op ‘moreel links’, vindt Houellebecq ook bij de meeste hedendaagse stromingen van het conservatisme nauwelijks aansluiting. Daar vindt zijn politieke nihilisme wellicht ook een oorsprong. Het neoconservatisme en het neoliberalisme hebben elkaar de laatste decennia in de armen gesloten. Dat staat ver af van het wereldbeeld dat Houellebecq vertegenwoordigt. De ‘Verlichtingsconservatieven’ die nu het debat domineren – van de Amerikaanse neocons tot hun Nederlandse geestverwanten rond Ayaan Hirsi Ali – staan juist op de bres voor de liberale waarden die Houellebecq verwerpt. Daarmee staat hij eigenlijk dichter bij de oorsprong van het conservatisme dat in de negentiende eeuw ontstond uit de afwijzing van de Verlichting en de Franse revolutie. Het neoliberalisme beschouwt hij als een totalitaire ideologie die het einddoel van de geschiedenis meent te hebben ontwaard, net als eerder fascisme en communisme en met even desastreuze gevolgen. De ‘marktstaat’ is de nieuwe heilsstaat. Een lofzang op de superioriteit en de ‘universele waarden’ van de westerse beschaving is bij Houellebecq ver te zoeken.

Marx

Tegenover de leugen of ‘fictie‘ van het individualisme, plaatst Houellebecq het collectief, al heeft hij dit collectivisme veel minder in detail uitgewerkt dan zijn kritiek op het liberalisme. Hij omschreef zichzelf eens als “communist, maar geen marxist”. Het individu kan in de eerste plaats ontsnappen aan de kooi van het ego door gelatenheid en onthechting. Houellebecq heeft daarnaast een warme belangstelling voor sektes; hij is ervan overtuigd dat een samenleving zonder religie niet kan voortbestaan. Zijn hang naar collectivisme verklaart ook zijn fascinatie voor klonen, per definitie het einde van het individualisme. Oprechte, onbaatzuchtige seksuele overgave en extase lijken zijn collectieve ideaal nog het dichtst te benaderen, maar een politiek programma valt daaraan moeilijk te ontlenen. In ieder geval heeft Houellebecq dat nog niet geprobeerd.

De onvoorwaardelijke afwijzing van liberalisme, individualisme en markteconomie, in naam van een collectief, zijn ernstig in diskrediet gebracht door de totalitaire experimenten van het communisme en het fascisme. Houellebecq trekt zich daar weinig van aan. Meer nog dan alleen met zijn kritiek op de markt, raakt hij met zijn afwijzing van het individualisme aan westerse maatschappelijke taboes – ook bij veel hedendaagse Verlichtings-conservatieven.

In de negentiende eeuw, de eeuw waarin Houellebecq zich het best thuis lijkt te voelen, was die afwijzing van het liberalisme natuurlijk niet voorbehouden aan rechts. Marx doet met zijn apocalyptisch beeld van de vervreemding van menselijke relaties onder de dictatuur van de markt niet onder voor Houellebecqs visie op ‘de wereld als markt en strijd’. Met Marx ziet Houellebecq het oprukken van de markt in de wereld als een onstuitbaar proces. Alleen gloort bij Houellebecq geen revolutionair licht aan de verre einder. Houellebecq kan zich, anders dan de meeste conservatieven, daarom ook niet echt druk maken over de bedreigingen van de radicale islam, hoe onaangenaam die ook zijn. De islamitische wereld zal geen verweer blijken te hebben tegen het westerse hedonisme.

Liefde

Etiketten als ‘links’ en ‘rechts’ blijven, in ieder geval in de actuele politiek-maatschappelijke constellatie, moeilijk op Houellebecq plakken. Dat komt ook door de dubbelzinnigheid van zijn bij uitstek literaire positie. Niet alleen ‘Tegen de wereld, tegen het leven’ valt als zijn credo te beschouwen. Hij heeft aan Platform de ondertitel Midden in de wereld gegeven. Zowel tegen de wereld als midden in de wereld; zo’n tegenstrijdigheid doet een filosofisch of sociologisch betoog geen goed, maar de literatuur leeft ervan op. Het idee dat boeken moeten bijdragen aan het verbeteren van de wereld, staat ver af van Houellebecq. Schrijvers die een politiek standpunt verkondigen, getuigen volgens hem van minachting voor de lezer. Misschien hebben de lezers dan toch gelijk, die grinniken om zijn ongeëvenaarde botheid, ontroerd zijn door zijn gehavende pleidooi voor de liefde, en daarna gewoon het boek dicht slaan.

Titels:

- De wereld als markt en strijd (1994).
- Elementaire deeltjes (1998).
- Platform (2002).
- Lanzarote (novelle, 2000).
- De mogelijkheid van een eiland (2005).
- De koude revolutie, bundel opstellen en interviews (2004).

Gerelateerde artikelen