11 minuten

Terugkeer & geschiedenis

Het klimaat in Estland en Slowakije

De Europese Unie heeft er tien landen bij. Met de inwoners van deze landen vormen we één gemeenschap. Wat weten we van hen? Deel 3 van een serie kleine portretten van het culturele leven in de nieuwe lidstaten.

Terug naar Europa

Piet Boerefijn

Het schiereiland Juminda, in het noorden van Estland, is prachtig. Ongerepte bossen, mysterieuze moerassen met elanden en kraanvogels en stranden waar je uren kunt lopen zonder er iemand tegen te komen. Juminda is ongeveer 45 vierkante kilometer groot en er wonen 317 mensen verdeeld over zeven gehuchten. Het gehucht Leesi, waar ik woon, heeft 32 inwoners. Men noemt Leesi de hoofdstad van Juminda omdat zich hier de enige winkel, postkantoor, kerk, begraafplaats en cultureel huis van het schiereiland bevinden.

Sinds de sluiting van de visverwerkende fabriek zeven jaar geleden is er geen werk meer en de meeste mannen zijn vertrokken of aan de drank – ze zitten vaak bier te drinken naast de winkel. Op zondags zitten er drie oude vrouwtjes in de kerk. Ieder jaar in april is er in het cultureel huis een concert van Jüri Homenja, op wie alle vrouwen gek op zijn, of van Vello Orumets, de Estische Henk Wijngaard. Op 23 juni wordt St. Jansdag gevierd, het feest van de langste dag is belangrijker dan kerstfeest. Er wordt dan een groot vuur gebouwd in het gehucht Aabla. Daar komt dan een hoempaband spelen, men danst de hele nacht rond het vuur en alle mannen zuipen zich volledig lazurus. De band speelt altijd het populaire zeemanslied Meremehe laul, waarvan het refrein eindigt met ‘Ja reisisiheks oli meile Rotterdam’ (‘Onze volgende haven was Rotterdam’). In augustus is er een 'Dorpendag' in Leesi waar de lokale muzikant oubollige deuntjes uit een astmatisch orgel tovert, waar heftig op wordt gedanst. Dat is alles. Juminda is heel mooi maar er is geen bal te beleven.

Wat een verschil met Pärispea, het volgende, meer oostelijk gelegen schiereiland. Dat is ongeveer even groot als Juminda en er wonen evenveel mensen. Maar sinds de komst van Jaan Manitski is het leven daar bruisend en dynamisch. Manitski was 1 jaar oud toen hij in 1943 met zijn ouders voor de Sovjets in een roeiboot naar Finland vluchtte. Via Finland kwam het gezin in Zweden terecht waar Jaan succesvol ondernemer werd, onder andere manager van Abba. Achtenveertig jaar later kwam hij terug naar Estland als hoofd van de privatiseringsmaatschappij. Later kocht hij de visverwerkende fabriek in zijn geboortedorp Viinistu op Pärispea. Visverwerking bleek echter niet winstgevend dus begon hij er een kwekerij voor oesterzwammen, en een museum. Het museum bezit inmiddels Estlands grootste collectie schilderwerken, met 400 bekende Estische schilderijen. In de voormalige fabrieksloodsen zijn ook een hotel en restaurant gebouwd en er worden bijna wekelijks theatervoorstellingen en concerten georganiseerd. Zomers is er een internationaal video-festival waar kunstenaars van heel de wereld naartoe komen. Al deze activiteiten trekken duizenden bezoekers uit heel Estland naar Viinistu waardoor de lokale autoriteiten zich genoodzaakt zagen de zandweg te asfalteren.

In 2001 kocht Manitski ook een nabijgelegen onbewoond eiland. Daar lopen twee geiten en er staat een 200 jaar oude vuurtoren met leegstaande dienstwoningen. Daar wil Manitski een klooster beginnen.

De laatste tien jaar heeft zich in Estland een ware revolutie voltrokken. Het land veranderde van communistisch in (extreem) liberaal en kapitalistisch. De economie werd drastisch hervormd en groeide als kool, het gemiddelde loon vertienvoudigde. Het land werd lid van de NAVO en nu ook de EU. Het platteland is nog steeds onderontwikkeld en arm maar de steden zijn inmiddels behoorlijk welvarend. In Tallinn wonen een half miljoen mensen met voor plattelandsbegrippen mega-salarissen. Iedere maand wordt wel ergens een nieuw winkelcentrum, galerie of nachtclub geopend en is er inmiddels een enorme keus aan horeca en uitgaansgelegenheden. 

Net als de economie heeft ook de Estische cultuur zich razendsnel hervormd en op dit moment is er helemaal niets meer dat nog aan de Sovjet-bezetting doet denken. De Esten hebben de Sovjet-cultuur altijd verafschuwd en na de onafhankelijkheid zijn zij met alle energie op zoek gegaan naar de eigen wortels en de oude banden met Europa. De voormalige Sovjet-cultuurpaleizen staan leeg, zijn gesloopt of omgebouwd tot nachtclub. De censuur en overheidsbemoeienis hebben plaatsgemaakt voor experiment, prettige chaos en een zoektocht naar nieuwe vormen en structuren. In leegstaande gevangenissen, kindertehuizen, papierfabrieken, raffinaderijen, sovchozen en mijnschachten worden op fantasierijke wijze concerten en perfomances gehouden en musea, fitness clubs, bowlingbanen, jongerencentra en discotheken gebouwd. Alles is mogelijk. De overheid is arm maar superliberaal. Zij bemoeit zich dus nergens mee en laat alles over aan privé-initiatief.

Jongeren in Tallinn bezoeken in het weekend de grote nachtclubs en zomers gaan zij naar de openluchtfestivals waar alle bekende Estische bands optreden zoals Terminaator, Smilers en Vanilla Ninja. De wat oudere Esten gaan naar concerten van Jäääär, Ulthima Thule en Dagö of naar de volksmuziekfestivals van Võru en Viljandi. Het belangrijkste Estische muziekevenement is zonder twijfel het Zangfestival dat iedere vier jaar word gehouden. Dat is uniek in de wereld omdat er – heel indrukwekkend – honderden koren met 20.000 zangers op een gigantisch podium staan. Dit zangfestival speelde in de jaren tachtig een belangrijke rol bij de Estische onafhankelijkheidsstrijd en het groeiende nationaal bewustzijn en was onderdeel van wat men hier noemt de ‘zingende revolutie’. In het licht hiervan was het ook een belangrijke stap in de Europese integratie toen Tanel Padar en de Nederlandse Arubaan Dave Benton voor Estland het Eurovisie Songfestival 2001 wonnen.

Gezien Estlands omvang (1,4 miljoen inwoners) heeft het een indrukwekkende klassieke muziekcultuur. Componisten zoals Arvo Pärt, Veljo Tormis, Eduard Tubin, Heino Eller en Erki-Sven Tüür zijn wereldberoemd evenals de dirigenten Eri Klas, Neeme Järvi en Tõnu Kaljuste. De laatste was chef-dirigent van het Nederlands Kamerkoor van 1998 tot 2002. Eri Klas was van 1996 tot 2003 chef-dirigent van het Nederlands Radio Symfonie Orkest.

Men zegt dat Estland na IJsland de meeste boeken per inwoner uitgeeft. Of dat klopt weet ik niet. In ieder geval zijn Esten net als IJslanders niet erg communicatief maar wel creatief, leergierig en intellectueel. Na tien jaar crisis is het aantal uitgegeven boeken de laatste jaren weer toegenomen. Het populairst zijn romans over esoterie en persoonlijke ontwikkeling. Jongeren lezen de provocerende Kaur Kender, ouderen lezen Jaan Kross.

Van Jaan Kross zijn drie boeken in het Nederlands vertaald, waaronder De Gek van de Tsaar. Het is een historische roman waarin een al te kritische adviseur van de tsaar gek wordt verklaard en verbannen naar het landgoed Võisiku in centraal Estland. Tien jaar geleden las ik het boek in een ruk uit. Niet lang daarna reed ik naar Võisiku omdat het landhuis te zien. Het huis bleek vervallen. Naast het huis stond een hoge muur van enkele honderden meters lang. Na wat zoeken vond ik een klein poortje met een gietijzeren hek waarachter ik een shockerend tafereel zag. In een grote tuin stonden en lagen honderden ‘gekken’, velen geheel ontkleed. Võisiku bleek een tehuis voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrisch patiënten. De 450 bewoners leefden er onder bijna middeleeuwse omstandigheden, nauwelijks verzorgd. Tientallen zaten opgesloten in kooien. Onder andere dankzij Nederlandse steun is de leefsituatie op Võisiku nu gelukkig dramatisch verbeterd.

Geschiedenis

Ludmila Cvikova

Eindelijk is het zomer, en ook een warme zomer hier. Ik zit aan een houten tafel op de veranda van mijn familiebuitenhuis in Slowakije, dat op tweehonderd meter van de grens met Tsjechië staat. Eigenlijk heet het gebied aan de overkant van de grens Moravië en de mensen lijken qua mentaliteit meer op de Slowaken dan op de Tsjechen – zeggen ze. De Tsjechen schijnen meer verwantschap te vertonen met de Duitsers. Ach ja, ik ben nooit zo goed geweest in de theorieën der naties. Zelf voel ik mij een wereldburger met respect en bewondering voor alle culturen.

Ik wacht op de komst van mijn Tsjechische vriendin Hedvika. Ze vlucht ieder jaar voor een paar dagen naar dit gebied, weg uit de hectiek van het toeristisch geworden Praag. Ons huisje staat in een natuurgebied, de Witte Karpaten, dat onlangs door de UNESCO tot beschermd werelderfgoed is verklaard. Maar de natuur en de rust zijn niet de enige redenen waarom Hedvika en ik elkaar hier jaarlijks in juli ontmoeten. Een andere aanleiding is de jaarlijkse bijeenkomst van Tsjechen en Slowaken op de berg Javorina. Daar treffen mensen elkaar die nog gevoelens van ‘Tsjechoslowakisme’ koesteren. Het is een groot folkloristisch feest van culturele en geestelijke verbondenheid van de twee volken. Eén van de aanhangers van het idee van Tsjechoslowakisme is de in 1994 overleden Tsjechische zanger Karel Kryl die als dissident jarenlang in Duitsland woonde. Hij heeft zich begin jaren negentig fel verzet tegen de tweedeling van zijn land. Achteraf gezien was hij met zijn denken verder en internationaler dan wie dan ook. Bovendien kon hij zijn liedjes in zes talen zingen, waaronder accentloos in het Slowaaks.

Ik daal de berg af richting de Slowaaks-Tsjechische grens om mijn vriendin op te wachten. Hoewel beide landen sinds 1 mei deel uitmaken van de Europese Unie, is de grens nog steeds gesloten en mijn Nederlandse paspoort wordt op deze op een kleine provinciale weg geplaatste douanepost ruim tien minuten uitvoerig bestudeerd. Hedvika’s passage gaat een stuk makkelijker. Tsjechen en Slowaken kunnen tegenwoordig met identiteitskaarten de grens over. Zal mijn droom, het opheffen van de grens tussen onze twee landen, terug naar zoals het vroeger was, ooit verwezenlijkt worden?

We zitten nu met z’n tweeën aan de houten tafel, met een fles uitstekende Moravische wijn. Beiden zitten we in het filmvak, waar we uren over kunnen praten. Maar niet alleen daarover. Vaak gaan ze gesprekken over de veranderingen in de voormalige Oostblok-landen. Voor mijn werk reis ik regelmatig door dit gebied en zo kan ik de ontwikkelingen goed waarnemen. Mijn vriendin volgt ze dagelijks van binnenuit.

Deze keer wil ik het met haar over iets specifieks hebben. Mijn hoofd zit vol over het tv-programma dat ik een paar dagen geleden, kort na aankomst in Bratislava, heb gezien. Ik wil haar mening horen.

Het gaat om een documentaire-film: Heb u naast lief (Miluj blížneho svojho). In de week voorafgaande aan de tv-vertoning, was er veel rumoer over geweest. Ik had er vaag iets over gehoord en was verbaasd over de ophef die deze film teweegbracht. Wees het op een wedergeboorte van interesse in de Slowaakse film? En dan ook nog eens in het moeilijk toegankelijke genre van de documentaire? Maar nee: het debat was ontstaan doordat de nieuwe directeur van de Slowaakse-tv de film niet op de publieke zender wilde vertonen, vanwege één zin. Wat is die zin, en is dit een nieuwe vorm van censuur, vroeg ik me af? Uiteindelijk ging de uitzending toch door, maar ze zou worden aangevuld met een debat na afloop.

Vol spanning had ik in Bratislava de uitzending bekeken. Na afloop van de documentaire begreep ik eerlijk gezegd niets meer van de ophef. Wat was er mis mee? Had ik iets gemist? Over welke zin had men het? De documentaire bestaat uit persoonlijke verhalen van joden uit het Slowaakse stadje Topolcany die daar in 1945 de naoorlogse pogrom hebben overleefd en nu allemaal in Israël wonen. Hun herinneringen worden geïllustreerd met historisch beeldmateriaal en hedendaagse beelden van het stadje dat nu geen enkele joodse inwoner meer telt. De documentaire is goed gemaakt, met veel respect voor de mensen en het onderwerp. Ze behandelt de geschiedenis van Slowakije, met als boodschap dat de geschiedenis zich niet zou moeten herhalen.

Ik was er blij mee, want ik ben van mening dat zolang mensen de trauma’s uit hun verleden niet verwerkt hebben, ze niet echt verder komen in hun ontwikkeling. Sommige landen gaan er makkelijker meer om, andere moeilijker. Slowakije hoort tot deze laatste categorie, denk ik.

Het debat tussen de tv-directeur, drie juristen, een socioloog, een historicus en een filmregisseur was vurig en interessant. Het ging eigenlijk vooral over algemene onderwerpen zoals censuur, de grenzen daarvan, de macht van een directeur, over de vrijheid van een kunstenaar/filmmaker, over het verwerken van het verleden. Maar na drie kwartier was ik nog steeds niets wijzer geworden. Waar lag nu het probleem? Het debat dat volgens mij over de film en zijn onderwerp moest gaan, had vooral een politiek karakter gekregen. Eindelijk kreeg ik dan toch te horen om welke zin het ging. Een huidige inwoner van Topolcany zei aan het einde van de documentaire: “Joden en zigeuners zijn een plaag en zonder hen zou het een betere wereld zijn.”

Ik dacht erover na en begreep waarom die zin door de regisseur, Dušan Hudec, in de film was geplaatst. Het is een feit in Slowakije: er bestaan mensen met dit soort meningen. En laten we eerlijk zijn, niet alleen daar. Het is goed om over dit soort onderwerpen openlijk te praten en ze niet te verbergen. De bij het debat aanwezige en zeer gerespecteerde filmmaker Dušan Trančík – Hudec zelf wilde niet met de tv-directeur in discussie – vergeleek de “nieuwe censuur” met “de censuur van lelijkheidvan het communistische regime, die kunstenaars verbood om “lelijke dingen te laten zien”.

De directeur van de tv leek een technocraat die een kunstwerk niet in zijn geheel kan beschouwen, maar slecht één zin ziet, volledig uit zijn verband gerukt. Een zin die volgens hem “tot xenofobie en haat zou kunnen oproepen”. Er valt nog veel te leren hier, dacht ik, terwijl ik het drie uur durende discussie volgde. Maar het was ook zeer aangenaam om te zien hoe dit soort intellectuele debatten, die ik in Nederland zo waardeer, nu ook hier plaatsvinden.

Op de veranda praat ik uitgebreid door met mijn Tsjechische vriendin over de documentaire en censuur en politiek, tot diep in de nacht. Dat xenofobie in meer of mindere mate overal te vinden is, in Tsjechië, in Europa. We spreken over de vrijheid en de boodschap van de filmmaker. De tijden zijn spannend, nu alles in beweging en ontwikkeling is – heerlijk! De stagnatie van de communistische tijd is voor altijd verloren. Hopelijk. Gelukkig.

Gerelateerde artikelen