6 minuten

Tocqueville en de angst voor het volk

De angst bij de elite voor het volk is van alle tijden. Tocqueville reisde in de 19de eeuw naar Amerika om te ontdekken of het volk de democratie aan kon. Het antwoord was: ja. Maar ideaal was anders, want de middelmaat regeerde.

Tot op welke hoogte kun je het volk vertrouwen? Kun je het uitrusten met politieke macht, en zo ja, hoeveel democratie kan het volk aan? Afgaand op de Franse ervaringen zal Alexis de Tocqueville (1805-1859) hebben gesidderd bij dergelijke vragen. Hadden het verloop van de Franse Revolutie of anders het Napoleontische keizerrijk niet afdoende bewezen dat het volk te betrekken bij de politiek een uiterst onverstandig idee was?

Geen van die twee gedenkwaardige episodes had Tocqueville, auteur van het klassieke De la démocratie en Amérique (1835, 1840), bewust meegemaakt, maar de gevolgen zag hij nog dagelijks om zich heen. Bij zijn vader bijvoorbeeld, wiens haar in één nacht grijs geworden was tijdens zijn gevangenschap onder de Jacobijnse Terreur. Of bij zijn neurotische moeder, wier familie in dezelfde periode was geguillotineerd, niet in de laatste plaats omdat haar grootvader, Guillaume-Chretien des Malesherbes, het gewaagd had de verdediging van koning Louis XVI te voeren tijdens diens proces voor de Parijse Conventie.

Vanaf 1789 deed het volk zijn intrede in de Franse politiek en steeds opnieuw was het op een drama uitgedraaid. Eerst was er de chaos, toen de Terreur, toen weer de chaos en tenslotte de Napoleontische dictatuur – nota bene per volksstemming gelegitimeerd. Volkssoevereiniteit: het was een lofwaardig principe, dat zeker, maar in Frankrijk, zo bleek steeds opnieuw, kon je het volk zelf maar het beste zo ver mogelijk van de politiek vandaan houden.

Kon het ook anders? Ja, het kon anders, heel anders zelfs, maar dat ontdekte Tocqueville pas toen hij in 1831 door Amerika rondreisde, officieel om er in opdracht van de Franse regering het gevangenissysteem te bestuderen, in werkelijkheid om de Amerikaanse democratie eens in bedrijf te zien en te kijken wat het betekende als, zoals in Amerika, de meerderheid regeerde.

Zoals Tocqueville tijdens de jaren twintig van zijn leermeester, de historicus François Guizot, had begrepen, had er zich in de Franse samenleving sluipenderwijs een radicale gedaantewisseling voltrokken. Van een aristocratie, een samenleving die werd gekenmerkt door een ongelijkheid van rechten en bestaanscondities, was zij geleidelijk verworden tot een démocratie, een samenleving die werd gekenmerkt door de gelijkheid van rechten en bestaanscondities. De Franse Revolutie zette de kroon op dat proces. Tegelijk herdefinieerde het ongelukkige verloop van die Revolutie de politieke vraag: Was er een politiek regime denkbaar dat recht deed aan het egalitaire karakter van de Franse samenleving, maar tegelijk een ordelijke en duurzame vrijheid garandeerde?

Amerika

Net als Montesquieu in de achttiende eeuw gedaan had, keek Guizot richting Engeland, maar Tocqueville betwijfelde of dat land het antwoord bood op de opgeworpen vraag. Beter was het te gaan kijken in Amerika, het land waar het idee van gelijkheid met de Pilgrimfathers aan land was gegaan en de démocratie in haar meest uitgekristalliseerde vorm viel waar te nemen.

Wat het politieke regime betrof: in Amerika regeerde het volk, maar wat bood de aanblik daarvan een contrast met de eerdere experimenten in Frankrijk! Volkssoevereiniteit was er geen sluimerend principe, leidde er niet tot chaos en werd er evenmin misbruikt door een kleine elite of een sterke man. Integendeel. “Het kwam tot uitdrukking in de gewoonten en de wetten, bewoog zich er vrijelijk en reikte er ongehinderd tot in zijn uiterste gevolgtrekking, ” aldus Tocqueville in De la démocratie en Amérique (eerste deel). Burgers namen er naar hartelust en in alle vrijheid deel in het politieke proces. In de dorpsvergadering van het township bijvoorbeeld, waar zij hun select-men kozen, volksvertegenwoordigers, die op hun beurt beslisten over allerlei zaken, van de aanleg van een weg, de bouw van een school tot de hoogte van belastingen. Werden in Frankrijk dergelijke zaken geregeld door de centralistische overheidsbureaucratie, niets daarvan in Amerika. Centraal gezag bestond er wel, maar dat liet de burgers op lokaal niveau vrij hun leven in te richten zoals hen dat goeddunkte. Kennelijk werkte het. Overal in het enorme land zag Tocqueville mensen druk met geld verdienen, dat wel, maar nergens ontwaarde hij een op drift geraakte massa bezig met het oprichten van een schavot.

Het ontbreken van een geprivilegieerde elite, vergelijkbaar met de Franse adel, verklaarde wat dat betreft natuurlijk al het een en ander. En ook de matigende invloed van de overheersende protestantse religie speelde mee, evenals de vrije pers of alle mogelijke manieren waarop Amerikanen zich organiseerden, van de liefdadigheidsvereniging tot de politieke pressiegroep. Maar uiteindelijk was het geheim van het succes van de Amerikaanse democratie volgens Tocqueville gelegen in de lange traditie van lokaal zelfbestuur. Steeds opnieuw herinnerde dit burgers eraan dat zij zelf richting aan hun bestaan dienden te geven. “Lokale bestuursinstellingen zijn voor de vrijheid wat scholen zijn voor de wetenschap: burgers krijgen de kans ervan te proeven en gewend te raken aan het gebruik ervan” (De la démocratie en Amérique). Het bracht hen bijeen en kweekte tegelijk de zo essentiële moeurs libres: die zeden en gewoonten die aan de basis stonden van het besef dat ‘vrijheid’ in de eerste plaats ‘onafhankelijkheid’ betekende – een besef dat in Frankrijk reeds lang voor het uitbreken van de Revolutie was verdwenen.

Middelmaat

Amerika bewees zo dat de toepassing van het principe van ‘macht aan het volk’ niet per definitie hoefde te leiden tot chaos, terreur en dictatuur. Was een democratie en het daarmee verbonden idee dat de meerderheid besliste, daarmee dus de ideale regeringsvorm? In De la démocratie en Amérique maakt Tocqueville onomwonden duidelijk dat dit niet het geval was. Zo was het hem opgevallen dat er in Amerika mensen met uitzonderlijke kwaliteiten rondliepen, maar dat die kwaliteiten bij de gekozen politici doorgaans ontbraken, met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit van wetten die zij maakten en het beleid dat zij voerden, die naar de smaak van Tocqueville nogal bedroevend was. Dat het volk regeerde, betekende ook dat de grootst gemeenschappelijke deler, de middelmaat, de norm was.

Maar hoe erg was dat? Volgens Tocqueville komt alles uiteindelijk neer op de vraag wat je van de samenleving en haar bestuur verwacht. Verwacht je een zeker raffinement van geest en manieren? Een zekere argwaan jegens materiele zaken? Gaat het je om vaste overtuigingen? Grandeur, splendeur en poëzie? Ben je uit op grootse ondernemingen die haar sporen nalaten in de geschiedenis? Kies dan niet voor een democratische staatsvorm. Denk je daarentegen dat de bevolking liever met rust gelaten wil worden dan betrokken bij heroïsche ondernemingen? Zie je liever ondeugden dan misdaden? Neem je er genoegen mee niet te leven in een briljante, maar in een bloeiende maatschappij? Gaat het je er niet om de natie als geheel zo krachtig of glorieus mogelijk te maken, maar gun je ieder losstaand individu zo veel mogelijk welvaart en zo min mogelijk ellende? Kies dan voor een samenleving op basis van gelijkheid en een regering van en door het volk.

‘Het volk aan de macht’, dat betekende veel lawaai en verspilde energie, maar Tocqueville prefereerde die ongerichtheid boven de rust en de orde van het despotisme. In Amerika dan, want in het Frankrijk waar hij leefde, maakte ‘het volk’ namelijk of geen, of juist zoveel kabaal, dat het lawaai ogenblikkelijk aanzwol tot een heuse revolutie. Daar waar rechten gelijk, maar bestaanscondities ongelijk waren gebleven en het onderscheid tussen ‘elite’ en ‘massa’ in alle opzichten nog steeds enorm was; waar religie haar opvoedende functie niet vervullen kon omdat haar priesters werden gewantrouwd; waar een almachtige bureaucratie de ontwikkeling van moeurs libres in de weg stond en niemand het eens was over een politieke vorm – daar, vond ook Tocqueville, dat het beter was de kloof tussen politiek (het establishment) en de burger nog even te laten bestaan. 

Literatuur:

- Marijn Kruk: “Het heden bedroeft mij en de toekomst verontrust mij”, Alexis de Tocqueville en de crisis in de Franse politiek; Utrecht, 2002.

Gerelateerde artikelen