19 minuten

Trajecten naar het Torentje

Hoe komen groene partijen aan de macht?

Samenwerken of standpunt matigen. Dat zijn de twee mogelijke wegen voor groene partijen naar landelijke regeringsverantwoordelijkheid, analyseert Simon Otjes op basis van vergelijkingen met Zweden en Finland. In veel gemeenten is GroenLinks al een doorgewinterde coalitiepartij. Vier fractievoorzitters vertellen over het wel en wee van lokaal regeren.

Op dit moment zijn er slechts enkele Europese landen met groene partijen in de regering, waaronder Zweden en Finland. Heel verschillend is de manier waarop de groene partijen in deze buurlanden aan de macht kwamen. De Finse Groene Liga (Vihreä liito), de eerste groene regeringspartij in een westers land, trad in 1995 toe tot een zogeheten regenboogcoalitie bestaande uit linkse en rechtse partijen. Ook in de huidige regering is dat weer het geval: de Groenen werden op 6 juni 2019 lid van een brede coalitie van sociaaldemocraten, de boerenpartij, een linkse partij en de Zweedse minderheidspartij. De Groenen leveren de ministers van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Milieu.

De Zweedse Milieupartij de Groenen (Miljöpartiet de Gröna) werd vijf jaar geleden juist coalitiepartner van de sociaaldemocraten. De Groenen hadden al jaren een productieve relatie met de sociaaldemocraten en gedoogden sinds de jaren negentig sociaaldemocratische minderheidskabinetten. De laatste jaren trokken de partijen ook richting de verkiezingen samen op en presenteerden ze zich als rood-groene coalitie tegenover de centrumrechtse alliantie van christendemocraten, boeren, liberalen en conservatieven. De Zweedse politiek wordt gedomineerd door deze twee blokken. Toen het linkse blok in 2015 de verkiezingen won, kwamen de Groenen in het kabinet. Ook na de verkiezingen van 2018 domineerde het rood-groene blok en gingen de Groenen opnieuw regeren. De partij leverde vier ministers: voor Milieu en Klimaat, Ontwikkelingssamenwerking, Huisvesting en Emancipatie.

Twee paden naar de macht

Groene partijen in Europa hebben de macht dus tot nog toe via twee verschillende paden veroverd. Ten eerste via het Zweedse pad, dat is gebaseerd op een pre-electoraal pact: de afspraak tussen een groene partij en een andere (vaak sociaaldemocratische) partij om na de verkiezingen samen te regeren. Zo kwamen niet alleen de Zweedse Groenen, maar ook de Groenen in Frankrijk, Italië, Denemarken en Nieuw-Zeeland in het kabinet. Groene partijen maakten sinds de jaren zeventig twintig keer deel uit van een coalitie. Elf keer daarvan waren ze onderdeel van een pre-electoraal pact. Blokvorming is een fundamenteel onderdeel van de manier waarop politiek bedreven wordt in landen als Denemarken, Zweden en Noorwegen. Maar ook politieke vernieuwers als Alexis Tsipras in Griekenland en Emmanuel Macron in Frankrijk gebruikten pre-electorale pacten om aan de macht te komen.

Ten tweede dus via het Finse pad, waar groene partijen optreden als vrije speler. Voorwaarde voor succes in dit traject, zoals het Finse voorbeeld laat zien, is dat de Groenen een gematigd programma hebben, zodat ze kunnen samenwerken met partijen op zowel links als rechts. Sinds de jaren zeventig zijn er in Europa meer dan 120 verkiezingen geweest waarbij groene partijen in het parlement kwamen. Ongeveer honderd keer hadden de Groenen geen pre-electoraal pact gesloten met andere linkse partijen. Van die honderd gevallen dat Groenen als vrije speler opereerden, kwamen zij slechts negen keer in het kabinet. Op één uitzondering na, het eerste kabinet-Schröder in Duitsland in 1998, waren dit coalities met ten minste één rechtse partij. De Finse Groenen kwamen op deze manier al vijf keer in de regering. Binnen de groene familie zijn de Finse Groenen meer gematigd, zeker op sociaaleconomische thema’s zoals belastingen en sociaal beleid. Daarom zijn ze in staat te regeren in brede coalities die in Finland altijd hebben bestaan uit ten minste één rechtse partij. De Luxemburgse en de Belgische Groenen regeerden in paars-groene combinaties met liberalen en sociaaldemocraten. De Ierse Groenen gingen zelfs helemaal over rechts. Dat een groene partij als vrije speler moet kunnen samenwerken met rechtse partijen, geldt niet alleen op het nationale niveau: de Duitse Groenen die op dit moment in de helft van de deelstaten aan de macht zijn, doen dat in veel verschillende constellaties. Op dit moment regeren ze even vaak met de liberale FDP of de Christendemocratische CDU als met de sociaaldemocratische SPD. Dit vereist grote flexibiliteit van de Duitse Groenen. Ook op het gemeentelijke en provinciale niveau in Nederland regeert GroenLinks vaak in brede coalities met rechtse en linkse partijen. Wil een linkse partij als vrije speler in het kabinet komen, dan moet deze in staat zijn compromissen te sluiten met een rechtse partij.

Formatiepogingen GroenLinks

De uitkomsten van de formaties waar GroenLinks eerder aan deelnam, zijn vanuit twee perspectieven te bezien. In 2006, 2010 en 2017 stond GroenLinks op de drempel van het kabinet. Alle keren moest de partij onderhandelen met CDA of VVD. De inhoudelijke en ideologische verschillen tussen GroenLinks en deze partijen zijn groot. Vanuit het Finse perspectief bekeken bleken deze verschillen te groot: in 2017 stapte GroenLinks uit de formatie vanwege het onderwerp migratie. In 2010 had GroenLinks weliswaar goede banden met vooral D66 en een verkiezingsprogramma met aanknopingspunten voor rechtse partijen, maar brak de VVD de formatie af vanwege de omvang van de bezuinigingen en koos de partij voor een coalitie met gedoogsteun van de PVV. In 2006 waren grote verschillen op groene en sociaaleconomische thema’s voor GroenLinks reden om de gesprekken over coalitievorming niet aan te gaan. Kortom, keer op keer bleek het lastig voor GroenLinks om tot inhoudelijke afspraken te komen met rechtse partijen. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de ChristenUnie in 2006 en 2017 de plek van GroenLinks innam in de formatie: de ChristenUnie heeft op sociaaleconomische onderwerpen een veel gematigder programma dan GroenLinks. Op de punten die voor deze partij het meest belangrijk zijn, toont de ChristenUnie zich bovendien heel pragmatisch: op het gebied van gezinsrecht en medische ethiek accepteert de ChristenUnie de status quo. GroenLinks staat in economisch opzicht verder van de VVD af en op een van de meest fundamentele punten voor GroenLinks – klimaatverandering – is een pas op de plaats voor de partij allesbehalve acceptabel.

Vanuit het Zweedse perspectief is er een andere verklaring voor het uitblijven van GroenLinkse regeringsdeelname. VVD, CDA en D66 waren voorafgaand aan de verkiezingen van 2017 overeengekomen om na de verkiezingen samen de kern van de nieuwe coalitie te vormen: het zogeheten motorblok. GroenLinks had de keuze zich aan te sluiten bij dit motorblok of niet. Een dergelijke verstandhouding van ‘samen uit, samen thuis’ ontbrak tussen GroenLinks en een van de andere partijen aan tafel. Het was denkbaar geweest dat D66 en GroenLinks samen de formatie met VVD en CDA waren ingegaan. In dat geval had de formatie niet stuk hoeven lopen op het migratiestandpunt van GroenLinks, omdat VVD en CDA zonder D66 weinig andere opties hadden om te regeren. Het gebrek aan samenwerking op links verklaart ook waarom GroenLinks na de verkiezingen van 2006 niet in het kabinet kwam: de relatie tussen GroenLinks en de PvdA was toen niet zodanig dat de twee partijen samen in de formatie optrokken.

De enige keer dat een voorloper van GroenLinks in de coalitie kwam, waren de relaties met D66 en PvdA veel beter. In 1971 en 1972 werkte de Politieke Partij Radikalen (PPR) samen met deze twee partijen. Zij sloten het Progressief Akkoord, hadden een gezamenlijk programma en presenteerden zelfs een schaduwkabinet. Na de verkiezingen van 1972 wisten ze door hun samenwerking het kabinet-Den Uyl te forceren. Het programma van de PPR deed qua radicaliteit niet onder voor het huidige verkiezingsprogramma van GroenLinks. Een van de punten was dat werknemers een grotere invloed moesten krijgen op beslissingen van bedrijven en moesten delen in de ondernemingswinsten, en grondspeculatie moest onmogelijk worden gemaakt. Het kabinet- Den Uyl nam beide punten op in zijn programma.

Geen garantie voor de grootste

Een veelgehoorde misvatting is dat een partij die veel stemmen krijgt vrijwel automatisch in het kabinet komt, en dat het voor GroenLinks dus vooral zaak is de grootste te worden. Natuurlijk gaat een partij met slechts een paar zetels niet regeren. Politiek in Nederland is tellen tot 76, en de partij die meer kan bijdragen aan die 76 zetels heeft meer kans in de regering te komen. Tegelijkertijd is regeringsdeelname ook met weinig zetels niet onmogelijk. De ChristenUnie zit nu voor de tweede keer in vijftien jaar in het kabinet terwijl deze partij nooit meer dan zes zetels heeft gehaald. Groene partijen uit Frankrijk en Italië zijn meerdere keren met minder dan 2 procent van de zetels aangesloten bij een coalitie. In Oostenrijk, Luxemburg en Denemarken werden Groenen met ruim meer dan 10 procent van uitgesloten van regeringsdeelname. In Nieuw-Zeeland kregen de Groenen onlangs na verlies van bijna de helft van hun zetels voor het eerst ministers. De sociaaldemocraten profiteerden van het verlies van de Groenen, kregen zo een sterke positie en konden het initiatief bij de formatie naar zich toe trekken.

Zelfs het grootste aantal zetels biedt geen zekerheid om in het kabinet te komen. Bij de formaties van 1971, 1977 en 1982 bleef de grootste partij in de Tweede Kamer, de PvdA, buiten het kabinet. Bij een meerderheid van de verkiezingen sinds 1967 in Nederland kwam een van de twee grootste partijen niet in de regering. Bij politiek gaat het met name om het zoeken van een meerderheid voor een nieuwe coalitie. De grootste partij heeft geen alleenrecht op regeringsdeelname. De fundamentele vraag is dan ook of partijen die een meerderheid hebben op basis van programmatische samenwerking en onderling vertrouwen samen kunnen optrekken.

Uitzicht op invloed

Wat betekent dit voor de strategische positionering van GroenLinks? Uit bovenstaande analyse vloeien drie opties voort: je kunt als partij in het kabinet willen komen, een heel duidelijk linkse koers willen varen, of onafhankelijk willen opereren. Op basis van de ervaringen van groene partijen in West-Europa zijn deze drie doelen lastig met elkaar te verenigen. Een groene partij met een uitgesproken links profiel heeft zonder linkse bondgenoten een heel kleine kans om in het kabinet te komen. Alleen als een groene partij onderdeel is van een pre-electoraal pact – de Zweedse route – is er ruimte voor een veel linksere koers. Programmatische overeenkomsten met centrum- of rechtse partijen zijn noodzakelijk om te kunnen regeren via de Finse route. Een partij die de ambitie heeft om in het kabinet te komen, kan het zich niet veroorloven om zich links te positioneren en tegelijkertijd volledig onafhankelijk te opereren. Het is dan ook te hopen dat de oproep tot linkse samenwerking van Jesse Klaver bij het dertigjarig bestaan van GroenLinks niet slechts bij woorden blijft.

Dit artikel richt zich op groene partijen die zetels hebben gehaald in West-Europese landen (België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden) en Australië, Nieuw-Zeeland en Canada. In Denemarken betreft het de Socialistische Volkspartij (Socialistisk Folkeparti), die lid is van de Europese Groenen en net als GroenLinks links-socialistische wortels heeft. We negeren in dit artikel regeringsdeelname van groene partijen in Centraal- en Oost-Europese landen. Gedurende de transitie naar democratie begin jaren negentig traden deze partijen kortstondig toe tot de regering. Ze verloren daarna snel hun zetels. Een enkele groene partij was daarna electoraal succesvol en kwam in de regering. Deze partijen, zoals de Litouwse Groene Partij, hebben een ander karakter dan GroenLinks: zij zijn bijvoorbeeld veel rechtser als het gaat om economische, culturele en morele thema’s. Dit artikel kijkt daarnaast alleen naar kabinetsformaties die volgden op verkiezingen.

Literatuur

  • Auers, D. (2012). “The curious case of the Latvian Greens.” Environmental Politics 21(3): 522-527.
  • Bale, T. & T. Bergman (2006). “A Taste of Honey is Worse Than None At All? Coping with the Generic Challenges of Support Party Status in Sweden and New Zealand.” Party Politics 12(2): 189-209.
  • Dumont, P. & H. Bäck (2006). “Why so few, and why so late? Green parties and the question of governmental participation.” European Journal of Political Research 45: 35-67.
  • Jungjohann, A. (2017). German Greens in Coalition Governments: A Political Analysis. Brussel: Heinrich Böll Stiftung/Green European Foundation.
  • Konttinen, A. (2000). “From grassroots to the cabinet: The Green League of Finland.” Environmental Politics 9(4): 129-134.
  • O’Brien, T. & N. Huntington (2018). “Chronicle of a death foretold: The Green Party of Aotearoa New Zealand and the 2017 election.” Environmental Politics 27(2): 373-378.
  • Ojik, B. van, Buitenweg, K., Eigeman, B., Scholten, L., Voortman, L., Wilt P. de (2007) Scoren in de linkerbovenhoek. Utrecht: GroenLinks.
  • Rihoux. B. & W. Rüdig (2006). “Analyzing Greens in power: Setting the Agenda.” European Journal of Political Research 45: 1-33.
  • Ylä-Anttila, T. (2012). “Does your child still vote for the Greens? The Green League and the Environment in the Finnish Parliamentary Elections 2011.” Environmental Politics 21(1):153-158.

Amersfoort: Stoer of kiezersbedrog?

Realistisch en stoer of principeloos en kiezersbedrog? De keuze van GroenLinks Amersfoort om als collegepartij het omstreden besluit voor de aanleg van de Westelijke rondweg te steunen, riep bij vriend en vijand vragen op. Na decennia van plannen maken en discussies, een boekenplank vol haalbaarheidsstudies en juridische procedures tot aan de Raad van State, ging de gemeenteraad van Amersfoort in december 2016 akkoord met de aanleg van het ontbrekende stukje rondweg. Kosten: ruim 68 miljoen euro, plus het verlies van drieduizend bomen. De GroenLinks-fractie stemde tegen en in het programma voor de verkiezingen van maart 2018 noemde de partij het “een doodlopende weg om het groeiende autoverkeer te blijven ondersteunen met steeds meer asfalt”. Maar toen de stemmen eenmaal geteld waren, wist GroenLinks het zetelaantal te verdubbelen naar zes en schoof de partij aan bij de coalitieonderhandelingen met D66, VVD en ChristenUnie. Met als resultaat een coalitieakkoord waarin onder andere de aanleg van de Westelijke ontsluiting werd opgenomen.

We zijn tegen, maar stemmen toch voor: hoezo? Dillian Hos, voorzitter van de GroenLinks-fractie, licht het besluit – voor de zoveelste keer – toe. “We hebben in de onderhandelingen geprobeerd het besluit ter discussie te stellen, maar dat bleek kansloos. Dan moet je kiezen: opstappen of verder onderhandelen en zoveel mogelijk voor jou andere belangrijke zaken binnenslepen. Dat laatste hebben we gedaan. Tegen de andere partijen hebben we gezegd: dat besluit over de Westelijke ontsluiting ligt ons zwaar op de maag. Willen we dat kunnen accepteren en uitleggen aan onze kiezers, dan moet er flink wat tegenover staan. Dat begrepen ze en mede daardoor is het ons gelukt afspraken te maken over onder andere een ambitieus klimaatbeleid, een autoluwe binnenstad, investeringen in groenontwikkeling en het afzien van bezuinigingen in het sociale domein.”

Maar het blijft lastig uitleggen, geeft Hos toe. De actiegroep Groen in Amersfoort laat geen gelegenheid onbenut om het besluit ter discussie te stellen. En toen onlangs begonnen werd met het kappen van de drieduizend bomen op en rond het tracé, laaiden de emoties weer hoog op. Zo hoog dat Hos moest besluiten haar telefoonnummer van de website van de gemeente te halen.

“Achteraf gezien hebben we te lang benadrukt dat wij die weg ook niet willen,” analyseert Hos. “We hadden van begin af aan steviger moeten neerzetten: dit is het, we steunen het uitvoeringsbesluit. Wij vinden het belangrijk om mee te besturen en dan moet je op sommige punten inleveren op je idealen.”

Het nemen van zo’n lastig besluit vereist een “mentale draai”, van de GroenLinks-politici, de achterban en van de GroenLinks-kiezers. Een draai die overigens betrekkelijk probleemloos gemaakt lijkt te zijn; zowel bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten als voor het Europees Parlement won GroenLinks in Amersfoort zetels. Hos: “Natuurlijk spelen daar landelijke factoren een belangrijke rol bij. Maar als de kiezers het echt niet begrepen hadden, waren we afgestraft. Nu hebben we berekend dat het besluit ons enkele honderden stemmen heeft gekost.”

Dillian Hos is fractievoorzitter van GroenLinks in Amersfoort. Sinds de verkiezingen van 2018, na een verdubbeling van het aantal zetels in de gemeenteraad, zit GroenLinks in het college samen met D66, VVD en ChristenUnie.

Zutphen: de grootste met ‘bezuinigen’ als opdracht

Na de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 ging bij GroenLinks Zutphen de vlag uit. De partij was met vijf zetels –  zes op 33 stemmen na – de grootste fractie geworden, een unieke prestatie in een kleine stad in het oosten van het land met relatief weinig jongeren. Met 50.000 inwoners en een verzorgingsgebied van 150.000 mensen, grootstedelijke problematiek en een veel te lage bijdrage van het Rijk, heeft Zutphen het sociaaleconomisch zwaar. Daar komt bij dat er de afgelopen bestuursperiode, waarin GroenLinks coalitiepartij was, veel ‘gedoe’ was in raad en college. Er werd zelfs een extern begeleider ingevlogen om partijen weer bij elkaar te brengen.

Onder dat gesternte de formatie leiden, brengt extra verantwoordelijkheid met zich mee, realiseerde fractievoorzitter Liza Luesink zich: “Ik stond meteen op scherp.” Na een eerste verkennende ronde met alle partijen schoven SP, PvdA, VVD en GroenLinks aan de onderhandelingstafel aan en lag er na twee maanden een coalitieakkoord. Luesink: “In zo’n onderhandelingsproces gaat het vooral over personen. Om er op inhoud uit te kunnen komen, is een voorwaarde dat de mensen aan de tafel elkaar vertrouwen. Ik waakte ervoor dat niemand afhaakte. Als ik bijvoorbeeld zag dat iemand achterover ging leunen en zijn armen over elkaar sloeg, sprak ik hem daar op aan: we zitten hier niet voor niks; zeg eerlijk wat je vindt.”

Het eindresultaat mag er zijn, vindt Luesink: een coalitieakkoord met een sterke focus op het sociaal en economisch versterken van Zutphen. “Het is ons gelukt door het hele akkoord een GroenLinks-lijn te trekken. We hebben Zutphen Energieneutraal in 2030 als doelstelling opgenomen en bijvoorbeeld ook artikel 1 van de Grondwet benoemd: iedereen hoort erbij en kan meedoen.”

Tot zover het goede nieuws. Kort nadat het nieuwe college van B en W van start ging, druppelden de eerste signalen binnen over de deplorabele financiële positie van de gemeente. Er moet de komende jaren structureel 13 miljoen euro bezuinigd worden, veel meer dan het bedrag waarmee bij het smeden van de coalitie rekening was gehouden. Aan wethouder Harry Matser van GroenLinks de taak hierin het voortouw te nemen. Luesink: “Met 65 miljoen aan Rijksbijdragen en meer dan 85 miljoen aan uitgaven in 2018 in het sociale domein, moet Zutphen na het tafelzilver nu ook de huisraad verkopen om het hoofd boven water te houden. We hebben in het coalitieakkoord prachtige doelen geformuleerd, maar de realiteit is dat er geen geld is voor nieuw beleid. Dat is zuur. Harry is wethouder van financiën, duurzaamheid, mobiliteit en bestuurlijke vernieuwing en we moeten waken dat onze ambities niet ondergesneeuwd raken door dat ene doel: aan het eind van de periode de financiën op orde.”

Dreigt voor GroenLinks Zutphen het lot van de PvdA in Rutte II: verantwoordelijkheid nemen om vervolgens door de kiezers afgestraft te worden? Luesink ziet het risico maar is optimistisch gestemd: “Onze wethouder windt er geen doekjes om en krijgt waardering voor zijn open en heldere optreden. Vrijwel iedereen in de stad begrijpt dat de bezuinigingen onontkoombaar zijn. Dat geeft ruimte voor creativiteit en innovatie. Initiatieven gericht op de energietransitie zijn daar een mooi voorbeeld van.”

Liza Luesink was tot mei dit jaar fractievoorzitter van GroenLinks Zutphen. Onder haar leiding won GroenLinks de gemeenteraadsverkiezingen in 2018. De partij vormt een college samen met SP, PvdA en VVD.

Renkum: “Moet het zwembad dicht of de bibliotheek?”

“Oppositie voeren vind ik niet per se makkelijker dan besturen. Een partij kan zich wellicht makkelijker profileren door kritische vragen te stellen. Maar ik stelde mezelf toen ook altijd de vraag: hoe zou ík het oplossen? Ik wilde dus niet alleen ‘tegen’ zijn, maar ook een alternatief bieden. Nu we meebesturen, proberen we dat alternatief waar te maken. Daarbij maakt het wel uit wat je positie als partij is. In 2014 waren we de kleinste fractie in de coalitie. Nu zijn we de grootste en wordt er ook meer van ons verwacht. Kunnen we onze ambities waarmaken? Inwoners en pers zijn soms best een beetje ongeduldig. ‘In de campagne hebben jullie dit en dat beloofd. Gebeurt er nog wat mee?’

Je loopt als lokaal bestuurder al snel tegen de grenzen van de macht aan. De centrale overheid heeft allerlei taken doorgeschoven naar gemeentes en daar gelijk flink op bezuinigd. Bijstand, jeugdzorg, welzijn, noem maar op. De dagelijkse praktijk is dat wij als gemeente moeten bezuinigen om die nieuwe taken uit te voeren. Er is dus weinig ruimte voor nieuw beleid. Moet het zwembad dicht of de bibliotheek, is bij wijze van spreken hier de dagelijkse vraag. Die grenzen en beperkingen die van bovenaf worden opgelegd, vind ik een groter probleem dan de samenwerking met coalitiepartners. Natuurlijk zijn er verschillen in prioriteiten en manieren van aanpak. Maar we hebben ook samen het gevoel met de rug tegen de muur te staan. Moet we hierop bezuinigen of daarop? Dat roept natuurlijk ook weer spanningen op binnen de coalitie omdat de ene partij andere prioriteiten stelt dan de andere. Maar als bestuurderspartij kun je ook dingen bereiken. GroenLinks heeft mede gezorgd voor een klimaatbeleid met concrete meetbare tussenstappen, en de invoering van nieuw afvalbeleid waardoor het scheidingspercentage van afval is gestegen tot ver boven het landelijke gemiddelde. Om succesvol te kunnen besturen, zijn visie en ambitie op de langere termijn nodig. En het besef dat veranderingen langzaam en in kleine stapjes gaan. Daarnaast is samenwerking belangrijk: zo nu en dan moet je je coalitiegenoten ook iets gunnen.”

Charlotte de Roo zit sinds 2010 in de gemeenteraad van Renkum. Vanaf 2014 zit GroenLinks daar ook in het bestuur en werd De Roo fractievoorzitter. GroenLinks bestuurt nu samen met D66, VVD en PvdA. In mei werd de Roo gekozen voor de Provinciale Staten.

Amsterdam: verwijt ‘arrogantie van de macht’ ligt op de loer

 “Oppositie voeren is een ander spel dan besturen, een ander vak. Zeker in ons geval. We zijn de grootste partij geworden en hebben veel van onze punten terug zien komen in het coalitieakkoord. De taak van de fractie is nu in eerste instantie ervoor te zorgen dat het akkoord ook goed en voortvarend wordt uitgevoerd. In de oppositie heb je meer mogelijkheden om kritisch te zijn, ook omdat de voorstellen niet van je eigen partij zijn. Maar als fractie lopen we zeker niet slaafs achter het bestuur aan. We zijn vooral bezig met vooruitdenken. Hoe kan het nog beter worden in Amsterdam? En er komen regelmatig nieuwe vraagstukken op die niet voorzien waren bij het schrijven van het coalitieakkoord. De fractie heeft daarbij de taak het GroenLinks-perspectief voor ogen te houden en GroenLinkse oplossingen aan te dragen.

Natuurlijk lopen we als besturende partij tegen allerlei grenzen aan. Belangrijkste is dat de speelruimte van de gemeente beperkt is. We moeten ons aan de wetten en regels van Den Haag houden en hebben maar heel beperkte ruimte om een eigen financieel beleid te voeren. We mogen niet zomaar een ander belastingsysteem invoeren bijvoorbeeld. Binnen de coalitie zijn tot nu toe geen grote spanningen geweest. De partijen staan ook redelijk dicht bij elkaar: we delen een links-progressieve visie. Als ik één punt moet noemen waarop we verschillen? D66 wil graag grote internationale  bedrijven naar de stad halen omdat dat goed zou zijn voor de werkgelegenheid. Wij zien dat anders. Voor de werkgelegenheid zijn die bedrijven niet nodig, er is al heel veel werk te doen op het gebied van verduurzaming en stedelijke ontwikkeling. Maar deze bedrijven zetten wél de woningmarkt nog meer onder druk. Een belangrijke vraag voor ons is: van wie is de stad? Wij vinden nadrukkelijk dat er voldoende  plek moet blijven voor mensen met een modaal en lager inkomen. In het coalitieakkoord zijn dan ook afspraken gemaakt over huisvesting en sociaal beleid.

We hebben met een aantal punten duidelijk ons stempel kunnen drukken op het beleid. De stad wordt autoluw, er is veel aandacht voor verduurzaming van de stad met een fonds van 150 miljoen euro en er komt 24-uursopvang voor ‘ongedocumenteerden’, zodat zij niet op straat hoeven te overleven.

Als grootste besturende partij staan we vaak in het middelpunt van de belangsteling. We kregen direct het verwijt van ‘arrogantie van de macht’, toen we de reclameletters I Amsterdam op het museumplein weghaalden. Maar voor kritiek moet je niet bang zijn. Wij hebben een goed verhaal en moeten dat met overtuiging naar buiten durven brengen. Wij staan voor transparantie van het bestuur. En positieve resultaten krijgen ook aandacht.

Hoe maak je de afweging of je wel of niet gaat mee besturen? Voorwaarde is dat je een langetermijnvisie hebt voor de stad: wat zou je partij voor de stad kunnen betekenen als je honderd procent van de stemmen had? Compromissen moeten wel een stap in de goede richting van die langetermijnvisie zijn. Als besturen betekent dat je tegen je eigen idealen in moet werken of alleen ad-hocbesluiten neemt zonder visie of ideeën, vraag ik me af of je wel iets te zoeken hebt in het bestuur.”

Femke Roosma is sinds 2018 fractievoorzitter van de tienkoppige fractie van GroenLinks Amsterdam. GroenLinks zit in het gemeentebestuur samen met D66, PvdA en SP.

Dit artikel staat in het hefstnummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen