14 minuten

Van links naar liberal

Tegenover het opkomend conservatisme moet links zich profileren als beschermer van de politieke en sociale vrijheidsrechten. Het wordt tijd dat in Nederland de term liberaal, net zoals liberal in de Verenigde Staten, een linkse betekenis krijgt.

Het zou een misverstand zijn te geloven dat het begrip ‘vrijheid’ een eigen politieke kleur heeft. Het is eerder een veelkleurig politiek begrip, dat voor links net zo belangrijk is als voor rechts. De politieke strijd om vrijheid ontvlamt wanneer de vraag rijst hoe vrijheid dient te worden bereikt.

Ik zal om te beginnen ingaan op een aantal bekende, onmisbare vrijheidsnoties. In de geschiedenis van de politieke filosofie zijn drie dominante opvattingen te ontwaren: negatieve, positieve en publieke vrijheid. De begrippen ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid worden vaak toegeschreven aan Isaiah Berlin, die ze in zijn bekende essay Two concepts of liberty (1958) uitvoerig besprak. Maar de begrippen zijn ouder en worden bijvoorbeeld al gebruikt door Jeremy Bentham en Immanuel Kant. De beroemdste definitie van negatieve vrijheid stamt waarschijnlijk van Thomas Hobbes. In zijn Leviathan (1651) schrijft hij: “Onder vrijheid verstaan we, in de eigenlijke zin van het woord, de afwezigheid van uitwendige belemmeringen.”

Intuïtief is dit een ijzersterk vrijheidsbegrip, vooral waar het gaat om persoonlijke vrijheid. Mijn vrijheid wordt door uitwendige belemmeringen beknot wanneer ik naar mijn werk wil gaan maar ik door een ongelukkig dichtgevallen deur in een kamer thuis wordt ingesloten. Iets dergelijks is het geval wanneer ik door de staat word gehinderd naar mijn werk te gaan. Toch rijst bij deze twee voorbeelden direct de vraag of Hobbes’ definitie de bedoelde soort van belemmeringen niet te weinig specificeert. Vanuit sociaal en politiek oogpunt lijkt de toevallig dichtgevallen deur toch een minder groot vrijheidsprobleem dan een moedwillige poging van de overheid om mij te beletten mijn beroep uit te oefenen. Aan het optreden van werkelijke pech is niets te doen, aan moedwillige interventies in mijn handelings- en keuzevrijheid in principe wel. En dat maakt een verschil. De meeste theoretici gaan er vandaag de dag dan ook vanuit dat onder negatieve vrijheid de afwezigheid van bewust opgeworpen uitwendige belemmeringen moet worden verstaan.

Nat pak

Het negatieve vrijheidsbegrip is vooral bekend uit de liberale en individualistische traditie. Waar mijn negatieve vrijheid wordt gewaarborgd, zijn in de eerste plaats mijn civiele vrijheidsrechten beschermd, zoals bijvoorbeeld het recht op bewegingsvrijheid, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van geweten, ondernemingsvrijheid en de vrijheid van godsdienst. Voorwaarde daarbij is wel dat ik ook aan anderen de negatieve vrijheid van ongewenste en doelbewuste inmenging in mijn privé-domein toesta. Ik kan klassieke grondrechten niet redelijkerwijze voor mijzelf claimen indien ik anderen die rechten niet toesta.

Negatieve vrijheid van inmenging veronderstelt volgens velen de positieve waarde van autonomie. Die waarde staat voor handelen ‘volgens eigen vrije wil’. Zo kan ik de autonome keuze maken met de fiets naar mijn werk te gaan, tenzij het hard regent en ik de auto of de bus neem. Ik maak die keuze op basis van de mij redelijk lijkende regel dat het goed is wat lichaamsbeweging te krijgen en aan het milieu te denken, maar niet ten koste van alles (in dit geval een nat pak). Ik kan ook de autonome keuze maken te gaan stemmen wanneer er democratische verkiezingen zijn, of mijn mond te roeren wanneer het politieke klimaat xenofoob wordt. Wat dergelijke keuzes autonoom maakt, is steeds dat ze volgens eigen vrije wil genomen zijn. Autonomie staat tenminste sinds de historische periode van de Verlichting centraal in de notie van positieve vrijheid. Zoals Hans Blokland het in de geest van Berlin samenvat: “Positieve vrijheid is het vermogen zelfstandig richting te geven aan, meester te zijn over, het eigen leven. Deze conceptie komt voort (...) uit de wens om zélf te kunnen kiezen en de gemaakte keuzen te kunnen rechtvaardigen door te verwijzen naar eigen ideeën en doeleinden” (in Wegen naar vrijheid, Boom, 1995).

Goelag

In de politieke filosofie is het echter geen uitgemaakte zaak dat negatieve vrijheid uiteindelijk altijd de positieve vrijheid van autonome personen dient. Klassieke verdedigers van negatieve vrijheid stellen dat negatieve vrijheid niet bestaat in het soort van keuzes dat erdoor mogelijk wordt (in dit geval: autonome keuzes), maar omdat mensen van nature het (door God gegeven) recht hebben op vrijheid van inmenging in hun privé-domein. Dit inzicht is afkomstig uit de natuurrechtelijke traditie van de zeventiende eeuw, die tot in recente jaren (in seculiere vorm) voortleeft in het werk van, bijvoorbeeld, Robert Nozick. Een consequentie van deze visie op de onvervreemdbaarheid van liberale grondrechten is dan bijvoorbeeld dat hoewel niemand mij mag voorschrijven welke levensbeschouwing ik moet aanhangen, ik op geen enkele manier verplicht ben iets te doen met mijn recht naar eigen inzicht een levensbeschouwing te kiezen; dat hoewel niemand mij mijn vrijheid van meningsuiting mag afnemen, dit recht nog niet veronderstelt dat ik een plicht heb mijn mening te uiten. Het recht op A wordt niet direct gespiegeld door de plicht tot A.

Voor dit klassiek liberale gezichtspunt is veel te zeggen. Het is praktisch gezien immers uiterst moeilijk om personen te dwingen tot autonoom handelen. Bovendien verstrikt degene die een dwang tot autonomie voorstaat zich meer principieel beschouwd al snel in een pijnlijke tegenspraak: het uitoefenen van externe dwang over een (vermeend) niet autonome persoon schaadt heel dikwijls de capaciteit van die persoon om autonoom, naar eigen inzicht te handelen. Hier stuiten we op een politiek-ideologisch paternalismeprobleem. Dit probleem speelde op grote schaal in het socialisme en in de sociaal-democratie, vandaag de dag steekt het de kop op in het seculier-humanistische liberalisme.

Het communisme en socialisme hebben lang uitgedragen dat de ‘eigenlijke’ positieve vrijheid van mensen schuilt in een onvervreemde verhouding tot hun arbeid. De bron van deze opvatting lag heel dikwijls in Marx. De vrije mens is een vrije arbeider, wiens autonome keuzes niet tegen zijn ‘eigenlijke’ belangen als arbeider mogen ingaan. Doen die keuzes dat wel, dan is dat een indicatie van het valse bewustzijn van de persoon in kwestie. Die werd naar de Goelagarchipel gestuurd, of tenminste toch uit partij of vakbond geweerd.

Het seculier-humanistische liberalisme, dat zich vandaag de dag in grote hernieuwde belangstelling mag verheugen, kent eenzelfde – hoewel vanzelfsprekend minder mensonterende – neiging om de ‘eigenlijke’ autonomiebehoeften van personen te kennen. Het verstrikt zich in Nederland recentelijk in vormen van godsdienst- en cultuurkritiek op ‘achterlijke’ culturen die een assimilatie van grote groepen burgers aan een seculier-liberale Leitkultur nodig zou maken (zie Hirsi Ali, Cliteur, Philipse). De eis tot ‘assimilatie’ – zich aanpassen aan een standaard die men zelf niet heeft geformuleerd en geaccepteerd – staat echter per definitie op gespannen voet met de liberale waarde van autonomie. Gedwongen assimilatie sluit autonomie uit.

De verhouding tussen negatieve en positieve vrijheid schuilt mijns inziens niet in een paternalistisch aan personen op te leggen plicht tot autonoom handelen op basis van liberale grondrechten. De waarde van autonomie wordt in een werkelijk liberale samenleving niet opgelegd, maar met veel geduld en tolerantie met argumenten en in praktijken geïllustreerd. Dat is de prijs die voor een werkelijk liberale omarming van autonomie moet worden betaald.

Slaaf

Met publieke vrijheid duid ik tenslotte op een republikeins vrijheidsbegrip met wortels in het Romeinse politieke denken en het politieke denken van de Renaissance. Het wil een alternatief bieden voor de tegenstelling tussen negatieve en positieve vrijheid. Met republikeins is hier overigens niet de bekende antimonarchistische positie bedoeld, maar de politieke theorie die burgers een grote verantwoordelijkheid toeschrijft bij het onderhouden van wetten en civiele deugden. Centraal staat de res publica, de publieke zaak.

Het publieke vrijheidsbegrip stelt dat aan vrijheid niet (het negatieve aspect) essentieel is dat we met rust worden gelaten. Heel dikwijls immers ervaren we onze vrijheid juist in sociale activiteiten waarin we van harte toestaan dat mensen onze negatieve vrijheidsruimte ‘betreden’. Ik ben vrij om op het scherp van de snede gebruik te maken van mijn vrijheid van meningsuiting, maar het kan zeer in mijn voordeel zijn wanneer iemand mij dat met het oog op de gevolgen voor mij of geadresseerden afraadt. Ik ben vrij om te menen dat de overheid zich niet met mijn levensonderhoud heeft in te laten, maar ik kan als ik dat wens gebruik maken van het door de overheid aangeboden stelsel van sociale voorzieningen. Een goed advies en een goede vorm van zorg worden zelden als vrijheidsbeperking ervaren. Daarvan is pas sprake wanneer het niet langer aan míj is om te beslissen of ik dat advies ook opvolg. Waar het een vrije persoon om zou moeten gaan is kennelijk niet de vrijheid van interventie als zodanig, maar de macht om zelf te kunnen bepalen welke vormen van inmenging in ons privé-domein we wel dulden, en welke niet. Die macht is de publieke macht – en vrijheid – van de burger die zich idealiter vertegenwoordigd weet in wetgevende, politiek uitvoerende en rechtsprekende macht. De hoogste vorm van vrijheid is de vrijheid de condities waaronder we leven te kunnen controleren en, voor zover mogelijk, vorm te geven. Wie niet beschikt over die vorm van vrijheid, is vanuit republikeins gezichtspunt een horige of een slaaf.

Halsema

Drie vrijheidsbegrippen dus: ‘negatieve’, ‘positieve’ en ‘publieke vrijheid’, en ik zou nu willen stellen dat geen van drieën op zichzelf kan staan. Ze moeten worden begrepen als noodzakelijke aspecten van iedere verdedigbare politieke vrijheidsopvatting. De negatieve vrijheid om met rust gelaten te worden, de positieve vrijheid om voor zover mogelijk meester te zijn over het eigen leven én de publieke vrijheid om de politieke condities van persoonlijke vrijheid te kunnen controleren, keren terug in iedere vrijheidsopvatting voor een liberaal-democratische samenleving. Echter, over de betekenis en onderlinge verhouding van deze aspecten van vrijheid bestaan in Nederland momenteel grote verschillen van mening. Wie die verschillen in kaart wil brengen moet in ieder geval de volgende twee vraagstukken onderscheiden.

Als eerste bestaan er grote meningsverschillen over de vraag welke invullingen van persoonlijke vrijheid zich verdragen met de uitoefening van de politieke vrijheid van de burger. Hier zien we in de hedendaagse politiek twee dominante posities: de ene positie stelt dat de invulling van onze persoonlijke vrijheid zich dient te oriënteren op gedeelde waarden en normen uit de westerse, in ons geval de Nederlandse cultuur. Dit neemt dan wel de vorm aan van seculier-humanistisch liberalisme (Hirsi Ali, Cliteur, Philipse), dan wel de vorm van conservatief gemeenschapsdenken (Balkenende, de Edmund Burke Stichting). Opmerkelijk is dat beide posities het niet zo nauw nemen met de scheiding tussen waarden uit de publieke en de private aspecten van ‘onze’ cultuur. De consequent uitgedragen idee is immers dat de goede burger dan wel een seculier humanist is, dan wel een conservatief maar door en door rechtstatelijk georiënteerd lid van de gemeenschap. Het nauwelijks verholen doel van deze visies op burgerschap lijkt te zijn de maatschappelijke integratie van met name islamitische migranten te bespoedigen door middel van de eis van culturele assimilatie. Men is bang dat wanneer die eis niet wordt gesteld, met name migranten zich te zeer zullen overgeven aan een waardering van bijvoorbeeld hun etnische of religieuze identiteit.

Degenen die zich hiertegen verzetten benadrukken dat de scheiding tussen private en publieke waarden ook in tijden van dreigende maatschappelijke desintegratie in het oog gehouden dient te worden. Zij zien instemming met ‘private’ waarden en normen niet als voorwaarde van acceptabele vormen van persoonlijke vrijheid. In deze hoek vinden we de politiek-liberale posities van Femke Halsema en Wouter Bos. Dergelijke posities kenmerken zich door een verdediging van een liberaal-democratische politiek zonder fundamenten in seculier humanisme of de joods-christelijke traditie. Burgers worden geacht om eigen redenen te kunnen instemmen met de uitgangspunten van de politieke en rechtscultuur, om het even of het daarbij nu handelt om atheïsten, christenen, islamieten, joden, humanisten, of aanhangers van welke andere levensbeschouwing dan ook. Wat niet kan, is dat om het even welke burger een democratisch uitgevaardigde wet overtreedt. Het is opmerkelijk dat het vandaag de dag niet de traditionele liberale partijen – VVD en D66 – maar de steeds vaker als links-liberaal aangemerkte partijen – PvdA en GroenLinks – zijn, die zich opwerpen als beschermers van de individuele vrijheid van meningsuiting, van geweten, van godsdienst van alle burgers. De van oudsher conservatieve bezorgdheid over de tirannie van de meerderheid in democratische samenlevingen lijkt vandaag de dag bij links hoger op de agenda te staan dan bij rechts.

Verdienste

Naast dit ethisch-politieke vraagstuk is er een tweede kwestie: de aloude sociaal-economische vraag over de voorwaarden voor het kunnen realiseren van onze persoonlijke en politieke vrijheden. Dit is het gebied van de klassieke tegenstelling tussen rechts en links, tussen markt-liberalisme en sociaal-democratie. Het is van belang in te zien dat het een misvatting is dat politiek rechts niet in de vormgeving van sociaal-economische voorwaarden van vrijheid geïnteresseerd is. Ook rechts gaat er niet vanuit dat er werkelijk vrije markten bestaan en dat elke ingreep in markten misplaatst zou zijn. Op markten en in ongelijke toegang tot markten kan een overheid ingrijpen, ter bevordering van de vrijheid van haar burgers. Zowel rechtse als linkse politiek houden zich daarmee bezig.

De centrale vraag voor links en rechts luidt dus niet: wie is er voor een vrije markt en wie voor een gecontroleerde? De vraag is veel eerder: wie is er voor de grootst mogelijke aandacht voor de vrijheid van op de markt relatief goed gepositioneerden, en wie voor de vrijheid van hen die sociaal-economisch in de verdrukking zitten. Zo zwart-wit als deze tegenstelling is geformuleerd, denk ik dat ze de werkelijke politieke verhouding tamelijk goed weergeeft. Op de achtergrond speelt hier de vraag van verdienste en de wenselijkheid van een meritocratie.

Politiek rechts gaat er uiteindelijk vanuit dat degenen die goed gepositioneerd zijn op de markt – en dat zijn op eigen merites – niet mogen lijden onder de gebrekkige verdiensten van diegenen die op de markt slecht gepositioneerd zijn – en dat over zichzelf hebben afgeroepen. Politiek links heeft er lang over gedaan om te begrijpen dat politiek rechts met dit principe in hoofdlijnen gelijk heeft (en nog is niet iedereen overtuigd). Hierdoor zijn de politieke tegenstellingen op sociaal-economisch terrein kleiner geworden. Ze betreffen nu: ten eerste de vraag welke kansenongelijkheden het gevolg zijn van verwijtbare gebrekkige verdienste en welke buiten de invloedssfeer van het individu liggen; ten tweede de noodzaak en de feitelijke vormgeving van strategieën ter herverdeling van economische kansen; ten derde de criteria voor financiële ondersteuning van op de markt gewenste capaciteiten (onderwijs, gezondheidszorg, sociale voorzieningen); en als vierde de meer fundamentele kwestie of het principe van economische verdienste niet te dominant is geworden als principe van maatschappelijke erkenning.

Liberals

Wanneer we nu ten slotte de vraag stellen welke politieke vrijheidsconceptie links zou kunnen hanteren, hebben we het meeste werk al gedaan. Een linkse vrijheidsconceptie wordt samengesteld door negatieve, positieve en publieke vrijheidsaspecten te combineren tegen de achtergrond van keuzes in de net besproken ethisch-politieke en sociaal-economische vraagstukken. Het is eenvoudig noch wenselijk om politici voor te schrijven hoe die combinatie en detail moet worden gemaakt. Wel kan ik afsluiten door te wijzen op een aantal voor de hand liggende en een aantal meer verrassende vaststellingen. Ik beperk me daarbij tot vragen die spelen op het politiek-ethische speelveld, omdat dit vandaag het belangrijkste speelveld lijkt, waarop de meest principiële verschillen van mening optreden. Laat ik voor de aardigheid met de wellicht meest verrassende beginnen.

We kunnen vaststellen dat links vandaag de dag een groter respect aan de dag legt voor de klassieke liberale vrijheidsrechten dan rechts. We hebben gezien dat rechts op het politiek-ethische vlak eisen stelt aan private levensbeschouwingen die niet of nauwelijks in evenwicht te brengen zijn met respect voor klassieke vrijheden en grondrechten. Niet rechts maar links waakt vandaag de dag over negatieve vrijheden en de betrouwbaarheid van de rechtsstaat. Wat hier ontbreekt is een politieke profilering van linkse partijen als de hoeders over negatieve vrijheden. Ongehinderd door een aandrang tot seculier evangelisme of verdediging van eigen land, ongehinderd door de oude socialistische idee dat het bestaande rechtssysteem uiteindelijk slechts de gefortuneerden ten goede komt, ligt hier een profileringsopdracht voor links. Zoals liberals in de Verenigde Staten juist waar het gaat om de bescherming van klassieke grondrechten het meest principiële jongetje van de klas zijn, is het bij de opkomst van het nieuwe conservatisme tijd dat de term liberaal in Nederland een dergelijke linkse betekenis krijgt.

Handdruk

Waar de beperking van de macht van de overheid over onze negatieve vrijheidsruimtes ter discussie staat, moet gesproken worden over de democratische rechtstaat, en daarmee over onze publieke vrijheid. Conservatief gemeenschapsdenken en seculier humanisme bedreigen de publieke vrijheid van burgers. Niet het algemeen belang, maar het belang van cultureel dominante groeperingen lijkt voorop te staan in rechts-liberaal denken. De publieke, op televisie vertoonde, reactie van minister Verdonk op de niet tot stand gekomen handdruk met een imam die hiervoor op beleefde toon religieuze redenen aanvoerde, spreekt hier boekdelen. Liberaal rechts heeft het geduld en het respect voor liberale principes verloren om zich in te zetten voor de zware praktijk van het uithouden van maatschappelijke verwarringen en conflicten vanuit de idee dat een oplossing van problemen niet ten koste mag gaan van respect voor eenieder die zich aan de wet houdt. Zoals bleek in de weken na de moord op Theo van Gogh kan dat leiden tot een situatie waarin burgers worden ingedeeld in categorieën die niets met burgerschap te maken hebben: religie, etniciteit, cultuur, etc. Hoewel het op dit gebied onmogelijk is causale verbanden aan te wijzen, lijkt het zeer waarschijnlijk dat juist die vermenging van levensbeschouwing, cultuur en burgerschap heeft bijgedragen aan een klimaat waarin inperkingen van de publieke vrijheid van vele burgers mogelijk is geworden. Immers, wie in politieke debatten niet als burger wordt beschouwd, maar als gelovige of behorend tot een bepaalde cultuur, wordt uit de kring van hoeders van de publieke vrijheid gestoten.

Zowel uitsluiting als assimilatie schaden de negatieve en positieve vrijheidsrechten van burgers. Links staat voor de keuze voor een duidelijk minder dogmatische, liberalere lezing van de positieve vrijheidswaarde van autonomie dan die van rechts. Autonomie is een universele en geen exclusief westerse waarde. Wie bij een principieel respect voor de democratische rechtstaat en een adequate scheiding tussen burgerschap en andere identiteiten autonomie als uitgangspunt van positieve vrijheid begrijpt, heeft behoefte aan een samenhangend verhaal over pluralisme, tolerantie en publieke vrijheid in een open samenleving. Hoe een dergelijk verhaal in de huidige samenleving dient te worden vormgegeven, is een constante vraag voor publiek debat en wetgeving. Dat wil zeggen: het wordt vormgegeven waar burgers gebruik maken van hun publieke, democratische vrijheden en de integriteit van de democratische rechtsstaat bewaken. In de publieke vrijheid schuilt vandaag de dag misschien wel sterker dan in de twee andere vrijheidsaspecten de kern van het vrijheidsdebat: wie wordt in staat gesteld de condities van zijn vrijheid te bewaken, wie wordt langs formele dan wel informele weg van die vrijheid uitgesloten – en wordt aldus van zijn vrijheid beroofd, een moderne horige? Die vraag is in Nederland opnieuw actueel.

Gerelateerde artikelen