3 minuten

Verkleedpartij

Column Andrée van Es

Als ik in de stad mensen zie lopen met in beide handen enorme tassen van de Primark, bekruipt mij een machteloze kwaadheid. In plaats van ze toe te schreeuwen: ‘doe dat nou níet’, loop ik gegeneerd verder. Ik voel me een anachronistische activist, die niet begrijpt dat er mensen zijn die iedere week iets nieuws willen kopen en dragen, als uitdrukking van onze vrijheid - bijna als mensenrecht. Zelfonderzoek leert dat ik nog gevormd ben door de gedachte dat kleding een gebruiksartikel is en geen verbruiksartikel.

Mijn vader heeft de hogere textielschool doorlopen. Zijn leven lang zou hij stoffen tussen zijn vingers nemen om te voelen of ze goed waren. Ik heb dat overgenomen van hem. Niets zo mooi als een goed geweven stof. Ooit heb ik op de middelbare school een vermaakte broek gedragen van degelijke zwarte lakenstof, met destijds modieuze wijd uitlopende pijpen maar afkomstig van een oud ambtskostuum van een diplomaat dat mijn moeder op een veiling had gekocht.

Ik moet er aan denken als ik de verkleedpartij op Prinsjesdag zie. Waarom niet weer het ambtskostuum invoeren, in plaats van ieder jaar weer nieuwe gekkigheid met politieke boodschappen laten ontwerpen - zo’ n slecht voorbeeld in een tijd die om duurzaam gedrag roept.

Stijliconen van weleer konden het zich veroorloven om er een leven lang hetzelfde uit te zien. Vandaag de dag wil het overgrote deel van de mensheid, aangemoedigd door hedendaagse fashionista’s, juist het liefst iedere week iets anders. En dus moet mode steeds goedkoper, iets waar ketens als Primark – symbool geworden voor de vluchtige kledingindustrie - gretig op insprongen. Zo kregen we naast een boterberg een textielberg.

Op straat puilen de kledingbakken met weggegooid textiel uit. Om ons schuldgevoel te dempenDe wereld voeden is nog steeds een probleem, maar de wereld kleden zou dat niet moeten zijn. Er zijn schrikbarende cijfers over de kilo’s textiel die ongedragen vernietigd worden. Met veel moeite worden convenanten met de kledingindustrie gesloten en toch hangen er iedere drie weken nieuwe collecties in de rekken.

Over de productieprocessen, arbeidsomstandigheden en hongerlonen komt mondjesmaat zorgwekkend nieuws naar buiten. Op straat puilen de kledingbakken met weggegooid textiel uit, om ons schuldgevoel te dempen: de kleding die wij afkeuren, komt toch nog goed terecht? Wat is het probleem? 

Ik heb wel eens geflirt met de gedachte een duurzame kledinglijn op te zetten. Die zijn er inmiddels gelukkig wel. Maar veel en veel belangrijker is de moeizame weg terug: meer willen betalen voor kleding die langer mee gaat. Voor doorgewinterde politieke activisten is het verleidelijk en in zekere zin ook gemakkelijk om de kledingindustrie aan te klagen. Maar daarmee zijn we er niet. Want onze persoonlijke identiteit lijkt steeds nauwer verbonden met wat onze kledingkeuze uitstraalt.

Ook al zien veel mensen er somber makend hetzelfde uit; het feit dat jij deze week uit het overaanbod weer net dat ene T-shirt uit de rekken hebt kunnen vissen, geeft een prettig gevoel. De voldoening duurt slechts kort, maar is toch fijn. Ga er als politieke partij maar aanstaan dat te willen veranderen.

Misschien toch een strategie om de Primark terug te dringen uit het straatbeeld?

Deze column staat in het winternummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen