3 minuten

Vertrouwen

Ik heb mijn eerste AOW te pakken en tot mijn verbazing deed me dat toch iets. Het gaf me niet zozeer een gevoel van ‘oud zijn’, maar juist van trots. Ik heb het toch maar mooi gehaald, dacht ik, toen ik naar het eerste bankafschrift keek waar de Sociale Verzekeringsbank op prijkte als afzender. 66 jaar en vier maanden. Daags na het ontvangen van mijn eerste AOW werd die leeftijd voor twee jaar gestold in het Pensioenakkoord. Een verstandige maatregel.

Nu heb ik al die jaren geen zwaar lichamelijk werk verricht. Dus ja, in een trager tempo kan ik ook nog doorwerken. Mijn hoogst particuliere gevoel ‘ik heb het gehaald!’ is meer verbonden met een ander maatschappelijk verschijnsel: om me heen zie ik leeftijdgenoten, vaker nog mensen die wat jonger zijn, voor wie het bereiken van de AOW-leeftijd hun redding is. Omdat zij de bankencrisis van 2008 en de daarop volgende economische crisis niet goed doorgekomen zijn. Ontslaggolven, reorganisaties, het niet verlengen van tijdelijke arbeidscontracten, het stranden van carrières, arbeidsongeschiktheid. Het schrale zzp-bestaan ook, als uitweg.

Natuurlijk is het voor veel mensen intussen alweer goed gekomen. Maar toch is er iets kapot gegaan, en dat heeft te maken met vertrouwen. Het basale vertrouwen dat je, als je maar goed je best blijft doen en gezond blijft, gewoon je baan kunt houden. Het is te zien de onzekerheid van veel ouders over de toekomst van hun kinderen. Niet zo gek, als je tot je door laat dringen hoeveel kinderen opgroeien in armoede. Het is ook te zien aan jonge mensen die het onzekere zzp-bestaan toch verkiezen boven een vaste baan in een voorheen vertrouwenwekkende arbeidsorganisatie: de loyaliteit aan het bedrijf die van hen verwacht wordt, is bijna nooit wederkerig dus waarom zouden ze zich binden? Wie nu afstudeert als onderwijzer of verpleegkundige, wordt juichend binnengehaald; voor ICT-ers geldt dat al helemaal. Maar hoe lang duurt dat nog? En wordt de mooie belofte van ‘een leven lang leren’ waargemaakt?

Ik zie twintigers en dertigers met burn-out-klachten vanwege de hoge werkdruk, en anderen die met hun opleiding geen baan kunnen vinden. Als klap op de vuurpijl lopen de leden van de vakbeweging met duizenden tegelijk weg: van de belangenbehartiger van de werkende mens wordt weinig heil meer verwacht.

Terwijl het langetermijnperspectief - AOW en pensioen - naar achteren schuift, worden kortetermijnbeslissingen luchtiger genomen. “Ik wil nog geen vaste baan, ik zie het wel”. In het besef dat de  generaties die nu de arbeidsmarkt betreden hoe dan ook veel meer dan veertig jaar zullen moeten werken, lonkt de vrijheid. En geef ze eens ongelijk.

Ik sta met mijn mond vol tanden. Ik, van de generatie vrouwen voor wie de economische zelfstandigheid voorwaarde was voor welke bevrijding dan ook. In mijn beleving was er altijd sprake van een soort scheidslijn, waarbij je moest zorgen dat je aan de goede kant stond. En die goede kant betekende: werk, waardoor je niet afhankelijk bent van een uitkering en je huis uit komt. Na 44 jaar werken, weet ik: ik heb mazzel gehad. Mazzel dat ik aan de slag kon, me kon blijven ontwikkelen. Dat ik verschillende banen heb gehad en niet vastzat aan één werkgever. Ik kon overuren kon maken en korter werken al naar gelang mijn omstandigheden. Die mazzel gun ik iedereen. Dat kost geld, maar daar krijgen we wel het vertrouwen van een nieuwe generatie voor terug. Hoe onbetaalbaar is dat?

Dit artikel staat in het hefstnummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen