15 minuten

Vrijheid is vooruitgang

Vooruitgang gaat niet over economische groei maar over het vergroten van sociale, economische en politieke vrijheden. Dat geldt voor arme én rijke landen, zo betoogt Sen.

In de vorige Helling (nr. 3) en daarna ook in dag- en weekbladen is uitvoerig gediscussieerd over vrijheid naar aanleiding van de bundel Vrijheid als ideaal, van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Het begrip ‘vrijheid’ blijkt nogal wat verwarring op te roepen, het wordt door velen geassocieerd met rechts en gezien als het tegenovergestelde van sociaal. Als bijdrage in die discussie hieronder een tekst van de Indiase econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen, bekend vanwege zijn onderzoeken naar armoede. Het jaarlijks verschijnen van het Human Development Report van de UNDP is het rechtstreekse gevolg van zijn werk. Onderstaande tekst is de inleiding van het boek Vrijheid is vooruitgang (2000).

Mijn betoog is dat we vooruitgang kunnen zien als een proces waarin de echte vrijheden van mensen worden uitgebreid. Deze gerichtheid op menselijke vrijheden staat in contrast met beperktere opvattingen van vooruitgang, waarin deze bijvoorbeeld wordt vereenzelvigd met de groei van het bruto nationaal product, met de stijging van individuele inkomens, met industrialisatie, met technologische innovatie of met maatschappelijke vernieuwingen. De stijging van het bruto nationaal product of van individuele inkomens kan natuurlijk zeer belangrijk zijn als middel om de vrijheden van de leden van de samenleving te verruimen. Maar vrijheden worden ook bepaald door andere factoren, zoals sociale en economische voorzieningen (bijvoorbeeld faciliteiten voor onderwijs en gezondheidszorg), alsmede politieke rechten en burgerrechten (bijvoorbeeld de vrijheid om deel te nemen aan openbare discussie en kritisch onderzoek). Evenzo kunnen industrialisatie, technologische vooruitgang of maatschappelijke vernieuwingen aanzienlijk bijdragen tot de verruiming van menselijke vrijheden. Als ontwikkeling bevorderlijk is voor vrijheid, dan is dit een belangrijk argument om ons te richten op deze overkoepelende doelstelling en niet op specifieke middelen of een of andere lijst van speciaal uitgekozen instrumenten. Als we ontwikkeling bezien in het licht van de verruiming van fundamentele vrijheden, dan richten we de aandacht op de doelen die deze ontwikkeling belangrijk maken, en niet slechts op enkele van de vele middelen die een grote rol spelen in het proces.

Ontwikkeling vereist dat de belangrijkste bronnen van onvrijheid worden geëlimineerd: armoede en tirannie, een gebrek aan economische kansen en systematische sociale vormen van gemis, de verwaarlozing van openbare faciliteiten en intolerantie of overmatige activiteit van onderdrukkende regimes. Ondanks de ongekende toename van de totale rijkdom blijven in de wereld van nu enorme aantallen mensen – mogelijk zelfs de meerderheid – verstoken van basisvrijheden. Soms heeft het ontbreken van fundamentele vrijheden direct te maken met economische armoede, die de mensen de vrijheid ontneemt om hun honger te stillen, zich voldoende te voeden, geneesmiddelen te bemachtigen tegen behandelbare ziekten, of de kans op geschikte kleding of huisvesting, de beschikking over schoon water of sanitaire voorzieningen. In andere gevallen heeft de onvrijheid te maken met het ontbreken van openbare faciliteiten en sociale zorg, bijvoorbeeld epidemiebestrijdingsprogramma’s, georganiseerde faciliteiten op het gebied van gezondheidszorg of onderwijs, effectieve maatschappelijke instituten voor de handhaving van orde en rust. In nog weer andere gevallen is de schending van vrijheid een direct gevolg van het feit dat een autoritair regime de samenleving politieke rechten of burgerrechten ontzegt, of de leden sterk beknot in hun vrijheid om deel te nemen aan het sociale, politieke en economische leven van de gemeenschap.

Effectiviteit

Vrijheid is om twee verschillende redenen onontbeerlijk voor het proces van ontwikkeling. 1) Uit het oogpunt van beoordeling: vooruitgang moet vooral worden beoordeeld op het criterium of de vrijheden van de mensen zijn verbeterd. 2) Uit het oogpunt van effectiviteit: het hangt in sterke mate af van de vrije handelingsbekwaamheid van mensen of vooruitgang wordt verwezenlijkt.

Ik heb de eerste reden (beoordeling) reeds gesignaleerd. Als we ons richten op de tweede (effectiviteit), moeten we kijken naar de relevante empirische verbanden, met name de elkaar versterkende verbanden tussen verschillende soorten vrijheden. Door deze onderlinge verbanden, waarop ik in Vrijheid is vooruitgang tamelijk uitvoerig inga, komt vrije, duurzame handelingsbekwaamheid naar voren als een belangrijke motor achter vooruitgang. Niet alleen is vrije handelingsbekwaamheid een wezenlijk onderdeel van ontwikkeling, maar zij draagt ook bij tot de versterking van andere soorten vrije handelingsbekwaamheid. De empirische samenhangen die in deze studie uitgebreid worden onderzocht, vormen de schakel tussen de twee aspecten van het idee van ‘vrijheid is vooruitgang’.

De relatie tussen individuele vrijheid en de verwezenlijking van sociale ontwikkeling gaat veel verder dan het verband van ‘een wezenlijk onderdeel’, hoe belangrijk dit ook is. Wat mensen in positieve zin kunnen bereiken, wordt mede bepaald door economische kansen, politieke vrijheden, maatschappelijke krachten en door andere factoren die hun ontwikkeling mogelijk maken, zoals goede gezondheid, basisonderwijs en de mate waarin initiatieven worden gestimuleerd en gecultiveerd. De institutionele voorzieningen voor deze kansen worden ook beïnvloed door de mate waarin en de manier waarop mensen gebruik maken van hun vrijheden, door de vrijheid om deel te nemen aan het proces van sociale keuze en de totstandkoming van beleidsbeslissingen van overheden en openbare instanties die de vooruitgang van deze kansen aandrijven. Ook deze onderlinge verbanden worden onderzocht.

Zwarte Amerikaan

Met enkele eenvoudige voorbeelden kan ik illustreren welk verschil het maakt wanneer we vrijheid zien als het hoofddoel van ontwikkeling. De volledige reikwijdte van dit perspectief komt pas naar boven in een veel uitgebreidere analyse (waartoe ik in Vrijheid is vooruitgang een poging onderneem). Maar het radicale karakter van het idee van ‘vrijheid is vooruitgang’ valt gemakkelijk te illustreren met enkele elementaire voorbeelden.

Eerste illustratie: in het kader van de engere opvattingen van vooruitgang – afgemeten aan de groei van het bruto nationaal product of industrialisatie – wordt vaak de vraag gesteld of bepaalde politieke of sociale vrijheden al dan niet ‘bevorderlijk zijn voor ontwikkeling’. Onder deze vrijheden vallen bijvoorbeeld de vrijheid om deel te nemen aan de politiek of de toegang tot basisonderwijs. In het licht van de fundamentelere opvatting van ‘vrijheid is vooruitgang’ komt in deze vraagstelling niet het belangrijke inzicht aan de orde dat deze genoemde fundamentele vrijheden ook tot de samenstellende componenten van ontwikkeling behoren. We hoeven hun relevantie voor de vooruitgang niet opnieuw te bewijzen aan de hand van de indirecte bijdrage die ze leveren aan de stijging van het bruto nationaal product of de bevordering van de industrialisatie. Het geval wil dat deze vrijheden óók zeer effectief bijdragen tot de economische vooruitgang. Hoewel dit oorzakelijke verband beslist van belang is, staat het los van het feit dat deze vrijheden rechtstreeks een wezenlijk onderdeel van ontwikkeling vormen.

Mijn tweede illustratie heeft te maken met de discrepantie tussen inkomen per hoofd (zelfs na correctie voor prijspeil) en de vrijheid van individuen om een lang en goed leven te leiden. De inwoners van Gabon, Zuid‑Afrika, Namibië of Brazilië zijn misschien qua bruto nationaal product per hoofd een stuk rijker dan de inwoners van Sri Lanka, China of de deelstaat Kerala in India, maar de laatste hebben een veel hogere levensverwachting dan de eerste.

Om een ander voorbeeld te geven: vaak wordt opgemerkt dat het zwarte volksdeel van de Verenigde Staten arm is vergeleken met blanke Amerikanen, maar wel een stuk rijker dan mensen in de derde wereld. We moeten echter wel beseffen dat de zwarte bevolking van de Verenigde Staten absoluut gezien een kleinere kans heeft om een rijpe leeftijd te bereiken dan de mensen in een groot aantal samenlevingen in de derde wereld, zoals China of Sri Lanka of delen van India (met andere voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en gemeenschapsbanden). Als ontwikkelingsanalyse zelfs voor rijkere landen belangrijk is (en in het boek betoog ik dat dit inderdaad het geval is), dan zijn dergelijke contrasten tussen groepen in rijkere landen duidelijk een belangrijk aspect voor het inzicht in ontwikkeling en onderontwikkeling.

Markt

Mijn derde illustratie heeft te maken met de rol van markten als onderdeel van het ontwikkelingsproces. De huidige ontwikkelingsliteratuur is er terecht van doordrongen dat het marktmechanisme veel kan bijdragen tot sterke economische groei en de totale economische vooruitgang. Het zou echter verkeerd zijn om het marktmechanisme alleen zo’n afgeleide betekenis toe te kennen. Adam Smith merkte reeds op dat vrijheid van uitwisseling en transactie zelf een integraal onderdeel vormt van de basisvrijheden die mensen met reden waardevol achten.

Het zou dwaas zijn om in het algemeen tegen de markt te zijn. We zijn toch ook niet tegen gesprekken tussen mensen, zelfs al zijn sommige gesprekken duidelijk immoreel en brengen ze anderen of de gesprekspartners zelf in moeilijkheden. De vrijheid om woorden, goederen of geschenken uit te wisselen behoeft geen defensief beroep op gunstige resultaten. Deze vrijheid maakt deel uit van de wijze waarop mensen in de maatschappij leven en met elkaar omgaan (als dit niet door regelgeving of decreet wordt verhinderd). De bijdrage van het marktmechanisme aan de economische groei is natuurlijk belangrijk, maar komt op de tweede plaats; allereerst moeten we beseffen dat de vrijheid om woorden, goederen, geschenken uit te wisselen op zichzelf al belangrijk is.

De verwerping van de vrijheid om deel te nemen aan de arbeidsmarkt is nu eenmaal een van de manieren om mensen in lijfeigenschap of gevangenschap te houden. De strijd tegen de onvrijheid van onvrije arbeid is in veel Derde‑Wereldlanden op dit moment belangrijk, gedeeltelijk om dezelfde redenen waarom de Amerikaanse burgeroorlog zo gedenkwaardig was. De vrijheid om de markt te betreden kan op zich al enorm bijdragen tot vooruitgang in de ontwikkeling, ongeacht of het marktmechanisme bovendien nog de economische groei of de industrialisatie bevordert of niet. Karl Marx (toch geen groot bewonderaar van het kapitalisme in het algemeen) prees en karakteriseerde de Amerikaanse burgeroorlog (in Das Kapital) als “dé grote gebeurtenis van de hedendaagse geschiedenis”. Hiermee doelde hij direct op het belang van de vrijheid van arbeidsovereenkomst, in tegenstelling tot slavernij en de onvrijwillige uitsluiting van de arbeidsmarkt. Zoals ik verderop nog zal bespreken, is een van de cruciale uitdagingen van de vooruitgang in veel ontwikkelingslanden de noodzaak om arbeid te bevrijden van de impliciete of expliciete lijfeigenschap, die de toegang tot de open arbeidsmarkt verspert. Ook voor kleine agrariërs en producenten is het feit dat hun vaak de toegang tot productmarkten wordt ontzegd, een van de vormen van gemis onder de traditionele regelingen en beperkingen waarmee zij in hun harde strijd om het bestaan te maken krijgen. De vrijheid om deel te nemen aan economische uitwisseling speelt een basale rol in het sociale leven.

Dat ik deze overweging waaraan vaak wordt voorbijgegaan signaleer, betekent niet dat ik het niet belangrijk vind dat het marktmechanisme uitvoerig wordt beoordeeld op al zijn rollen en effecten, zoals het genereren van economische groei en in veel situaties zelfs van economische gelijkheid. Aan de andere kant moeten we ook aandacht besteden aan de hardnekkige vormen van gemis in delen van de gemeenschap die verstoken blijven van de voordelen van een marktgerichte samenleving, en aan het algemene oordeel – ook kritiek – dat mensen mogelijk hebben over levensstijlen en waarden die gepaard gaan met de cultuur van de markt. Wanneer we vrijheid als vooruitgang beschouwen, moeten we de argumenten van de verschillende ‘partijen’ terdege overwegen en evalueren. We kunnen ons moeilijk een proces van substantiële ontwikkeling voorstellen dat niet sterk op de markten berust. Maar dit houdt niet in dat er geen rol is weggelegd voor sociale steun, regelgeving door de overheid of staatsmanskunst, als deze het menselijk leven kunnen verrijken en geen verarming betekenen. De benadering die ik hier hanteer, is als perspectief breder en meer omvattend dan een zuiver pleidooi vóór of tegen het marktmechanisme.

Mes

Tot slot een illustratie die direct berust op een persoonlijke herinnering uit mijn jeugd. Op een middag was ik aan het spelen – ik zal zo’n tien jaar zijn geweest – in de tuin van mijn ouderlijk huis in de stad Dhaka, nu de hoofdstad van Bangladesh. Er kwam een man het hek binnen, die erbarmelijk schreeuwde en hevig bloedde. Hij was met een mes in zijn rug gestoken. Dit was de periode van de sektarische rellen (waarin moslims en hindoes elkaar vermoordden) voorafgaand aan de onafhankelijkheid en scheiding van India en Pakistan. Het slachtoffer, Kader Mia genaamd, was een moslim die als dagloner tegen een zeer karige beloning kwam werken in een naburig huis en op straat was neergestoken door gewelddadige sektarische elementen in onze grotendeels door Hindoes bewoonde buurt. Ik gaf hem water en riep de volwassenen uit het huis te hulp, en binnen enkele ogenblikken werd hij door mijn vader ijlings naar het ziekenhuis gebracht. Onderweg vertelde Kader Mia ons dat zijn vrouw hem had gezegd dat hij zich in zulke roerige tijden niet in zo’n vijandige buurt moest wagen. Kader Mia was er toch op uitgegaan om werk te zoeken en een beetje geld te verdienen, want zijn gezin had niets te eten. De straf voor deze onvrijheid bleek uiteindelijk zijn dood, die later in het ziekenhuis intrad.

Het was voor mij een afgrijselijke ervaring, die me later aan het denken zette over de vreselijke last van een eng gedefinieerde identiteit, bijvoorbeeld op basis van gemeenschappen en groepen (verderop in Vrijheid is vooruitgang ga ik hier nog op in). Maar de gebeurtenis is ook een signaal van een directer verschijnsel, namelijk dat economische onvrijheid – in de vorm van extreme armoede – iemand weerloos maakt tegen schendingen van andere soorten vrijheden. Kader Mia had niet in deze vreselijke tijden naar een vijandige buurt hoeven komen op zoek naar een karig inkomen, als zijn gezin zonder dit inkomen had kunnen overleven. Economische onvrijheid leidt soms tot sociale onvrijheid, zoals sociale en politieke onvrijheden ook economische onvrijheid met zich mee brengen.

Waarden en zeden

Ik zou met nog veel meer voorbeelden kunnen aangeven hoezeer het uitmaakt wanneer we ontwikkeling opvatten als een geïntegreerd proces waarin met elkaar samenhangende fundamentele vrijheden uitgebreid worden. Deze opvatting wordt in Vrijheid is vooruitgang gepresenteerd, kritisch tegen het licht gehouden en gebruikt om zo uitgebreid mogelijk het ontwikkelingsproces te onderzoeken op een manier waarbij economische, sociale en politieke overwegingen worden geïntegreerd. Door een dermate brede benadering kunnen we een duidelijk idee krijgen van de cruciale rollen die uiteenlopende maatschappelijke instituten spelen in het ontwikkelingsproces. Met maatschappelijke instituten bedoel ik markten en organisaties die daarmee verband houden, nationale en plaatselijke overheden, politieke partijen en andere maatschappelijke instituten, onderwijsvoorzieningen en mogelijkheden tot open dialoog en debat (met inbegrip van de rol van de media en andere communicatiemiddelen.)

Met een dergelijke benadering kunnen we een idee krijgen van de rol van maatschappelijke waarden en heersende zeden die van invloed kunnen zijn op de vrijheden die mensen genieten en met reden waardevol achten. Gemeenschappelijke normen kunnen hun uitwerking hebben op sociale kenmerken zoals gelijkheid tussen de seksen, de aard van kinderverzorging, patronen in gezinsgrootte en vruchtbaarheidscijfers, de zorg voor het milieu en een groot aantal andere kenmerken en resultaten. De heersende waarden en sociale gebruiken bepalen ook mede of corruptie al dan niet voorkomt, en welke rol vertrouwen speelt in economische, sociale of politieke relaties. Waarden zijn bepalend voor de vrijheid die we kunnen uitoefenen, maar de waarden worden op hun beurt beïnvloed door openbare discussie en sociale interactie, die zelf weer worden beïnvloed door de vrijheid om eraan deel te nemen. Al deze verbanden moeten zorgvuldig worden onderzocht.

Het is een algemeen geaccepteerd feit dat de vrijheid van economische transacties doorgaans een sterke motor van economische groei is, hoewel er nog altijd mensen zijn die dit met klem bestrijden. Het is belangrijk om niet alleen markten de eer te geven die hun toekomt, we moeten ook beseffen wat andere economische, sociale en politieke vrijheden betekenen voor de verbetering en verrijking van het leven dat mensen kunnen leiden. Dit perspectief heeft duidelijk invloed, zelfs op controversiële zaken zoals het zogenaamde bevolkingsprobleem. Welke rol vrijheid speelt in de matiging van buitensporig hoge vruchtbaarheidscijfers is al lange tijd een controversieel onderwerp. De grote achttiende‑eeuwse rationalist Condorcet verwachtte dat de vruchtbaarheidscijfers zouden zakken “met de vooruitgang van de rede”, zodat de bevolkingsgroei zou worden beteugeld door grotere zekerheid, meer onderwijs en meer vrijheid van weloverwogen beslissingen. Maar zijn tijdgenoot Thomas Robert Malthus was het hier volstrekt mee oneens. Malthus redeneerde dat er “geen enkele reden was om te veronderstellen dat iets – afgezien van de moeilijkheid om in voldoende mate in het levensonderhoud te voorzien – dit grotere aantal mensen ervan zou weerhouden om jong te trouwen of hun de mogelijkheid zou ontnemen een groot gezin in goede gezondheid groot te brengen.” In het boek zet ik de voors en tegens van deze verschillende standpunten – respectievelijk vrij overwogen beslissing en economische dwang – naast elkaar. (Volgens mij stellen de gegevens Condorcet in het gelijk.) Maar het is vooral belangrijk om te beseffen dat deze controverse slechts één voorbeeld is van het debat tussen twee benaderingen van vooruitgang dat reeds vele eeuwen aan de gang is: ontwikkeling op basis van vrijheid of op basis van onvrijheid. Het debat wordt nog steeds in veel verschillende vormen in alle hevigheid gevoerd.

Maatschappelijke instituten en instrumentele vrijheden

In Vrijheid is vooruitgang onderzoek ik vijf verschillende soorten vrijheden. Dit zijn (1) politieke vrijheden, (2) economische faciliteiten, (3) sociale voorzieningen, (4) garantie van openheid van zaken en (5) sociale zekerheid. Al deze verschillende soorten rechten en kansen zijn bevorderlijk voor iemands totaal aan mogelijkheden. En ze vullen elkaar mogelijk ook aan. In het overheidsbeleid kunnen menselijke mogelijkheden en fundamentele vrijheden in het algemeen worden gestimuleerd door deze onderling verschillende maar toch samenhangende instrumentele vrijheden (vrijheden als middel om een doel te bereiken) te bevorderen. Ik zal al deze verschillende soorten vrijheden – en de maatschappelijke instituten die daarbij betrokken zijn – verkennen en de onderlinge verbanden bespreken. Er zal ook gelegenheid zijn om te onderzoeken in welke mate en op welke wijze ze mensen meer vrijheden geven om het soort leven te leiden dat ze met reden waardevol achten. Volgens de opvatting van ‘vrijheid is vooruitgang’ is er verband tussen de instrumentele vrijheden onderling en met de doelen van de verbetering van menselijke vrijheid in het algemeen.

De analyse van vooruitgang in ontwikkeling moet zich aan de ene kant bezighouden met doelstellingen en doelen waardoor deze instrumentele vrijheden van belang zijn uit het oogpunt van de resultaten die ze opleveren. Maar tevens moet worden gelet op de empirische verbanden tussen de verschillende soorten vrijheden, waardoor hun gezamenlijk belang wordt versterkt. Deze verbanden zijn in feite cruciaal om een vollediger inzicht te krijgen in de rol van vrijheid als middel.

Actief

Vrijheden vormen niet alleen het hoofddoel van ontwikkeling, maar behoren ook tot de belangrijkste middelen. We moeten niet alleen het fundamentele belang van vrijheid uit het oogpunt van beoordeling beseffen, maar ook inzien welke opmerkelijke empirische samenhang verschillende soorten vrijheden met elkaar verbindt. Politieke vrijheden (vrijheid van meningsuiting en vrije verkiezingen) dragen bij tot economische zekerheid. Sociale voorzieningen (faciliteiten voor onderwijs en gezondheidszorg) bevorderen de deelname aan de economie. Economische faciliteiten (kansen om deel te nemen aan handel en productie) kunnen helpen persoonlijke rijkdom te genereren, alsmede overheidsmiddelen voor sociale voorzieningen. Verschillende soorten vrijheden kunnen elkaar versterken.

Deze empirische verbanden versterken de beoordelingsprioriteiten. In de zin van het onderscheid tussen passief en actief is deze vrijheidsgerichte opvatting van economie en het ontwikkelingsproces zeer sterk gericht op ‘actief’. Met adequate sociale voorzieningen kunnen individuen hun eigen lot vorm geven en elkaar helpen. We hoeven hen niet in de eerste plaats te zien als passieve ontvangers van de voordelen van slimme ontwikkelingsprogramma’s. Er zijn sterke argumenten om de positieve rol van vrije, duurzame handelingsbekwaamheid – en zelfs van constructief ongeduld – te erkennen.

Vertaling: Tijmen Roozenboom en Ralphien Boissevain

Literatuur:

- Freedom as Development, Oxford University Press; 1999;382 pag., isbn: 0192893300
-
De Nederlandse vertaling: Vrijheid is vooruitgang, uitgegeven door Contact, is niet meer verkrijgbaar.

Gerelateerde artikelen