16 minuten

Vrijzinnig nationalisme

'Reframing is social change' zegt George Lakoff. Als bijdrage aan een nieuw links denkraam (frame), notities over de geschiedenis van Nederland.

Wat zegt het als mensen van hun land houden? Het is een soort liefde die eerder op gewenning lijkt te berusten dan op overrompeling door hartstocht. Misschien bestaat ze als gevoel bij gebrek aan concreet alternatief – van een ander land houden dan het eigene, hoe reëel is dat. Het zou zelfs een vorm van berusting kunnen zijn – met dit land moet ik het doen … en dan zal ik het goed doen. Vaderlandsliefde heeft onder ons een slechte naam omdat ze voor blind doorgaat en je het land waar je wordt geboren niet zelf kiest. Misschien helpt het om te bedenken dat ze ook als een teken kan worden gelezen, een teken van verbondenheid met mensen die dat lot met jou delen. En dat het land waar het om gaat ondanks of dankzij die bijzondere liefde weldegelijk als deel van de wereld kan worden bemind.

Ook al staat niet meteen de kwestie van vaderlandsliefde op het spel, zelfs als we daar ver van willen blijven, er is een politiek belang gemoeid met de vraag of linkse progressieven een verhaal hebben over Nederland dat hun optreden draagt of kan dragen. Zolang het nationale politieke toneel een strijdtoneel is zal een samenvattend en zingevend verhaal, de politieke raamvertelling, een rol spelen. Het nationale kan noch feitelijk noch ideologisch worden overgelaten aan krachten die pogen het tot een eigen merk te maken, met een scheiding van ‘echte’ en ‘onechte’ Nederlanders als gevolg. Het maakt voor de sfeer en de richting van ons land nogal verschil of de nationale zelfwaarneming er een is van ‘de westerse beschaving bedreigd door een oprukkende islam’ of van ‘een vanouds tolerant land bedreigd door de geest van xenofobie en benauwdheid.’

Dus is de vraag of wij progressieven middelen hebben voor een nationale raamvertelling. Mij lijkt dat dit zeker het geval is. Ik zal er een aantal nalopen. Sommige elementen verbinden ons direct met anderen.  Andere zijn, soms al eeuwenlang, omstreden of tijdelijk uit beeld.

Symbolische orde

Voordat ik toekom aan de elementen voor een progressieve raamvertelling moet ik eerst een kleine plaatsbepaling maken van het nationale, die ook voor wereldburgers begrijpelijk is.

De wereld - het wordt steeds gemakkelijker om je daar een burger van te voelen. Beheersing van het Engels en toegang tot internet helpen enorm. Miljoenen mensen hebben virtuele, maar ook reële contacten rond de aardbol. Het maakt het karakter van de eigen plek, de eigen stad, het eigen land, betrekkelijk. Wat resteert op den duur van het eigen land, zeker als dit betrokken is in een actieve relativering van landsgrenzen, zoals Nederland? Wat is het nationale nog?

Het nationale is in ieder geval een politieke en juridische grootheid. Het wordt als een eenheid bestuurd en heeft zeggenschap over legio bestaansvoorwaarden van zijn inwoners. De staatsmacht is een verre van virtueel gegeven. Dit niveau is in het algemeen niet het object van warme gevoelens. Het ondervindt op zijn best waardering voor een goed of redelijk functioneren.

Het nationale is ook een communicatieve orde, een raamwerk van publieke opinie. Een paar dagen lang Nederlandse televisie kijken geeft het indringende gevoel van een gezichtseinder die een deel van de wereld omgrenst. Daarbinnen figureren meningen en mensen die op elkaar betrokken zijn, inclusief meningsvorming over wat daarbuiten gaande is. Ook voor de Griekse schuldencrisis kunnen we bij Bekende Nederlanders te rade gaan. Dit niveau kent veel meer dan het eerste zijn nationale liefdesobjecten. Het kent heldendom en sterren, cultische momenten, opkomst en ondergang van landelijke trends en emotionele modes. Het kent ook zijn haatobjecten. Internet heeft legio nationale haatruimtes waar iedereen volop kan tekeer gaan en zijn medestanders vinden. 

Het nationale is ook een grootheid in de symbolische orde. In de symbolische orde gaat het om het verhaal, of om het ‘voorverstaan’ van de vele verhalen. Hoe moeten wij onze wereld begrijpen, of anders gezegd, hoe zien wij ons land-in-de-wereld? Wie de woorden ons kleine landje in de mond neemt schetst een positie en een wereldbeeld ineen. Tegenover de grote machten en dreigende gebeurtenissen staat een kwetsbaar maar dierbaar gebied op aarde dat met vertrouwde anderen (ons!)wordt gedeeld. Samen zullen we het goed onderhouden en verdedigen waar nodig. Wezenlijke momenten in deze symbolische orde zijn die waarop het land oranje kleurt.

Is onze actuele situatie historisch te begrijpen in een progressieve traditie? Principieel is er niets op tegen om veel van wat ons land kenmerkt te zien als product van vooruitgang. Hiervan is een groot deel simpelweg een kwestie van wetenschap en techniek en een verbeterde productiewijze, wat ook te zien valt als een succes van het kapitalisme. Een ander, voor politiek progressieven wellicht interessanter deel is toe te schrijven aan een langdurige strijd voor sociale gelijkheid, gedeelde bestaanszekerheid, politieke rechten, spreiding van kennis, macht en inkomen; en, sinds Hugo de Groot, voor een internationale rechtsorde. Laat ik dit de zedelijke vooruitgang noemen. Dat er een samenhang tussen de eerste en de tweede is, is meer dan een vermoeden, al zullen liberalen en socialisten hem anders definiëren. 

Ons gaat het erom onze huidige situatie zodanig als een product van vooruitgang te begrijpen , dat we deze ook kunnen vasthouden. De logische orde waarin we dat doen is: we hebben geleerd, we bouwen voort en we ontplooien nieuwe initiatieven.

Historische elementen

Er zijn legio ervaringen die als referentie kunnen dienen. 

Het water getemd. Er zit in de strijd tegen en om het water een dynamisch element dat ons in de meest strikte zin bezig houdt. We zijn een land waarin geen verwijzing naar een ‘oorspronkelijke toestand’ past, omdat de toestand van 1800 niet die van 1600 en die van 1600 niet die van 600 is. Nergens. We zijn een ingenieursland, een kunstmatige creatie die het hebben moet van aanpassen en verbeteren. Milieubewustzijn is een noodzaak en spreekt vanzelf.

De godsdienstoorlog overwonnen. De oorlog die ons land los van het Habsburgse Rijk maakte en dus de natie in het leven riep, was ook een godsdienstig gemotiveerde burgeroorlog tussen protestanten en katholieken. Die oorlog zijn we te boven gekomen. Sinds de Unie van Utrecht hoeft niemand ons meer te vertellen hoe essentieel de vrijheid van godsdienst is. En niemand zal er straffeloos zijn handen naar uitsteken.

De republiek uitgeroepen. Het afzweren van Filips II gebeurde met de motivering dat een volk het recht heeft zijn leider te verlaten wanneer deze zich als een tiran gedraagt (‘dat de onderdanen niet door God geschapen zijn ten behoeve van de vorst … om hem als slaven te dienen’); en dat het bovendien het recht heeft dan een nieuwe leider te kiezen. Dit republikeinse beginsel draagt de staatsopvattingen van de natie. Het heeft de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring geïnspireerd, het heeft de Patriotten geïnspireerd om de Bataafse Republiek uit te roepen. Het ligt zelfs onder het constitutionele koningschap, waarin de koning zijn waardigheid ontvangt uit handen van de Staten-Generaal.   

De slavernij afgeschaft. Bepaald niet als eerste Europese staat, maar ook niet als laatste, schafte Nederland in 1863 de slavernij in Suriname en op de Antillen af. Het is een gedenkwaardig en leerzaam moment omdat het (a) zegt dat Nederlanders overzee tot slavenhandel en slaven houden eeuwenlang in staat zijn geweest, en (b) dat hieraan niet voor niets een eind is gemaakt. Er is alle reden om slavernij als dé schending van mensenrechten te zien, maar het verbod erop dus ook als de eerste basis en noodzakelijk uitgangspunt voor alle mensenrechten. Een historische ervaring met een actueel belang.

Van het kolonialisme genezen. Er was zeker enige druk van buiten nodig om Indië los te laten en Indonesië te laten zijn. De koloniale oorlogen behoren nog altijd tot het slecht verwerkte verleden. Toch geldt hier: ook een slecht geweten is een geweten. Zelfbeschikkingsrecht van volkeren is sindsdien onomstotelijk en een vaste richtlijn voor Nederlands internationale optreden.

Aan de wieg van het Europese project gestaan. Met de Benelux als voorloper nam de Nederlandse regering vol overtuiging deel aan het Europa van de Zes. In de huidige tijd is het vooral het buitenland dat ons daaraan herinnert. Alle euroscepsis ten spijt zegt deze herinnering zeer precies wat ‘welbegrepen eigenbelang’ inhoudt. Alleen als zelfbewust Europees land in verbondenheid met buren is Nederland in staat het beste uit zichzelf te halen. Het is de erkenning van afhankelijkheid zonder de noodzaak van onderdanigheid. Deze beweegredenen behouden hun geldigheid ook als de herinnering aan oorlog en dus ook de verwondering over langdurige continentale vrede vervaagt.

Succesvol in handel, wetenschap, industrie en kunst. Wie het over de Nederlandse cultuur heeft raakt een thema met veel hoogtepunten en eigenaardigheden, maar ook van legio verbindingen met de rest van de wereld. Het is primair het verhaal van een succesvolle handelsnatie. En handel is verbinding, overschrijding van grenzen en interactie. Er loopt in de geschiedenis van Nederland een lijn van de Hanze naar de Europese Unie. Op die lijn bevinden zich de moedernegotie over de Oostzee, de VOC als ’s werelds eerste multinational en de handelsposten rond de Indische Oceaan en het handelsmonopolie op Japan, maar ook de kaapvaart, plundering en roof en de gewelddadige onderwerping van Banda en Atjeh, de slavenhandel op West-Afrika en de plantages in de West. Op die lijn ontwikkelt zich een patroon van ongelijkwaardige internationale verhoudingen naar de verhoudingen van nu  - een zekere mate van regulering en eerlijke ruil -, door dekolonisatie en internationale samenwerking heen. Sinds de VOC heeft Nederland merkwaardig veel multinationals voortgebracht, wat zeker te maken heeft met een gebrek aan centralistische neigingen en dus met het vermogen tot delegeren.

Vrijplaats voor vervolgde intellectuelen. Op de Amsterdamse beurs kon altijd iedereen terecht die iets te kopen of verkopen had, joods, moslim, protestant of katholiek. Dat gold ook voor denkers die iets te drukken of uit te geven hadden bij een van de Hollandse uitgevershuizen. Het vrije woord, hoewel bijwijlen belaagd door burgerlijke of kerkelijke autoriteiten, hoort bij dit land. Het is de naam van Spinoza die ons bijblijft, niet die van zijn belagers. En het zijn diens woorden,“dat het recht van de hoogste overheden zowel betreffende godsdienstige als profane zaken slechts op daden betrekking heeft, en dat overigens het individu wordt toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.”

Het nog steeds verbluffende hoogtepunt, de Gouden Eeuw, is het product van een land met een losse federale structuur, een professioneel militair apparaat, een gebrek aan missionaire religieuze ijver buitenslands, een enorme vloot die aan de lopende band geproduceerd werd, een internationaal arbeidsleger, tolerantie in levensbeschouwelijke kwesties, een hoge mate van geletterdheid, tamelijk egalitaire sociale verhoudingen en een gewiekste diplomatie. De gulden had de positie die nu de dollar heeft. In die tijd bereikte de schilderkunst de internationale top met een enorme productie voor de markt, een historisch novum. Op dit terrein is Nederland geen klein land, maar juist een groot land. Op de terreinen van natuurkunde en kosmologie geldt het sindsdien als een middelgroot land. Dit geldt sinds Boerhaave ook voor de geneeskunst. Sinds een eeuw is zulks ook het geval in de architectuur en het grafisch ontwerp; sinds een halve eeuw op het gebied van dans en muziek. Sinds een jaar of vijftien heeft zich daarbij het industrieel ontwerp gevoegd. Een bijzondere vermelding verdient de universiteit van Leiden, die eeuwenlang het Europese centrum was van de arabistiek en islamologie. Geen van al deze terreinen is denkbaar zonder internationale uitwisseling, of ze zich nu in de frontlinie bevinden of niet. Wie er trots op is, of wil kunnen zijn, verplicht zich tot openheid voor de wereld om ons heen en de wereld binnen onze grenzen.

Door emancipatie getekend. De twintigste eeuw begon met de emancipatie van katholieken, gereformeerden en arbeiders en eindigde met die van vrouwen en homoseksuelen. Daartussen zit de ervaring van bezetting en Verzet en de ontzuiling. Bevrijding is hier het sleutelwoord. Bij alle scepsis waarmee de jaren zestig en zeventig nu bejegend worden moet worden vastgesteld dat ze weldegelijk geoogst hebben wat eerder is gezaaid. Het vrijzinnige beleid en de wetgeving op gebieden als abortus, euthanasie, softdrugs en homoseksualiteit kunnen wel worden toegeschreven aan de strijd van minderheden, maar ze zijn over de bijna volledige politieke breedte geaccepteerd. Deze verworvenheden kunnen in onze beste tradities begrepen worden als vormen van maatschappelijk verantwoorde zelfbeschikking.

 Het verhaal dat ‘wij progressieven’ te vertellen hebben is niet de geschiedenis van Nederland. Het gaat niet om de historische canon, al biedt die onmisbare kennis. We maken een politieke keuze. Dit is niet de keuze om van ‘het goede’ in onze geschiedenis te willen weten en van ‘het slechte’ niet. Het is niet de keuze voor de glorie en tegen de bescheidenheid. Evenmin is het een willekeurige selectie uit de geschiedenis. Nogmaals, het gaat erom onze huidige situatie zodanig als een product van – rechtelijke en zedelijke - vooruitgang te begrijpen , dat we déze vooruitgang ook kunnen vasthouden.

Wat we geleerd hebben is dat ‘links’ tegenover elke vorm van nationalisme zwak staat, zeker wanneer het de neiging heeft dit met kosmopolitisme te pareren. Wanneer links geen eigen nationaal verhaal heeft miskent het de bijzonderheid van de nationale context en vindt het dus geen aansluiting bij de beleving van burgers voor wie ‘on-Nederlands’ niet zonder meer een positieve kwaliteit is (zoals merkwaardigerwijs in dit land intellectuelen iets ‘on-Nederlands goed’ kunnen noemen). Ook weten we dat de Patriotten, stellig onze progressieve voorgangers, tot op heden nooit populair zijn geworden. Hun optreden wordt weggemoffeld door de Franse tijd en het gaat schuil achter het lawaai van de Orangisten. Toch zullen er vandaag de dag weinig mensen, ook als ze overtuigd voor de monarchie zijn, tekenen voor de rangen-en-standenmentaliteit van de toenmalige Orangisten. Beter zou het zijn de Bataafse Republiek in ere te herstellen als de eerste poging van eigen bodem om pluralisme en democratie, rechtsgelijkheid en een toegankelijk  publiek domein, een zinvolle scheiding van kerk en staat en burgerlijke rechten en vrijheden in een  grondwettelijk kader te realiseren. Waarbij het besef dat Nederland de principes van zijn eigen opstand tegen Spanje via de band van de Amerikaanse revolutie terugkreeg, dit eerherstel een extra dimensie geeft.

Wat we ook geleerd hebben is de samenhang tussen openheid voor de wereld, economische voorspoed en culturele bloei. Actueel genoeg, deze historische les. Alle tobbers over integratie zouden zich even moeten verdiepen in de zeventiende-eeuwse bevolkingssamenstelling van Amsterdam en vervolgens een uitzending van Ali B op volle toeren moeten bekijken. Integratie, hoe ze werkt en hoeveel plezier ze kan opleveren! Voortbouwen op betekent hier zowel het respect betonen voor aangetroffen cultuur als het maken van nieuwe verbindingen – met nieuwe en toch herkenbare cultuur als resultaat. De vrijmoedigheid en gretige nieuwsgierigheid waarmee Ali B met rapper Winne in zijn kielzog op Henny Vrienten afstapt zou je alle burgers van Nederland toewensen. Het zou ons initiatieven opleveren die in één klap het beeld van een problematische en lastige samenleving deden kantelen naar dat van een vat vol duizelingwekkende mogelijkheden.

Niet ons bezit

Een goed gecomponeerde raamvertelling biedt de mogelijkheid – niet alle maar wel de belangrijke – politieke kwesties te framen: zo moeten we deze kwesties begrijpen. Dus als wij progressieven ons net als ooit Joan Derk van der Capellen tot het Volk van Nederland richten, dan doen we dat als volgt.

Wij begrijpen onze situatie vanuit onze geschiedenis. We zijn al lang onafhankelijk, eigenlijk sinds 1581 toen we de tiran hebben afgezworen. We zijn al zo lang een onafhankelijk land dat we over die onafhankelijkheid niet krampachtig hoeven doen. Sterker nog, we hebben in eeuwen ervaring geleerd waarvan we voor onze vrijheid en economische ruimte allemaal afhankelijk zijn. We hebben legers gevormd en vloten gebouwd, maar we hebben ook diplomaten uitgestuurd en pacten gesloten. We hebben dijken gebouwd en sluizen en stormvloedkeringen, wegen, kanalen, spoorwegen en luchthavens. We hebben handel gedreven en van koloniën geprofiteerd. We hebben op tijd aangehaakt bij de industriële opbloei van Duitsland. We hebben de leus Indië verloren, rampspoed geboren gehoord van de NSB. Dat bleek mee te vallen. We bleken beter te kunnen organiseren dan de NSB dacht. En we hadden Marshallhulp. We hebben de eeuwen door, maar vooral in bloeitijd, arbeiders van buiten aangetrokken. Zowel hoog- als laaggeschoolden. Ook politieke en religieuze vluchtelingen wier uitheemse achternamen nog in onze bevolkingsregisters voorkomen. Er zijn ook tijden geweest dat we vluchtelingen hebben teruggestuurd, die later vermoord bleken te worden. Daar zijn we niet trots op en gelukkig weten we het nog.

Sinds 1951 zijn we betrokken in een kansrijk project, een zich verenigend Europa. Wij zijn er een van de pioniers van omdat we tijdig snapten wat er mogelijk was. Europa heeft net de juiste maat, tussen klein land en grote wereld in. Het project heeft ons heel veel voordeel gebracht. Wij doen ons best dat zo te houden, ook omdat het voordeel niet tot ons land beperkt blijft. Europa is een realiteit van welvaart en vrede en het is een belofte voor landen en volken die nog niet meedoen. Het project is niet klaar en wat ons betreft gaat het door. Het is de weg om internationalisering en mondialisering te geleiden, geen bedreiging maar een blijvende kans. Elke keer dat het project zelf wordt bedreigd is voor ons aanleiding om een stap vooruit te zetten. De kans die we zien is die van een blijvend hoge kwaliteit van bestaan voor miljoenen Europeanen. Wij vertrouwen erop dat onze Europese medeburgers tot in alle uithoeken van het continent zo’n bestaan kunnen krijgen. Dat is ons perspectief. Het is het perspectief van gevestigde burgers net zo als van nieuwkomers. We weten uit onze nationale geschiedenis dat een land dat voor nieuwkomers geen belofte meer heeft aan het eind van zijn Latijn is. Het droogt uit, het zakt in, het keert in zichzelf. Wij hebben alle belang bij een vrij verkeer van personen. We zien ze graag komen, de nieuwsgierigen, de gelukzoekers, de ijverigen, de slimmeriken, want we weten dat ze ons gaan helpen om het hier goed te houden of nog beter te krijgen. En we blijven alert op de boeven die ertussen zitten.

We zien de Europese ruimte als een veld voor duurzame ontwikkeling. Voor ons mag de lat hoog liggen, het houdt ons fris. Niet alles hoeft sneller, hoger, duurder, meer. De bestaanskwaliteit staat voorop. De vooruitgang mag ook zitten in betere spreiding en grotere zekerheid. De kwaliteit geldt ook zaken als rust, lucht, smaak, geur, klank en kleur.

Wij zijn er trots op dat we aan dat grote project mogen meedoen. We leggen aan dat project en dus aan onszelf de dubbele maatstaf op van duurzame ontwikkeling en mensenrechten. We weten dat uiteindelijk recht en belang hier samenvallen. Zoals de vrije zee als handelsbelang en als juridisch principe bij Hugo de Groot samenvielen, zo weten wij hoe de internationale rechtsorde ook onze belangen beschermt. Het staat niet voor niets in onze nationale grondwet en niet toevallig is Den Haag ook – en voor buitenlanders vooral – de zetel van het internationale recht.

Wij weten al heel lang dat als we ‘wij’ zeggen, we altijd een heleboel ‘wij’s’ bedoelen. Wij zijn als volk altijd verscheiden geweest in etnisch, cultureel, religieus, politiek en levensbeschouwelijk opzicht. De raszuivere Nederlander is geen bestaande categorie. Vandaag is dat niet per se anders dan in de zeventiende eeuw. We zijn niet één en we zullen het nooit worden. Omdat we dat al zolang weten hebben we uitvindingen gedaan om met verschillen om te gaan. De belangrijkste heet tolerantie. Het is geen aangeboren eigenschap van Nederlanders, het is een kwaliteit van de maatschappij. Wij zijn alleen en in zover tolerant als het samenleven dat van ons vraagt. Daar hebben we als het goed is de waarde van leren inzien. De vrijheid van geweten en van godsdienst was de eerste erkenning. Die van meningsuiting en vereniging en vergadering de tweede. Onder het nazibewind zijn we nog eens aan die waarden herinnerd. En zijn we er met kracht op gewezen dat die waarden alleen gelden als ze voor iedereen gelden. Soms moeten we ons dat herinneren tegenover tirannen van buiten, of tirannen van binnen.

Dit land is niet ons bezit. Het is wel onze plek, daar waar we thuis zijn. Hier geboren of geïmmigreerd, we kennen zijn beperkingen en we kennen zijn ruimte. We zullen het niet bejubelen en er niet op pochen, maar wat het te bieden heeft aan mogelijkheden van een goed bestaan, een bloeiende cultuur en ontmoeting met verrassende anderen, dat laten we ons niet ontnemen. Wanneer we tijden beleven van benauwdheid en zelfopsluiting herinneren wij ons liever het voorgeslacht dat begreep waar zijn kansen lagen: in openheid en vertrouwen en in samenwerking tot over de grenzen.

Gerelateerde artikelen