6 minuten

Waar angst regeert

VS een bange supermacht

Amerika is een supermacht maar niettemin in de greep van de angst. Een ooggetuigenverslag uit New York.

Van de ingezetenen van een supermacht verwacht je dat ze ingenomen zijn met zichzelf en misschien zelfs een tikkeltje overmoedig; dat ze een wereldbol op tafel hebben staan, ’s ochtends met een vinger strijken over de gebieden die reeds bezet zijn en ’s avonds over de delen die nog veroverd moeten worden; dat ze reisplannen maken om hun wereldrijk met eigen ogen te aanschouwen; of op zijn minst dat ze graag een spelletje Risk spelen. Maar wat zie je onder de burgers van de nieuwe supermacht Amerika? Niets van dat al. De burgers van Amerika zijn vooral bang. Ze vlaggen graag, dat wel, en waar het maar kan: op hun revers dragen ze een speldje met de Amerikaanse vlag, op de zilveren carrosserie van de New Yorkse metro hangt er eentje naast iedere deur, op kindertruitjes zijn de stars & stripes in de vorm van een hartje gebreid, en zelfs in buurten die als Democratisch te boek staan, hangt de vlag achter vele ramen. Deze overblijfsels van 11 september zijn een supermacht niet waardig: ze staan voor vertwijfeling, niet voor overheersing.

Amerika treedt naar buiten toe op als supermacht, maar wordt van binnen geregeerd door angst. De tegenstelling staat niet op zichzelf, want in meer opzichten zijn de interne en de externe dynamiek van het Amerikaanse rijk met elkaar in tegenspraak. Over de hele wereld structureren landen hun economie naar Amerikaans voorbeeld (McDonaldisering, de opmars van shareholder value, de invoering van bonussen, optiepakketten en topsalarissen voor CEO’s), maar een structureel tekort op de betalingsbalans en een gestaag oplopende credit card-schuld van Amerikaanse huishoudens vormen een tijdbom onder de binnenlandse supereconomie. Het Amerikaans is sinds jaar en dag wereldtaal, maar wat in eigen land wordt gesproken is zwaar vervuild met de ene betekenisloze uitdrukking na de andere – ‘well…’, ‘kind a…’, ‘it’s so like…’, ‘you know…’. De Verenigde Staten gedragen zich internationaal als bodyguards van de democratie, maar tegelijkertijd brokkelen democratische waarden in eigen land snel af: belangenverstrengelingen binnen de regering Bush zijn aan de orde van de dag, maar waar Nederlandse ministers al lang af hadden moeten treden, houdt in Amerika zelfs de oppositie zich koest en doen de media alsof hun neus bloedt, bang als ze zijn voor onpatriottistisch te worden uitgemaakt. De namen van mensen die links-radicale literatuur kopen of lenen van de bibliotheek, moeten volgens de nieuwe Patriottism Act worden geregistreerd en aan de overheid doorgegeven. Zogenaamd verdachte personen worden zonder duidelijke grond gevangen gehouden in Guantanamo Bay en in gevangenissen op het vastenland. De Sloveense filosoof Slavoj Zizek merkte onlangs tijdens een lezing dan ook op dat hij de Verenigde Staten pas serieus gaat nemen wanneer de Amerikanen dat land eindelijk eens gaan bombarderen, en er democratie installeren.

Kogelhonger

Dat de burgers van de Supermacht Amerika bang zijn, is dus de zoveelste manifestatie van de tegenstelling tussen de rol die Amerika op het wereldtoneel wil spelen, en de samenleving die zij feitelijk is. Daarmee is nog niet de vraag beantwoord waar die angst vandaan komt. Neoconservatieve denkers als Robert Kagan houden het erop dat machtige landen als Amerika nu eenmaal het meest waarschijnlijke doelwit vormen van een aanval, en veel te verliezen hebben; vanuit dat oogpunt lijkt angst dus gerechtvaardigd. Ik zie meer in een benadering die de nadruk legt op het bestaan van een – goeddeels ongerechtvaardigde – angstcultuur. De Amerikaanse filmmaker Michael Moore deed daarvan verslag in zijn gevierde documentaire over geweld in de Verenigde Staten, Bowling for Colombine. Religie is ongetwijfeld één voedingsbodem voor die angstcultuur: de Apocalyps is een populair thema in de druk bezochte Amerikaanse kerken, en lijkt ook Bush en de zijnen te inspireren. Moore zelf geeft de schuld aan de kogelhonger en slachtofferzucht van de media.

Een van de experts die Moore in zijn documentaire opvoert, de Californische socioloog Barry Glassner, laat in zijn boek The Culture of Fear evenwel zien dat de verklaring niet ophoudt bij religie en media. De angstcultuur in de Verenigde Staten wordt volgens hem vooral gevoed door economische en politieke belanghebbenden. “Enorme macht en rijkdom wacht degene die onze morele onzekerheden weet te exploiteren en ons voorziet van symbolische veiligheid”, aldus Glassner. Binnen de economie is de wapenindustrie van oudsher de belangrijkste profiteur van angst, maar sinds 11-9 deelt zij haar belangen met die van de beveiligingsindustrie: vooraanstaande beveiligingsexperts die tot voor kort voor de overheid werkten, verrichten nu voor bedrijven lucratieve lobbywerk in Washington.

Wanhopig

Hoe groot de politieke belangen zijn bij het cultiveren van angst, bleek in de weken voor, tijdens en na de oorlog. Op uiteenlopende manieren werd de burger eraan herinnerd dat het einde der tijden aanstaande was. Bush benadrukte in een toespraak dat terrorisme zou kunnen leiden tot de dood van "hundreds of thousands of innocent people in our country" en tot "destruction of a kind never before seen on this earth". Tijdens de oorlog zweefden voortdurend helikopters boven de New Yorkse wolkenkrabbers, en liepen zwaar bewapende militairen rond in de metro’s. Het na 11 september opgerichte ministerie voor Binnenlandse Veiligheid plaatst met enige regelmaat een paginagrote advertentie in de kranten waarin de lezer opgeroepen wordt voorbereid te zijn op een nieuwe aanslag. De advertentie verwijst naar een website (http://www.ready.gov/), waar burgers opgedragen wordt permanent een overlevingspakket klaar te hebben, over communicatiemiddelen te beschikken, en na te denken over transport in het geval van onmiddellijke evacuatie. “Terrorism forces us to make a choice. Don´t be afraid. Be ready”, zo luidt de wanhopige slogan van de website.

Oranje

Een of twee dagen voordat de oorlog tegen Irak begon, werd de zogeheten terror alert van dat zelfde ministerie opgehoogd van ‘Elevated’ naar ‘High’: op alle nieuwsprogramma’s was het Homeland Security Advisory System (vijf gekleurde balken die corresponderen met een oplopende mate van terreurdreiging) te zien, waarvan de oranje, op één na hoogste balk nu knipperde (toen die fase een maand daarvoor eveneens werd afgekondigd, leidde dat tot een run op isolatietape: vele Amerikaanse burgers plakten hun ramen ermee af om zichzelf tegen een chemische aanval te beschermen). Enkele dagen nadat de oorlog voorbij was, verlaagde het ministerie de terror alert weer. Iemand met gezond verstand, wordt daarvan niet bang, maar achterdochtig. Het klinkt erg onwaarschijnlijk dat terroristen daadwerkelijk van plan waren direct bij aanvang van de oorlog een aanslag te plegen, en dat zij dat plan na afloop van de oorlog meteen in de ijskast gezet hebben, en dat de Amerikaanse inlichtingendienst van beide besluiten op de hoogte was. Veel waarschijnlijker is het dat de regering Bush niet alleen goed is in het bang maken van haar burgers, maar ook weet hoeveel soepeler een land zich laat besturen waar angst regeert.

Of dit beleid de veiligheid van de Amerikaanse samenleving uiteindelijk ook ten goede komt, is maar de vraag. Volgens Glassner leidt de angstcultuur in ieder geval af van de werkelijke problemen waarmee de Amerikaanse samenleving kampt, zoals armoede, sociale ongelijkheid, en vuurwapendelicten. Critici wijzen er op, dat de oorlog tegen de as van het kwaad de kansen op een nieuwe terreuraanslag eerder verhoogt dan verlaagt. De angstcultuur die momenteel de boventoon voert in Amerika, zou de hegemonie van de supermacht op termijn dan ook aan het wankelen kunnen brengen.

Gerelateerde artikelen