15 minuten

Wat staat links te doen?

De grootste spotter-provocateur van links: de filosoof, cultuurhistoricus & psychoanalyticus Slavoj Žižek, over de financiële en economische crisis.

Tijdens de protesten die het afgelopen jaar tegen de bezuinigingsmaatregelen in de eurozone weerklonken – in Griekenland, en op kleinere schaal in Ierland, Italië en Spanje – kwamen twee verhalen naar voren. Het dominante verhaal van de gevestigde orde suggereert een gedepolitiseerde naturalisatie van de crisis: de regulerende maatregelen worden niet gepresenteerd als op politieke keuzen stoelende besluiten, maar als de imperatieven van een neutrale financiële logica. Als we willen dat onze economieën stabiel worden, moeten we simpelweg de bittere pil slikken. Het andere verhaal, het verhaal van de protesterende arbeiders, studenten en gepensioneerden, presenteert de bezuinigingsmaatregelen als een nieuwe poging van het internationale financiële kapitaal om de laatste restanten van de welvaartsstaat te ontmantelen. Zo lijkt het IMF vanuit het ene gezichtspunt een neutrale vertegenwoordiger van discipline en orde, en vanuit het andere een hardvochtige vertegenwoordiger van het mondiale kapitaal.

In beide gezichtspunten schuilt een element van waarheid. De superego-dimensie in de manier waarop het IMF zijn cliëntstaten behandelt, is onmiskenbaar – terwijl het hen berispt en bestraft vanwege niet afbetaalde schulden, biedt het hun tegelijkertijd nieuwe leningen aan waarvan iedereen weet dat ze die niet zullen kunnen terugbetalen, zodat ze dieper de vicieuze cirkel worden ingetrokken van schulden die nog meer schulden genereren. Aan de andere kant functioneert deze superego-strategie omdat de lenende staat, die terdege beseft dat hij het volledige bedrag van de schuld nooit werkelijk zal hoeven terug te betalen, hoopt er in laatste instantie profijt van te trekken.

Misère

Maar hoewel beide verhalen een vleugje waarheid bevatten, zijn ze allebei fundamenteel onjuist. Het verhaal van de Europese gevestigde orde versluiert het feit dat de enorme tekorten zijn ontstaan als gevolg van geweldige injecties in de financiële sector en tevens als gevolg van dalende overheidsinkomsten tijdens de recessie. De omvangrijke lening aan Athene zal worden gebruikt om de Griekse schulden aan de grote Franse en Duitse banken af te betalen. Het ware doel van de garanties van de EU is hulp aan private banken, aangezien zij, als een van de staten in de eurozone failliet gaat, zwaar zullen worden getroffen. Daarentegen getuigt het verhaal van de protesterende groeperingen voor de zoveelste keer van de misère waarin links vandaag de dag verkeert: de eisen van links kennen geen positieve programmatische inhoud en komen alleen voort uit een algemene weigering om de bestaande welvaartsstaat in gevaar te brengen. De utopie van links behelst geen radicale verandering van het systeem, maar het denkbeeld dat men bínnen het systeem een welvaartsstaat kan behouden. Opnieuw mag ons hier het vleugje waarheid in het tegenargument niet ontgaan: als we binnen de grenzen van het mondiale kapitalistische systeem blijven, zijn maatregelen om arbeiders, studenten en gepensioneerden meer geld te ontnemen in feite noodzakelijk.

Vaak hoor je dat de ware boodschap van de crisis in de eurozone inhoudt dat niet alleen de euro maar ook het project van het verenigd Europa dood is. Maar alvorens deze algemene uitspraak te onderschrijven, moet je er nog een leninistische draai aan geven: Europa is dood – goed, maar wélk Europa? Het antwoord is: het postpolitieke Europa van aanpassing aan de wereldmarkt, het Europa dat herhaaldelijk in referenda is afgewezen, het Europa van in Brussel zetelende technocratische experts. Het Europa dat zich presenteert als de vertegenwoordiger van de koele Europese rede tegenover de Griekse hartstocht en corruptie, van de mathematiek tegenover de pathetiek. Maar hoe utopisch het ook mag klinken, er is nog steeds ruimte voor een ander Europa: een opnieuw gepolitiseerd Europa, gefundeerd op een gedeeld emancipatorisch project: het Europa dat de bakermat van de oud-Griekse democratie was, van de Franse Revolutie en de Oktoberrevolutie. Daarom moeten we de verleiding weerstaan om op de aanhoudende financiële crisis te reageren met een terugkeer naar volledig soevereine natiestaten, die een gemakkelijke prooi zijn voor het vrij bewegende internationale kapitaal dat de ene staat tegen de andere kan uitspelen. Meer dan ooit tevoren dient het antwoord op elke crisis internationalistischer en universalistischer te zijn dan de universaliteit van het mondiale kapitaal.

Permanente crisis

Eén ding is duidelijk: na decennia met de welvaartsstaat te hebben geleefd, waarin bezuinigingen verhoudingsgewijs beperkt bleven en vergezeld gingen van de belofte dat alles spoedig weer normaal zou worden, gaan we nu een periode in waarin permanent een soort economische noodtoestand heerst: deze toestand wordt een constante, een manier van leven. Hij brengt de dreiging van nog veel strengere bezuinigingsmaatregelen met zich mee, van besnoeiingen op uitkeringen, van een achteruitgang van de gezondheidszorg en het onderwijs en een onzekerder werkgelegenheid. Links staat voor de moeilijke taak dat het moet benadrukken dat we met politíeke economie te maken hebben – dat een dergelijke crisis niet ‘natuurlijks’ over zich heeft en dat het bestaande mondiale economische systeem op een reeks politieke besluiten steunt – terwijl het tegelijk ten volle beseft dat, voorzover we binnen het kapitalistische systeem blijven, schending van de regels van dit systeem in feite een economische ineenstorting veroorzaakt, aangezien het systeem aan een eigen pseudo-natuurlijke logica gehoorzaamt. Hoewel we dus duidelijk een nieuwe fase van versterkte uitbuiting ingaan, die door de omstandigheden op de mondiale markt wordt vergemakkelijkt (outsourcing etcetera), moeten we ook bedenken dat dit wordt opgelegd door het functioneren van het systeem zelf, dat altijd op de rand van een financiële inzinking verkeert.

Louter hopen dat de aanhoudende crisis beperkt zal blijven en dat het Europese kapitalisme een naar verhouding hoge levensstandaard voor een groeiend aantal mensen zal blijven garanderen, zou dan ook vergeefs zijn. Het zou bepaald een vreemde radicale politiek zijn, een politiek die vooral de hoop inhoudt dat de omstandigheden ervoor zullen zorgen dat ze marginaal en zonder effect blijft. Als tegenwerping van dergelijke redenaties moet Badious devies mieux vaut un désastre qu’un désêtre worden gelezen: liever een ramp dan een non-entiteit. Je moet het risico nemen dat je loyaal bent aan een gebeurtenis, ook al loopt die gebeurtenis op een ‘duistere ramp’ uit. De beste indicator voor het gebrek aan zelfvertrouwen dat vandaag de dag bij links bestaat, is de bij links heersende angst voor crises. Een waarachtig links neemt een crisis serieus, zonder zich illusies te maken. Het bezit het elementaire inzicht dat crises, ofschoon pijnlijk en gevaarlijk, onvermijdelijk zijn en dat ze het terrein zijn waarop veldslagen moeten worden aangegaan en gewonnen. Daarom is Mao’s oude devies toepasselijker dan ooit: ‘Alles onder de hemel verkeert in volstrekte chaos; het staat er uitstekend voor.’

Er bestaat vandaag de dag geen gebrek aan antikapitalisten. We zijn zelfs getuige van een overvloed aan kritiek op de gruwelen van het kapitalisme: het wemelt van de journalistieke onderzoeken, tv-documentaires en bestsellers over bedrijven die ons milieu vervuilen, corrupte bankiers die vette bonussen blijven opstrijken terwijl hun bank door overheidsgeld is gered, en sweatshops waar kinderen overuren maken. Hoe wreed dat echter ook lijkt, er mankeert iets aan al deze kritiek: in de regel wordt het liberaal-democratische kader waarbinnen deze uitwassen moeten worden bestreden niet in twijfel getrokken. Ze heeft, expliciet of impliciet, tot doel het kapitalisme te reguleren – onder druk van de media en door middel van parlementaire enquêtes, strengere wetgeving en betrouwbaar politieonderzoek – maar niet om de institutionele liberaal-democratische mechanismen van de burgerlijke rechtsorde in twijfel te trekken. Die blijft de heilige koe die zelfs door de radicaalste vormen van ‘ethisch antikapitalisme’ – zoals het Sociaal Wereldforum van Porto Allegre en de beweging van Seattle – angstvallig ongemoeid wordt gelaten.

Ultieme vijand

In dit opzicht behoudt Marx’ cruciale inzicht zijn geldigheid, vandaag de dag wellicht meer dan ooit. Voor Marx moet het vraagstuk van de vrijheid niet in eerste instantie in het eigenlijke politieke domein worden gelokaliseerd, zoals bij de criteria die de mondiale financiële instellingen aanleggen wanneer ze een oordeel over een land uitspreken: bestaan er vrije verkiezingen? Is de rechtspraak er onafhankelijk? Bestaan er geen verhulde drukmiddelen voor de persvrijheid? Worden de mensenrechten er gerespecteerd? De sleutel voor daadwerkelijke vrijheid ligt veeleer in het ‘apolitieke’ netwerk van maatschappelijke verhoudingen, van de markt tot de familie, waar de voor effectieve verbetering vereiste verandering niet moet komen van politieke hervorming, maar van een transformatie van de maatschappelijke productieverhoudingen. We stemmen niet over wie wat bezit, of over de verhoudingen tussen arbeiders en directie in een fabriek. Dat alles wordt overgelaten aan processen buiten het politieke domein. De verwachting dat men feitelijke veranderingen kan bewerkstelligen door de democratie naar dit domein ‘uit te breiden’, door bijvoorbeeld ‘democratische’ banken op te zetten die door het volk worden gecontroleerd, berust op een illusie. Radicale veranderingen in dit domein liggen buiten het terrein van de wettelijke rechten. Dergelijke democratische procedures kunnen uiteraard een positieve rol spelen. Ze blijven echter deel uitmaken van het staatsapparaat van de burgerlijke klasse, die het ongestoord functioneren van de kapitalistische reproductie als doel heeft. Precies in deze zin beweerde Badiou terecht dat de ultieme vijand vandaag de dag niet kapitalisme, empire of uitbuiting heet, maar de naam democratie draagt. De acceptatie van ‘democratische mechanismen’ als het ultieme kader verhindert een radicale transformatie van de kapitalistische verhoudingen.

Nauw verbonden met de noodzakelijke defetisjering van de ‘democratische instituties’ is de defetisjering van hun negatieve tegenhanger: het geweld. Badiou opperde bijvoorbeeld recentelijk de uitoefening van ‘defensief geweld’ door middel van de instelling van vrije domeinen die zich op afstand van de staatsmacht bevinden, die zijn onttrokken aan de heerschappij van diezelfde staatsmacht (zoals het vroege Solidariteit in Polen) en die alleen geweld gebruiken om zich te verzetten tegen pogingen van de staat om deze ‘bevrijde zones’ te verpletteren en opnieuw in bezit te nemen. De moeilijkheid met deze formule is dat hij steunt op een diep problematisch onderscheid tussen het ‘normale’ functioneren van het staatsapparaat en de ‘buitensporige’ uitoefening van geweld door de staat. Het ABC van de marxistische ideeën over klassenstrijd is echter de these dat een ‘vreedzaam’ maatschappelijk leven op zichzelf een uiting is van de tijdelijke overwinning van één klasse: de heersende klasse. Vanuit het standpunt van de ondergeschikten en onderdrukten is het bestaan van de staat zelf als apparaat van klassenoverheersing een gewelddadig gegeven. Evenzo betoogde Robespierre dat koningsmoord niet gerechtvaardigd wordt door te bewijzen dat de koning een bepaalde misdaad heeft begaan: het bestaan van de koning zelf is een misdaad, een misdrijf tegen de vrijheid van het volk. In deze strikte betekenis is het gebruik van geweld tegen de heersende klasse en haar staat door de onderdrukten uiteindelijk altijd ‘defensief’. Als we dat niet erkennen, ‘normaliseren’ we volens nolens de staat en accepteren we haar geweld als louter een zaak van bijkomstige uitwassen. Het gangbare liberale devies – dat het soms noodzakelijk is om zijn toevlucht tot geweld te nemen – is onvoldoende. Vanuit radicaal-emancipatorisch gezichtspunt moeten we het omdraaien: voor de onderdrukten is geweld altijd legitiem – hun status is immers het resultaat van geweld – maar nooit noodzakelijk: het is altijd een kwestie van strategische overwegingen of er al dan niet geweld tegen de vijand moet worden gebruikt.

Het onderwerp geweld moet kortom worden gedemystificeerd. Verkeerd aan het twintigste-eeuwse communisme was niet dat het zijn toevlucht nam tot geweld op zich – de greep naar de staatmacht, de burgeroorlog om die te behouden – maar de wijze van functioneren in bredere zin, waardoor deze vorm van toevlucht tot geweld onvermijdelijk en gelegitimeerd werd: de Partij als instrument van de historische noodzaak, enzovoort. In een memo voor de CIA, waarin hij deze dienst adviseerde hoe de regering Allende moest worden ondermijnd, schreef Henry Kissinger bondig: “Zorg dat de economie het uitschreeuwt.” Voormalige Amerikaanse overheidsfunctionarissen geven tegenwoordig openlijk toe dat in Venezuela dezelfde strategie wordt toegepast: de Amerikaanse oud-minister van Buitenlandse Zaken Lawrence Eagleburger zei op Fox News het volgende over de Venezuelaanse economie: “Om te beginnen is die het enige wapen dat we tegen [Chavez] hebben en dat we moeten gebruiken, met name de economische werktuigen om te proberen de economie nog verder te verslechteren, zodat zijn aantrekkingskracht in het land en de regio afneemt.” Ook in de huidige economische noodtoestand hebben we duidelijk niet te maken met blinde marktprocessen, maar met hoog georganiseerde, strategische interventies door staten en financiële instellingen die er op uit zijn de crisis op hún voorwaarden op te lossen – en zijn onder zulke omstandigheden defensieve tegenmaatregelen niet geoorloofd?

Het kan niet anders of deze overwegingen zijn fataal voor de comfortabele subjectieve positie van radicale intellectuelen, ook al gaan ze door met de mentale gymnastiek waarin ze gedurende de twintigste eeuw zo veel genoegen hebben geschept: de behoefte om politieke situaties een catastrofaal karakter toe te kennen. Adorno en Horkheimer zagen in de culminatie van de ‘verlichtingsdialectiek’ in de ‘bestuurde wereld’ een catastrofe. Giorgio Agamben definieerde de twintigste-eeuwse concentratiekampen als de ‘waarheid’ van het gehele westerse politieke project. Laten we ons echter de figuur van Horkheimer in het West-Duitsland van de jaren vijftig voor de geest roepen. Terwijl hij de ‘eclips van de rede’ in de moderne westerse consumptiemaatschappij hekelde, verdedigde hij tegelijkertijd diezelfde samenleving omdat ze het enige eiland van vrijheid in een zee van totalitaire systemen en corrupte dictaturen zou zijn. Stel nu dat intellectuelen in werkelijkheid een in wezen veilig en gerieflijk leven leiden, en om hun positie te rechtvaardigen scenario’s over ingrijpende catastrofen construeren? Ongetwijfeld moet voor velen, als er sprake is van een revolutie, die revolutie op veilige afstand plaatsvinden – in Cuba, Nicaragua of Venezuela – zodat ze, terwijl hun hart door gedachten aan gebeurtenissen in verre landen wordt verwarmd, verder aan hun carrière kunnen werken. Maar bij de huidige ineenstorting van naar behoren functionerende welvaartsstaten in de hoogontwikkelde industriële economieën nadert voor radicale intellectuelen nu wellicht het moment van de waarheid waarop ze opheldering moeten geven: ze wilden echte veranderingen, en nu kunnen ze die krijgen…

In het domein van de sociaal-economische verhoudingen beschouwt ons tijdperk zichzelf als een tijdperk van volwassenheid waarin de mensheid de oude millenaristische utopische dromen heeft verlaten en de beperkingen van de realiteit met al haar onmogelijkheden heeft geaccepteerd – lees: van de kapitalistische sociaal-economische realiteit. Het gebod ‘gij zult niet’ is het parool: gij zult u niet inlaten met grootscheeps collectief handelen, dat onontkoombaar op totalitaire terreur uitlopen. Gij zult niet vasthouden aan de oude welvaartsstaat, die zorgt dat u niet concurrend bent en tot een economische crisis leidt. Gij kunt u niet isoleren van de wereldmarkt zonder ten prooi te vallen aan het spook van de Noord-Koreaanse juche of ‘zelfvoorzienendheid’. In haar ideologische variant draagt ook de ecologie haar eigen lijst met onmogelijkheden bij, zogenoemde drempelwaarden – een mondiale opwarming van niet meer dan twee graden – gebaseerd op de ‘meningen van deskundigen’.

Het is van cruciaal belang om hier onderscheid te maken tussen twee onmogelijkheden: het onmogelijk-reële van een maatschappelijk antagonisme en de ‘onmogelijkheid’ waarop het overheersende ideologische veld zich concentreert. De onmogelijkheid wordt hier verdubbeld, ze fungeert als een masker van zichzelf: dat wil zeggen, de ideologische functie van de tweede onmogelijkheid is de vertroebeling van het reële van de eerste onmogelijkheid. De heersende ideologie tracht tegenwoordig ons de ‘onmogelijkheid’ van radicale verandering te doen accepteren, van de afschaffing van het kapitalisme, van een democratie die niet tot een ontaard parlementair spel is gereduceerd, dit teneinde het onmogelijk-reële van het antagonisme dat dwars door kapitalistische samenlevingen loopt onzichtbaar te laten worden. Dit reële is onmogelijk in die zin dat het het onmogelijke van de bestaande maatschappelijke orde is, het vormende antagonisme daarvan. Dat impliceert niet dat dit onmogelijk-reële niet rechtstreeks kan worden aangepakt of radicaal kan worden veranderd.

Daarom luidt Lacans formule voor het overwinnen van een ideologische onmogelijkheid niet ‘alles is mogelijk’, maar ‘het onmogelijke gebeurt’. Het onmogelijk-reële van Lacan is geen beperking a priori, waarmee in realistische zin rekening moet worden gehouden, maar het domein van de daad. Een daad is meer dan een interventie in het domein van het mogelijke – een daad verandert de coördinaten van wat mogelijk is en schept aldus zijn eigen voorwaarden van mogelijkheid. Daarom betreft communisme ook het reële: voor een communist betekent handelen dat men intervenieert in het reële van het elementaire antagonisme dat aan het huidige mondiale kapitalisme ten grondslag ligt.

Alsof we vrij zijn…

De vraag blijft echter: waar is een programmatische uitspraak over het doen van het onmogelijke goed voor wanneer we worden geconfronteerd met een empirische onmogelijkheid, en wel het fiasco van het communisme als denkbeeld dat grote massa’s kan mobiliseren? Twee jaar voor Lenins dood, toen duidelijk werd dat er geen pan-Europese revolutie zou komen en Lenin besefte dat het idee om het socialisme in één land op te bouwen onzinnig was, schreef hij: “Als de volslagen hopeloosheid van de situatie ons, door ertoe te stimuleren dat arbeiders en boeren zich tien keer zoveel zouden inspannen, nu eens de mogelijkheid bood de fundamentele vereisten van de beschaving te scheppen op een manier die verschilt van de West-Europese landen?” (V.I. Lenin, ‘Our Revolution’ [1923], in Collected Works, dl. 33, Moskou, 1966, p. 479.)

Was dit niet het dilemma van de regering Morales in Bolivia, van de regering Chavez in Venezuela en van de maoïstische regering in Nepal? Ze kwamen door ‘eerlijke’ democratische verkiezingen aan de macht, niet door een opstand. Maar toen ze aan de macht waren oefenden ze die uit op een wijze die in elk geval gedeeltelijk de staat ‘buitenspel’ zet: door hun aanhang rechtstreeks te mobiliseren en het representatieve netwerk van de partij/staat links te laten liggen. Hun toestand is in ‘objectieve’ zin hopeloos: de gehele loop van de geschiedenis gaat in wezen tegen hen in, ze kunnen niet vertrouwen op ‘objectieve tendensen’ die hun kant uit gaan, ze kunnen alleen improviseren en in een wanhopige situatie proberen te doen wat ze kunnen. Verschaft dat hun desondanks echter geen unieke vrijheid? En verkeren wij – het huidige links – niet allen in dezelfde situatie?

Aldus is onze situatie volledig tegengesteld aan de klassieke vroeg twintigste-eeuwse situatie, toen links wist wat er te doen stond (de vestiging van de dictatuur van het proletariaat), maar daarvoor geduldig het juiste ogenblik moest afwachten. Vandaag de dag weten we niet wat we moeten doen, maar we moeten nu handelen, want de consequenties van niet handelen zouden rampzalig kunnen zijn. We zullen worden genoodzaakt om te leven ‘alsof we vrij zijn’. We zullen het risico moeten nemen voet in de afgrond te zetten, in volstrekt ongelegen situaties. We zullen aspecten van het nieuwe moeten heruitvinden, alleen om de machinerie op gang te houden en de goede aspecten van het oude te behouden: het onderwijs, de gezondheidszorg en elementaire sociale voorzieningen. Onze situatie laat zich kortom vergelijken met Stalins uitspraak over de atoombom: ze is niet voor mensen met zwakke zenuwen. Of, in de woorden van Gramsci toen hij het tijdperk kenschetste dat met de Eerste Wereldoorlog begon: “De oude wereld is stervende, en de nieuwe wereld verkeert in zijn geboorteweeën: de tijd voor monsters is aangebroken.”

Dit is een ingekorte versie van Slavoj Zizek, '‘What is the Left to Do?’A Permanent Economic Crisis', New Left Review  64, pp. 85–95. Gepubliceerd met toestemming van New Left Review.

Uit het Engels vertaald door Guus Houtzager.

Gerelateerde artikelen