7 minuten

Wij zijn Wilders

Is Geert Wilders de nar van het huidige politieke bestel? Als dat waar is, zijn we allemaal zot geworden. Want Wilders, dat zijn we zelf. De komische personages die bedacht werden door satirici als Schippers en Jiskefet zijn inmiddels deel van onze werkelijkheid. Ze vormen ons slechte geweten en ons zwakkere zelfbeeld. En of er dan nog wat te lachen valt….

De oplossing voor het probleem Geert Wilders, of voor wat het oprukkende populisme in de politiek, de kunsten en de cultuur wordt genoemd, begint met de simpele erkenning dat niet Geert Wilders, maar wij zelf het probleem vormen – en ik bedoel dat in het geheel niet moralistisch. Ik bedoel gewoon dat wij in feite Geert Wilders zijn.

Om dat te begrijpen is het goed om allereerst vast te stellen wat wij niet of niet meer zijn – beter: niet meer kunnen zijn.

Wij zijn niet langer in staat Rob Riemen te zijn. Rob Riemen is de directeur van de stichting Nexus, een onafhankelijke maar ook gesubsidieerde stichting die het intellectuele debat maar vooral ook de westerse beschaving verdedigt tegen de barbarij, tegen het populisme, tegen verplatting en vertrossing, tegen cultuurrelativisme, wansmaak en verloedering. Rob Riemen heeft onlangs een essay geschreven waarin hij stelt dat Wilders en de PVV simpelweg fascistisch zijn. Wie Wilders zegt, zegt tegelijk Mussolini, Hitler, NSB, enzovoorts. Dat kwaad, die barbarij, is maar met één middel te bestrijden: grof geweld. Dat laatste zegt Riemen niet, maar dat is wel de manier waarop het fascisme uiteindelijk is verslagen. Het is in ieder geval niet de beschaving, de rede of het fatsoen, de Verlichting of de adel van de geest, zoals Rob Riemen dat zelf noemt, die het fascisme ten val hebben gebracht. Misschien zou je moeten erkennen dat zonder de massale opofferingsgezindheid van de geallieerde legers en misschien ook zonder het verzet van delen van de Europese bevolking het fascisme nooit verslagen zou zijn. Maar je kunt met bijna evenveel recht zeggen dat het fascisme nooit zou zijn verslagen zonder de niets ontziende vernietigingskracht van de bombardementen op Dresden, Hamburg, Berlijn en de atoombommen die op Hirosjima en Nagasaki zijn gegooid.

Terug naar Rob Riemen, want het is juist de beschaving die hij zegt te verdedigen als enig antidotum tegen de verloedering, die niet meer bestaat – of beter wellicht: die nooit bestaan heeft op de manier waarop Rob Riemen zich dat voorstelt. Zijn ‘adel van de geest’ verwijst naar een culturele elite van burgers die met de partituur op schoot naar Mahler luisteren, die zelf pianosonates van Mozart spelen en die bedachtzaam door het museum schuifelen om tenslotte ’s avonds voor het naar bed gaan nog een hoofdstuk uit de Toverberg van Thomas Mann te lezen. We hebben het hier over de zelfverzekerde burgerlijke elite van het opkomende kapitalisme van de negentiende en vroege twintigste eeuw. Die elite is niet meer, en de massapolitiek van het fascisme was in zekere zin haar Waterloo. Dat fascisme was zoveel als het onderbewustzijn van de beschaafde burgerij – het verving fatsoen door gehoorzaamheid, beschaving door kadaverdiscipline en de openheid van het moderne publieke leven door de geborgenheid en eenheid van de ene Natie. De belangrijkste waarde van het fascisme was solidariteit in eenheid: één natie, één volk, één leider. Het individu hield op te bestaan, of loste op in de veilige collectiviteit van Partij en Beweging, iets wat het fascisme deelde met het communisme, maar ook met socialistische experimenten als de kibboetsim, of de soms ook uiterst beklemmende beslotenheid en geborgenheid van de christelijke zuilen in het vooroorlogse Nederland.

Sjef van Oekel

Aan die werkelijkheid hebben wij – en daarmee bedoel ik de drie generaties die na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren, een eind gemaakt. Dankzij het mei ’68 van de babyboomers, het no future van de lost generation, en de neoliberale newconomy van de netwerkgeneratie leven we inmiddels in een nieuwe, tweede moderniteit, de vloeibare moderniteit, waarin vrijheid opgevat als flexibiliteit en mobiliteit de dominante waarde en machtsfactor is geworden. In die realiteit moet het huidige populisme gesitueerd en begrepen worden. Zoals de fascistische discipline het andere gezicht van het burgerlijke fatsoen was, zo is de populistische botheid het andere gezicht van de postmoderne vrijheid, flexibiliteit en vlotheid. Er is sprake van een vloeiende overgang tussen de onbekommerde nikszeggendheid van Matthijs van Nieuwkerk en de botte humor van Paul de Leeuw èn de kopvoddentaks van Geert Wilders of het ‘Ik zeg wat ik denk, en doe wat ik zeg’ van Pim Fortuyn. Niet voor niets doen de PVV kamerleden die momenteel van het ene in het andere schandaal vallen, zo ontzettend denken aan personages die rondliepen in Wim T. Schippers’ postmoderne antitelevisie rond Sjef van Oekel, Barend Servet en Evert van der Pik, of aan de pitbullsmokings uit Jiskefet. Nu ontdekken we dat de personages die voortkwamen uit het absurdisme en de ironische overdrijving van Schippers en Jiskefet deel van onze politieke en culturele werkelijkheid zijn geworden. Geert Wilders is geen product van de straat, maar van de hyperrealiteit van de media. Zijn stem des volks is geen stem van het volk, maar van minimaal twee groepen, die beide product zijn van de vloeibare of flexibele, hypermobiele wereld van de neoliberale moderniteit, door Henk Hofland aangeduid als de coalitie van patsers en plebejers. De patsers zijn de relatieve winnaars van de neoliberale economie, flitskapitalisten en nieuwe rijken die het wel afkunnen zonder overheid, plebejers de relatieve verliezers van diezelfde economie: zij die niet meekunnen in de kenniseconomie en zich in de steek gelaten voelen door de politiek als zodanig en door de sociaaldemocratie in het bijzonder. Beide groepen stellen tegenstrijdige eisen aan overheid en politiek: ze willen zoveel mogelijk vrijheid (net als wij), ze willen kunnen zeggen wat ze denken (net als wij), maar ze willen ook bescherming en veiligheid, dat wil zeggen behoud van de klassieke verzorgingsstaat dan wel meer controle en zero tolerance, en vooral bescherming tegen vreemdelingen die de banen inpikken en de buurt verpesten, maar dan toch ook weer meer vreemdelingen om het nederige werk te doen. Over dat laatste denken wij doorgaans anders, en dat komt omdat wij gemiddeld hoger opgeleid zijn en geen moeite hebben met de flexibiliteit en mobiliteit van de internationale kenniseconomie. Daarom hebben de populisten vooral aan ons de pest – waarbij ‘ons’ kan staan voor ‘linkse kerk’, ‘Den Haag’, ‘de politiek’, ‘de elites’, de ‘grachtengordel’, en tenslotte voor ‘subsidieslurpers’.

Maar hoe duidelijk deze kloof ook is, toch zijn wij net als zij: ook wij houden er een hedonistische levensstijl op na (niet via kiloknallers maar via slow food en goede wijn), ook wij zijn fanatieke consumenten (niet van kamervullende flatscreens, maar van iPads), ook wij downloaden onze muziek gratis van internet (ook wij zijn dus dieven), ook wij houden van popmuziek (niet van Jan Smit, maar wel van Prince of Amy Winehouse), ook wij koesteren onze vrijheid en ook wij hebben soms behoefte aan bescherming door een verzorgende dan wel straffende of controlerende overheid.

ADHD

Geert Wilders is kortom niet veel meer dan ons slechte geweten, ons zwakkere zelfbeeld, hij is aan de ene kant een soort ADHD-uitvoering van wie wij zelf zijn, en aan de andere kant onze ergste nachtmerrie over wat er van ons kan worden: niet geslaagd, miskend, achtergelaten, vergeten. En daarom is er geen eenduidige oplossing voor het populisme dat Wilders vertegenwoordigt. Hooguit kunnen we stellen dat we in al onze flexibiliteit en vrijheidsdrang de verzorgingsstaat wat al te makkelijk uit handen hebben gegeven, dat we ons wat al te makkelijk hebben uitgegeven voor de kosmopoliet die overal thuis is en alles begrijpt, dat we de beperkingen en bekrompenheden van onze eigen cultuur en ons eigen wereldbeeld te weinig hebben ingezien. Wie een week avond aan avond naar ‘De Wereld Draait Door’ kijkt met een beetje antropologische blik, zal heel langzaam inzien hoe treffend de Wilderiaanse beeldspraak over ‘linkse kerk’, ‘grachtengordelelite’ en ‘subsidieslurpers’ feitelijk is. En wat je dan vooral ziet (afgezien van het feit dat je vooral naar jezelf kijkt), is dat de hoofdrolspelers nergens meer voor staan – dan voor zichzelf. En vooral dat zij dat zelf niet beseffen. Het is nog maar de vraag of wij het wel beseffen – en in die zin is er geen simpele oplossing voor de populistische uitdaging. Anders dan die uitdaging gewoon aan te gaan – want: Geert Wilders: dat zijn WIJ.

Deze tekst sprak René Boomkens uit bij een van de opvoeringen van 'Geert Wilders -the musical' van toneelgroep mightysociety onder regie van Erik de Vroedt (meer over deze musical in de vorige Helling).

Gerelateerde artikelen