10 minuten

Willen we worstelen?

Gesprekken met politieke theatermakers

Steeds meer jonge theatermakers maken expliciet politiek theater. In recente voorstellingen van Floris van Delft, Eric de Vroedt, Laura van Dolron en Ilay den Boer gaat het ondermeer over Wilders en Israël-Palestina. Maar ook de rol van kunst is onderwerp van reflectie.

En dan slaat regisseur Jeroen door. Vastgelopen in zijn pogingen om een genuanceerde Joop van den Ende-musical over Geert Wilders te maken, slaat hij wild om zich heen. Hij verkettert de kunst, de politiek, de media en de commerciële musical. Uiteindelijk rost hij diegene in elkaar die hem als toneelpersonage in deze complexe situatie heeft gebracht: regisseur Eric de Vroedt zelf. Het is de climax van de voorstelling MightySociety8, De Musical, een poging van regisseur De Vroedt om iets te zeggen over de waarde van kunst, politiek en vermaak in onze complexe mediasamenleving. Met als conclusie dat er niets te concluderen valt. Er zijn geen simpele antwoorden, of je je daar nou boos over maakt of niet.

Eric de Vroedt maakte vooral naam met zijn voorstellingen over grote thema’s als de oorlog in Afghanistan en globalisering. Ook zette hij al eens het publiek in een hotelkamer samen met een zelfmoordterrorist die een aanslag voorbereidt. De Vroedt: “Engagement is voor mij verbinding leggen met de wereld. Het gaat er niet om een radicaal statement maken of ergens voor of tegen zijn. Ik wil de complexiteit van een thema als oorlog of populisme laten zien, zodat het publiek er een betekenisvolle, emotionele verbinding mee aan kan gaan. Dat is misschien voor mij wel catharsis: dat het publiek een moment van inzicht heeft in een ingewikkeld thema. Theater is een impliciete oefening in het leren worstelen met grote dilemma’s en tegenstellingen in de samenleving. Waar we die in het dagelijks leven het liefste uit de weg gaan, zoekt theater juist de dilemma’s en paradoxen op.”

Langer nadenken

Vragen stellen, laten zien dat de wereld ingewikkeld is en de waarheid paradoxaal en veelkantig. Het zijn terugkerende thema’s bij een groep theatermakers in de twintig en dertig, die expliciet politiek theater maken. Opvallende voorbeelden zijn naast Eric de Vroedt Floris van Delft, Laura van Dolron en Ilay den Boer. Waar De Vroedt een vrij theatrale vorm kiest, met karikaturale personages en geestige musicalpastiches, kiest Floris van Delft een vorm waarin daadwerkelijk debat kan plaatsvinden tussen makers en publiek. In de voorstelling Rechter kan niet laat Van Delft het publiek een strafmaat bepalen in een werkelijk strafdossier. De acteurs spelen de advocaten van daders en slachtoffers en de avond wordt voorgezeten door een strafrechtdeskundige. Het doel is om te laten zien hoe Nederlanders in de loop der jaren anders tegen strafrecht en strenger straffen zijn gaan aankijken. Het publiek wordt door de acteurs actief betrokken bij de zaak en gevraagd om mee te denken. Zo wordt het gedwongen mee te gaan met verschillende standpunten die er in een dergelijke discussie in te nemen zijn. Van Delft laat zijn acteurs soms slim standpunten omdraaien, waardoor iets wat eerst logisch leek nu ineens belachelijk voorkomt, en laat daarmee de relativiteit van de rechtspraak zien. Zo hard in steen gebeiteld blijken recht en waarheid helemaal niet.

Het is, net als bij de voorstelling van Eric de Vroedt, dan ook de bedoeling dat het publiek gaat nadenken over dingen die vanzelfsprekend lijken. Van Delft: “Ik merk na de voorstelling dat iedereen het er over heeft. En dat is ook wat ik wil. Mijn voorstellingen zijn bedoeld als gesprek. Ik wil met de acteurs, de dagvoorzitter en het publiek een langer gesprek voeren over de rechtspraak zonder per se tot een oplossing te komen. Voordat je dat doet, moet je weten waar je voor staat. En waar dat standpunt eigenlijk vandaan komt. Dat geldt wat mij betreft ook voor de samenleving als geheel. Ik haat oppervlakkig geschreeuw. We moeten misschien eens ietsje langer onze mond houden en ietsje langer nadenken.”

“Ik hou van hyperpersoonlijk theater”, zegt Ilay den Boer. In zijn voorstellingen probeert hij het politieke persoonlijk te maken en andersom. Daarom speelt hij zijn voorstellingen zelf en gebruikt hij zijn afkomst (hij heeft een Joods-Israëlische moeder en een Nederlandse vader) en zijn familie als onderwerp. In Dit is mijn vader stond hij met zijn echte vader op het toneel. Tijdens de voorstelling Eet Smakelijk was het publiek te gast op een reconstructie van zijn bar mitswa, inclusief het lekkere eten dat daar bij hoort. Door die persoonlijke aanpal wordt de vaak expliciet politieke inhoud van zijn voorstellingen (het Israëlisch-Palestijnse conflict in Eet Smakelijk en antisemitisme in Dit is mijn vader) gedepolitiseerd en invoelbaar. In Janken en Schieten vertelt Den Boer in een oude schoolbus over zijn in de oorlog naar Israël gevluchte oma. Zijn oma’s streven naar een eigen land wordt door de liefdevolle manier waarop Den Boer over haar vertelt volstrekt begrijpelijk. Ingewikkelder wordt het als hij in de voorstelling het lijden van zijn oma lijkt te willen gebruiken om Israëlische oorlogsmisdaden goed te praten. Dat komt hem op een ruzie met zijn Nederlandse tegenspeelster te staan. Den Boer: “Ik wil de complexiteit van mijn Joods-Israëlische identiteit duidelijk maken en dat zo genuanceerd mogelijk doen. Ik probeer in de voorstellingen mezelf ten opzichte van een van mijn familieleden te plaatsen en die twee waarheden – die van hen en die van mij – naast elkaar te plaatsen. Daarin wil ik niet oordelen. Ik vind wel dat ik daarin zo eerlijk mogelijk moet zijn, mezelf niet moet sparen. Ik moet dan ook in mijn eigen vlees snijden en mezelf bevragen. Door het publiek persoonlijk aan te spreken, het op een aangename manier (zoals een bord lekker eten) het thema binnen te lokken en het ten slotte voor een onoplosbaar dilemma te plaatsen, kan het vervolgens niet anders dan op dat thema reflecteren.” Den Boer: “Kunst kan grote verhalen vertellen door ze juist heel klein te maken. En dan met een moker te komen.”

Twijfels

Ook Laura van Dolron staat soms zelf op het toneel en soms regisseert ze anderen. Haar voorstellingen vertrekken altijd vanuit haarzelf. “Ik ga ervan uit dat er meer mensen met dezelfde vragen worstelen als ik. Ik wil weten of het waar is wat ik ergens al vermoed. Die radar voor dergelijke onderwerpen is mijn talent: waar ik zelf mee zit, kan ik blijkbaar omzetten in meer universele waarden.” Een van de vragen gaat over de mens achter de politicus. In Welk stuk staat ze elke avond tegenover een nieuwe politicus op het toneel. Ze weet niet van te voren wie hij of zij is, maar wordt wel geacht ter plekke met hem of haar een voorstelling te maken. Eerder maakte ze die voorstelling met acteurs: “Volgens mij lijken die beroepsgroepen nogal op elkaar, ze spelen voor hun werk. In de voorstelling ben ik op zoek naar wie ze echt zijn. Ik wil geen kritiek op ze geven en ze ook niet afzeiken. Ik wil dat ze zich bij mij zo veilig voelen dat ze iets van zichzelf laten zien. Ik wil ze benaderen als mens die in een bepaalde rol is gedrukt. Politici moeten altijd een rol spelen, maar ze worden tegelijkertijd geacht authentiek, zichzelf te zijn. Het is een rotvak.” Politici hebben altijd een platitude klaar, maar Van Dolron ziet liever een twijfelende politicus: “Maar dat mag niet. Het systeem maakt dat onmogelijk.” In de voorstelling hoopt ze toch een glimp twijfel of echtheid in de politicus te vinden. Want twijfel is nuttig: “Als theatermaker geef ik mezelf juist veel ruimte om te twijfelen en te zoeken. Dat is de eerste stap van een voorstelling.” De andere voorstelling waaraan ze nu werkt – en die gebaseerd is op Herman Hesse’s Narziss und Goldmund – heet niet voor niets Het voordeel van de twijfel.

Alle makers vinden dat kunst in het algemeen en theater in het bijzonder een belangrijke bijdrage kan leveren aan de samenleving door het opwerpen van dilemma’s en vragen. Maar kun je de wereld ook veranderen met kunst? “Het is de taak van de kunstenaar om mensen op andere gedachten te brengen. Maar de komende tijd wordt echt belangrijk hoe we met die reflectie om zullen gaan”, meent Floris van Delft. “Ik wil dat het publiek nadenkt waar we nu met onze samenleving staan. Als dat zou leiden tot politiek activisme zou dat alleen maar mooi zijn. Maar een revolutie zullen we niet veroorzaken.” Ilay den Boer denkt wel dat kunst dat kan. “Door de juiste vragen te stellen kunnen we wel degelijk de wereld veranderen. Alleen vergeet de kunstenwereld zo vaak die essentiële vragen te stellen. Ik snap wel waarom de overheid ons wil korten. We hebben de afgelopen jaren te weinig teruggegeven aan de samenleving. Ik krijg als kunstenaar geld van de samenleving en dus moet ik die samenleving iets teruggeven in vorm van knettergoed theater dat essentiële vragen stelt en voor iedereen toegankelijk is. Daarom kies ik zelf ook zo bewust voor een open vorm. Ik krijg heus niet alle zestien miljoen Nederlanders binnen, die illusie heb ik niet. Maar we moeten als theatermakers wel ons belang laten zien. En dat kan alleen door belangwekkend te zijn.” Van Dolron is dat met Den Boer eens. “Een vorige generatie heeft met experimenteel theater het publiek de zaal uitgejaagd. Maar theaterexperimenten zijn niet altijd interessant, alleen omdat jij dat als maker interessant vindt. Je moet als maker delen. Ik wil als publiek ook graag dat wat ik op het toneel zie kunnen koppelen aan mijn dagelijks leven. Als ik dat niet kan, vind ik het niet interessant.”

Parochie

Bij de term geëngageerd theater heeft ze een kanttekening. “Een theatermaker met talent hoeft het engagement niet af te dwingen. Je maakt niet meteen politiek theater als je de VN leest of Wilders een keer noemt.” Eric de Vroedt is dat met haar eens: “Als politiek theater alleen gratuite linkse-opiniepagina-voorstellingen oplevert, dan hoeft het voor mij niet.” Toch denkt hij dat het geen toeval is dat op dit moment zoveel jongere makers expliciet politiek theater maken. “Ik zie een toename van voorstellingen die meer verbinding hebben met de samenleving. Ten eerste komt dat door de legitimiteitsdiscussie. Omdat we als theater zo ver van de samenleving waren weggedreven, wordt de noodzaak voor die verbinding extra sterk gevoeld. Dat is ook onvermijdelijk: er is in de samenleving zoveel aan de hand in tegenstelling tot tien jaar geleden. De werkelijkheid is na 2001 soms nog theatraler dan het theater zelf.” Van Delft vindt het lastig om over generaties te praten. “Toch”, zegt hij, “is het zoeken naar waar je nu precies in de samenleving staat, waar je voor wilt vechten, een vraag die we allemaal delen. We voelen dat er iets niet goed gaat, maar het is niet meer precies helder wat dat dan is.” Hij ziet datzelfde probleem, net als Den Boer, terug in de discussie over kunstsubsidies. Den Boer: “Is kunst de slagroom op de taart? Ik denk het niet. Maar er is geen helder beeld waarom kunst dan wel belangrijk is. Het is treurig om te zien hoe een gedeelde gedachte over kunst ontbreekt.”

Bovendien, zijn hun geëngageerde voorstellingen in feite geen preken voor eigen parochie? Het publiek bij hun voorstellingen is inderdaad overwegend links, merken ze. De vraag is of dat erg is. Van Dolron: “Het is toch geen schande dat waar wij van houden niet voor iedereen is? Ik snap die zelfhaat niet. Ik heb liever dat ik met mijn voorstelling vijf mensen echt raak, dan dat ik water bij de wijn moet doen om vijfhonderd mensen binnen te krijgen. Ik ben blij dat er een parochie is.” Eric de Vroedt: “Maar die parochie is wel zwaar verdwaald. Die parochie weet het niet, zit met vragen en heeft behoefte aan duiding. Daar kan geëngageerd theater bij helpen. Een preek is per definitie voor eigen parochie en bedoeld om die parochie op scherp te zetten en na te laten denken. Over hoe we greep krijgen op populisme, bijvoorbeeld.” Van Delft sluit daar bij aan: “Het mag dan om dezelfde parochie gaan, maar die kan ook nog wel wat leren. Ik vraag me ook wel eens af: is het zo erg dat we ons soms in ons eigen hoekje opsluiten?”

Gerelateerde artikelen