12 minuten

Zendingsdrang + eigenbelang

Bestrijd liever de ongelijkheid in het Westen

Het Westen moet niet bijdragen aan het Afrikaanse onvermogen om zichzelf te helpen. Afrikanen moeten zelf hun ontwikkeling ter hand nemen en Westerse burgers kunnen hun energie beter steken in het bestrijden van de ongelijkheid die door hun eigen samenlevingen in stand wordt gehouden.

Als Afrikaanse immigrant in Europa vind ik het verbijsterend hoe sterk het concept ‘ontwikkeling’ leeft in een groot deel van de westerse samenleving. Het publieke domein is doordrongen van beelden en boodschappen, advertenties, posters, debatten, seminars en campagnes voor allerlei goede doelen. Met name in de Nederlandse samenleving lijkt er zeer veel steun te zijn voor ontwikkelingssamenwerking, ondanks een recente toename van negatieve retoriek in sommige politieke kringen. Er lijkt een breed gedragen gevoel te zijn van een gemeenschappelijke morele verantwoordelijkheid om de noden van anderen te verlichten. Dit gevoel heeft diepe historische wortels en is uitgemond in een soort cultureel ethos. Oppervlakkig gezien is dit allemaal mooi en aardig, maar juist aan de basis van het hele concept van ontwikkeling liggen ongelijke machtsverhoudingen en dubieuze ideeën over culturele superioriteit. Dit komt deels door de normatieve associatie van ontwikkeling met beschaving en culturele vooruitgang.

Zendingsdrang

De Westerse ideeën over ontwikkeling zijn gebaseerd op een aantal veronderstellingen: onze manier van leven is verder ontwikkeld, en daarom absoluut te verkiezen boven die van hen. Onze cultuur en onze opvattingen zijn superieur. Onze manier van leven is de juiste en die van hen niet. Ironisch genoeg huiveren de westerlingen doorgaans als ze denken aan de daden van hun voorouders (de missionarissen/zendelingen en kolonialen), maar tegelijk verkeren ze in zalige onwetendheid over de overeenkomsten die er zijn met de hedendaagse ontwikkelingsindustrie.

De huidige benadering van ontwikkeling lijkt doordrongen te zijn van eenzelfde zendingsdrang als in het koloniale tijdperk. Er is veel enthousiasme en oprechte betrokkenheid, maar er is ook sprake van inadequate know-how en gebrek aan geduld om de juiste gereedschappen te leren hanteren. Verder bestaat er een onwankelbaar geloof in de rechtvaardigheid en juistheid van ontwikkelingssamenwerking. Het aantal Nederlandse NGO’s dat projecten runt in Kenia, het land waar ik vandaan kom, is duizelingwekkend. Het lijkt alsof er voor veel mensen sprake is van een favoriet tijdverdrijf, een moreel gerechtvaardigd excuus voor exotische vakanties of een hobby voor pensionado’s. De ontwikkelingsentrepreneurs tonen met enorm veel voldoening de foto’s waarop ze in een afgelegen dorp voor een gloednieuw schoolgebouwtje staan, omringd door tientallen lachende zwarte gezichten. Deze honderden, zo niet duizenden kleine, versnipperde en ongecoördineerde initiatieven hebben gigantische neveneffecten: er wordt een sterke afhankelijkheid gecreëerd onder de plaatselijke bevolking, en de regering hoeft haar verantwoordelijkheid niet te nemen om voor deugdelijke sociale omstandigheden te zorgen. Vanuit heel West-Europa, Noord-Amerika en Azië wordt een onmetelijke hoeveelheid initiatieven ontplooid. De schaal hiervan is werkelijk onvoorstelbaar.

Dit is echter geen argument voor rechtstreekse begrotingssteun aan regeringen (ODA - Official Development Assistance), omdat in zo’n geval de staat geen belang meer heeft bij het vergroten van zijn inkomsten. Er is dan onvoldoende stimulans om de productie in eigen land te bevorderen, waardoor de koopkracht zou verbeteren en de belastinginkomsten zouden toenemen. Een dergelijke niet-levensvatbare staat blijft afhankelijk van donoren en hoeft uitsluitend nog (eventueel) verantwoording af te leggen aan deze donoren, en veel minder aan het electoraat. Ook de burgers zelf verliezen hun legitimatie om de staat ter verantwoording te roepen als ze geen belasting betalen.

Puinhopen opruimen

Kenia is een goede case study. Op de ranglijst van mislukte staten (de Failed State Index 2008 van Foreign Policy) wordt het land ingeschaald als een grensgeval. Voor de Wereldbank geldt het als een ‘low income country’ en volgens de anticorruptie-organisatie Transparency International is het een van de meest corrupte landen ter wereld. Meer dan een jaar na het geweld dat volgde op de verkiezingsfraude in Kenia verkommeren sommige van zijn burgers nog steeds in vluchtelingenkampen met Internally Displaced Persons. Het land heeft een volstrekt uit zijn krachten gegroeide regering, met meer dan 40 ministers en twee onderministers per departement. De parlementariërs, die behoren tot de best betaalde ter wereld, weigeren belasting te betalen.

Verder is het land in de greep van een ernstige hongersnood die de levens van bijna vijf miljoen mensen bedreigt. De president wil voedselhulp leveren, maar de minister van landbouw – verantwoordelijk voor de voedselvoorziening in het land – is samen met een aantal handlangers verwikkeld in een corruptieschandaal rond de export van Kenia’s voedselreserves. Het is duidelijk dat Afrika voor het grootste deel zijn eigen puinhopen moet opruimen, maar dat is een verhaal voor een Afrikaans publiek. Het gaat er hier om dat het Westen niet moet bijdragen aan het Afrikaanse onvermogen om zichzelf te helpen.

De hulpindustrie verstoort dus het sociale contract tussen de staat en zijn burgers en verzwakt de mate waarin autoriteiten ter verantwoording geroepen kunnen worden. Een elite kan de politieke en bestuurlijke processen in handen houden en de burgers raken steeds meer uitgesloten van de besluitvormingsprocessen. De democratische cultuur wordt dus uitgehold.

Afgezien van humanitaire hulp in tijden van crisis en steun voor gebieden die herstellen van gewapende conflicten, is er nog nooit een samenleving blijvend positief veranderd door interventies van buitenaf. De mislukking van decennia van ontwikkelingssamenwerking zouden een afdoende les moeten zijn. Het Nederlandse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking richt zich op dit moment op fragiele staten en op landen die net ernstige crises achter de rug hebben, zoals Burundi, Liberia en Sierra Leone. Dit is veelzeggend. Hulp bij het herstellen van de rechtsstaat en het verkrijgen van stabiliteit werkt maar tot op zekere hoogte. Daarboven moeten Afrikaanse landen zelf hun ontwikkeling ter hand nemen.

Maar ook de burgers van de westerse samenlevingen hebben de verantwoordelijkheid om binnen hun eigen domein in actie te komen. Het motto “think globally, act locally” is kennelijk nooit doorgedrongen tot de honderden vrijwilligers, deskundigen, projectmanagers en beleidsmakers die liever willen interveniëren in ontwikkelingslanden dan in hun eigen land actie te ondernemen. Men heeft een voorkeur voor simpele, meetbare indicatoren van de ‘ontwikkeling’ van Afrika. Dit leidt af van het echte werk dat nodig is om onrechtvaardige praktijken te ontmantelen, bijvoorbeeld op het gebied van handel.

Ongelijke machtsverhoudingen vormen een belemmering voor groei en zorgen ervoor dat het zuidelijk halfrond niet werkelijk kan integreren in de wereldmarkten. Als de gedrevenheid, de energie, het geld en de kennis die de westerse burgers in ontwikkelingssamenwerking steken, gericht zouden zijn op pogingen om deze ongelijkheid (die door hun eigen samenlevingen in stand wordt gehouden) te bestrijden, dan was er wellicht sprake van werkelijke ontwikkeling. Dat deze ongelijkheden zelden aan de orde worden gesteld, of volledig worden genegeerd, doet twijfelen aan de oprechtheid en betrokkenheid van de westerse burger.

Blinde vlekken

Ik heb zeer veel lezingen, debatten, seminars, symposia en workshops bezocht over onderwerpen als ontwikkeling, conflictoplossing, democratische hulp en allerlei andere labels waarmee men de vermeende kwalen van Afrika wil verlichten. Hierdoor heb ik een beeld gekregen van de enorme onwetendheid en het gebrek aan vaardigheden onder de zogenaamde ontwikkelingsdeskundigen in Nederland. Men heeft geen echte kennis over de werkelijke behoeften van het continent.

In mijn werk als consultant geef ik vaak trainingen aan mensen die nog nooit een voet in Afrika hebben gezet, maar met honderden tegelijk worden aangetrokken om in het hele continent adviezen te geven en projecten op te zetten of te monitoren. De ideeën die onder deze mensen leven, zijn vaak gebaseerd op pure desinformatie die door de media in stand wordt gehouden. Hierbij wordt voortdurend het beeld versterkt dat Afrika een meelijwekkend continent is, doordrongen van honger, ziekte, conflicten, corruptie, armoede en dood. Daar zit een kern van waarheid in, maar het is slechts een deel van een veel groter geheel. Terwijl de Nederlandse (en Europese) burgers afwijzend staan tegenover de vermeende Amerikaanse hegemonie in de wereld, is men zich niet bewust (wellicht omdat dit goed uitkomt) van de eigen culturele en ideologische vooroordelen over het zuidelijk halfrond. Toch zijn het juist deze blinde vlekken die invloed hebben op het beleid, op de interventies en op de programma’s die daarom in de praktijk onvoldoende aansluiten bij de Afrikaanse behoeften en omstandigheden. Hierdoor worden projecten ondeugdelijk beheerd, werken ze niet op de lange termijn en verloopt de ‘ontwikkeling’ dus uiterst ineffectief.

Er is in wezen weinig veranderd aan het pre-koloniale beeld van Afrika als het donkere continent dat behoefte heeft aan de drie C’s: Civilization, Christianization en Conquest. Deze C’s zijn in de loop der jaren ernstig in diskrediet geraakt en vervangen door drie D’s: Development, Democratization en Dependency. De bijbel en de tien geboden zijn vervangen door de heilige teksten van de Millenniumdoelen van de Verenigde Naties. Het Maxim-geweer waarmee Afrika werd onderworpen is vervangen door oneerlijke handelsvoorwaarden, sancties en invoerbelemmeringen. De door de vrije markt veroorzaakte exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en menselijke kennis heeft de plaats ingenomen van de ooit wijdverbreide handel in ivoor en slaven, die geketend uit het binnenland werden gehaald en via het Ghanese Fort Elima naar de plantages op Java werden vervoerd waar ze moesten voldoen aan de vraag naar goedkope of gratis arbeidskrachten. Dezelfde principes van de vrije markt zijn nog steeds van kracht, alleen is de handelswaar enigszins veranderd. Met producten als koffiebonen, cacao, diamanten, coltan-erts en bloemen wordt aan de Nederlandse industriële en sociale behoeften voldaan, tegen een prijs die zo laag mogelijk wordt gehouden. Dit is de belangrijkste factor die zorgt dat Rotterdam de tweede haven van de wereld blijft en Schiphol één van de drukste vliegvelden van Europa.

Er is waarschijnlijk nog een hele eeuw nodig voordat de zogenaamd beschaafde wereld zal terugkijken en beseffen hoe onbeschaafd het gemeenschappelijke landbouwbeleid is, net als alle andere handelsbelemmeringen en het ontwikkelingsbeleid dat uitsluitend uitgaat van het Westen. Bij sommigen dringt dit besef nu al door. Niet langer wordt de vraag gesteld of het huidige model werkt, want dat is duidelijk niet het geval, althans niet in de traditionele vorm.

De huidige doctrines behelzen effectiviteit van hulp, coherentie, veranderingen die uit de burgers zelf voortkomen, etc. In dat kader moet de Verklaring van Parijs (een gezamenlijke verklaring van donoren, zie ook het artikel van Nadia Molenaers in deze Helling red.) over de effectiviteit van hulp worden gezien, en talloze andere ‘nieuwe’ initiatieven op het gebied van plaatselijk ownership en milieuvriendelijkheid. Helaas worden bij dit alles de culturele, ideologische en normatieve aannames (die zowel in het Westen als in de ontvangende landen ten grondslag liggen aan het concept van ontwikkeling) onvoldoende aan de orde gesteld.

Er bestaat een grote kloof tussen de westerse en de Afrikaanse ideeën over ontwikkeling. Maar het beleid, de programma’s en de doelstellingen worden opgesteld in westerse hoofdsteden, van waaruit ook de fondsen worden verdeeld en de ‘deskundigen’ worden uitgezonden naar verre landen. De Afrikanen zelf zijn slechts de ontvangers. Het feit dat ze bestaan volstaat om de cyclus te voltooien. De statistieken worden bijgesteld en de fel begeerde foto’s worden genomen om de campagneposters en websites te sieren. Vervolgens komen er teams om te monitoren en te evalueren, worden er indicatoren bepaald en kan de volgende ronde beginnen. Een goed voorbeeld hiervan is de mislukking van het concept van de Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP), waarbij het de bedoeling was dat de Afrikaanse ontwikkelingspartners het voortouw zouden nemen in het ontwerpen van hun eigen programma’s.

Per saldo is er wellicht enige vooruitgang geboekt in het verhogen van de levensstandaard of de macro-economische indicatoren. Dit zou ontwikkeling genoemd kunnen worden, maar wiens concept van ontwikkeling? Kan het worden vertaald naar echte, tastbare veranderingen in leefomstandigheden en kansen voor plaatselijke gemeenschappen? Het is niet nieuw om te zeggen dat de Afrikaanse economieën tegenwoordig slechter af zijn dan voordat ze buitenlandse hulp gingen aantrekken. De armoede is toegenomen, ondanks een verhoogde toevoer van externe financiering. De weinige Afrikaanse consultants en deskundigen die bij de hulpprojecten worden betrokken, dienen vaak alleen maar om de hulp een bepaalde legitimiteit te verlenen. Misschien is de meest tastbare indicator van ontwikkeling het feit dat deze consultants torenhoge salarissen en honoraria verdienen, waardoor ze vorstelijke huizen kunnen bouwen, hun kinderen naar particuliere scholen kunnen sturen en in NGO-weelde kunnen leven totdat het volgende project eraan komt.

Eigenbelang

Waaruit bestaat eigenlijk de westerse betrokkenheid bij ontwikkeling, behalve uit symboliek? Waar zijn de vastberadenheid en de politieke wil om de wereld te bevrijden van armoede, honger en ziekte? De apathie tegenover de genocide in Darfur, het kolossale menselijke drama in Zimbabwe en de wereldwijde gesel van aids vormen een scherp contrast met de resolute actie die werd ondernomen bij de internationale financiële crisis. Dit geldt zowel voor de handelingssnelheid als voor de hoeveelheid geld die opeens werd vrijgemaakt door staten die tot nu toe niet voldeden aan hun G8-verplichtingen om schuldenlasten te verlichten, aids en malaria te bestrijden en andere bilaterale overeenkomsten uit te voeren.

Staten gaan altijd door met het bevorderen van hun eigenbelang en streven altijd naar verhoging van hun status op het internationale toneel. Niets wat een staat doet, is dus volledig altruïstisch. Ontwikkelingssamenwerking is derhalve ook gewoon een onderdeel van het buitenlandse beleid, dat sterk wordt bepaald door de belangen van de staat, wat die belangen ook zijn. Het veel geroemde succes van de Nederlandse regering om meer dan 0,7 procent van het bruto nationaal product voor ontwikkelingssamenwerking te reserveren, is veelzeggend in dit licht. Er is nauwelijks een grens te trekken tussen de staat en de Nederlandse NGO-bedrijfstak, die buitenproportioneel afhankelijk is van overheidssteun. Elk jaar, of aan het einde van elke projectcyclus, zwoegen de NGO-medewerkers tot diep in de nacht op de aanvragen voor subsidies bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarbij aan steeds strengere criteria moet worden voldaan qua rapportage en aansprakelijkheid. Op die manier vormen de NGO’s een verlengstuk van de staat. Ze voeren slechts een overheidsbeleid uit dat is vermomd als onafhankelijke ontwikkelingshulp. De deskundigheid die de NGO’s nodig hebben, heeft dus geen betrekking op het bewerkstelligen van daadwerkelijke veranderingen, maar op het voldoen aan de eisen van het ministerie.

Ik heb collega’s die bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werken. Het frappante is dat ze vaak klagen dat ze voorstellen moeten lezen en goedkeuren waarbij miljoenen euro’s zijn betrokken, terwijl ze geen werkelijke kennis over de bewuste materie hebben en ook niet geloven in de effectiviteit ervan. Het hele systeem van ontwikkelingshulp is kapot, en de mensen die erin werken zijn de gevangenen ervan. Dat weten ze, maar er wordt geen werkelijk actie ondernomen om er verandering in te brengen. Sommige professionals zijn werkelijk gefrustreerd door het systeem, maar ze zijn wanhopig door de onmogelijkheid van verandering. Dan dient de vraag zich aan: bestaat het ultieme belang van de Nederlandse staat uit het bevorderen van ontwikkeling, of uit het vergroten van zijn internationale profiel? En hoe belangrijk is dat, gezien de betrekkelijk kleine omvang van het land?

Vanuit dit perspectief gezien is ontwikkelingssamenwerking verworden tot een orthodoxie, een onderdeel van een arsenaal aan conventionele gereedschappen waarmee staten invloed uitoefenen, gunsten uitwisselen en hun belangen (en die van hun burgers) bevorderen. Het genie van de staat ligt in het feit dat de burgers worden overtuigd van de juistheid van de doelen. Er wordt een cultuur gepromoot die uitgaat van morele superioriteit. Er worden generaties opgeleid van jonge, enthousiaste, naïeve maar toegewijde professionals die bereid zijn lijf en leden te riskeren in de oprechte overtuiging dat ze de wereld gaan redden, maar ongewild in de voetsporen treden van hun voorouders, de missionarissen, zendelingen en handelaren van de VOC. Net als hun voorgangers, hoewel op een andere manier, willen zij de Nederlandse staat een rol laten spelen op het wereldtoneel.

Uit het Engels vertaald door Michiel Nijenhuis.

Gerelateerde artikelen